Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdbeschermer wordt verweten dat zij bij de uithuisplaatsing van de kinderen onvoldoende heeft samengewerkt waardoor de moeder buitenspel is komen te staan. Het College is van oordeel dat de jeugdbeschermer de omgangsregeling zeer zorgvuldig heeft uitgevoerd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
Mevrouw T. Roosblad, lid-beroepsgenoot,
De heer A.R. van Empel, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.N. Tabak.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door

mevrouw A., hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen

mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde.

Klaagster is bijgestaan door [naam] van de […].

Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mevrouw mr. S.M. ten Seldam van […].

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift van 18 november 2015;
– de e-mails met aanvullingen op de klacht van 2 februari 2016;
– het verweerschrift met de bijlagen van 10 mei 2016.

1.2

De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2016 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en hun gemachtigden als voornoemd. Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen meegedeeld dat de beslissing uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De feiten

2.1

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.2

Klaagster is de moeder van twee zonen C. (2008) en D. (2009). De ouders van de kinderen zijn gescheiden in januari 2012. Zij zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.

2.3

Bij beschikking van 1 juli 2014 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling, hierna te noemen: de ots, over de kinderen uitgesproken, welke telkens voor de duur van een jaar is verlengd. Beklaagde is als gezinsvoogd van [naam GI], hierna te noemen: [de GI], als uitvoerder van de ondertoezichtstelling betrokken geweest bij het gezin van klaagster in de periode van juli 2014 tot september 2015 en vervolgens vanaf april 2016 tot 1 december 2016.

2.4

Bij beschikking van 23 januari 2015 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van dezelfde dag en voor de duur van vier weken.

2.5

Bij beschikking van 3 februari 2015 heeft de kinderrechter [de GI] gemachtigd de kinderen uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Deze machtiging is tot op heden door de kinderrechter telkens verlengd.

2.6

Op 13 februari 2015 is door [de GI] een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de omgangsregeling tussen klaagster en de kinderen gedurende de uithuisplaatsing, inhoudende een begeleide bezoekregeling van eenmaal per twee weken gecombineerd met wekelijkse belmomenten. Klaagster is hiertegen in beroep gegaan.

2.7

Bij beschikking van 7 april 2015 is het verzoek van moeder om vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van [de GI] over de omgang door de kinderrechter afgewezen.

2.8

Op 20 en 28 april 2015 heeft klaagster haar klachten jegens de instelling ingediend bij de klachtencommissie van [de GI]. Bij beslissing van 9 juni 2015 heeft de commissie deze klachten voor een deel niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard.

2.9

Bij beschikking van 7 juli 2015 heeft het gerechtshof de beschikking van de kinderrechter van 3 februari 2015 bekrachtigd.

2.10

Bij beschikking van 6 november 2015 heeft het gerechtshof de beschikking van de kinderrechter van 16 juni 2015 bekrachtigd, betreffende de verlenging van machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening tot pleegzorg .

2.11

Beklaagde is als jeugdzorgwerker bij SKJ geregistreerd per [datum] 2014.

3 De klachten

3.1

Klaagster stelt vele pogingen te hebben gedaan om met beklaagde samen te werken. Die samenwerking kwam echter niet, met als gevolg dat klaagster als moeder geen rol meer had ten aanzien van de kinderen. Zij verwijt beklaagde, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende:

A)

onheuse bejegening door niet met klaagster te overleggen, haar niet te informeren en haar respectloos te behandelen;

B)

nalaten het belang van de kinderen voorop te stellen door niet naar hen te luisteren en door signalen van onveiligheid en trauma’s niet op te pakken;

C)

onterechte uithuisplaatsing en omgangsregeling;

D)

schending van de privacy.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert ten eerste aan dat de klachten die zien op een andere periode dan wanneer beklaagde betrokken is geweest bij het gezin van klaagster, niet aan haar kunnen worden toegerekend. Ook de klachten die betrekking hebben op de organisatie of op andere personen dan beklaagde vallen beklaagde niet te verwijten. Ten tweede voert beklaagde aan dat de klachten onvoldoende zijn onderbouwd. De klachten betreffen slechts stellingen en zijn niet geconcretiseerd. Met betrekking tot de afzonderlijke klachtonderdelen voert beklaagde, kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aan.

A)

onheuse bejegening door niet met klaagster te overleggen, haar niet te informeren en haar respectloos te behandelen

4.2

Voor beklaagde is het onduidelijk wanneer en op welke manier zij klaagster onheus zou hebben bejegend. Beklaagde heeft altijd naar klaagster geluisterd, overleg gevoerd met klaagster en alle stappen met haar besproken. Dat er geen sprake is van respectloze behandeling, is ook onderschreven door de klachtencommissie. Klaagster is erg wantrouwend, mede als gevolg van een waanstoornis welke door de psychiater van […] is vastgesteld.
Beklaagde herkent zich wel in de klacht dat klaagster zich niet gehoord voelt maar legt hiervan de schuld niet bij zichzelf. Dit komt vooral door het feit dat klaagster het niet eens is met de genomen beslissingen. Klaagster is wel degelijk gehoord en serieus genomen door beklaagde, dat blijkt onder andere uit de gespreksverslagen die zijn bijgevoegd. In de onderhavige situatie waarin de kinderen uit huis zijn geplaatst, is het echter niet mogelijk dat klaagster overal een beslissende stem in heeft. Beklaagde constateert dat er geen mogelijkheden meer zijn om de communicatie tot tevredenheid van klaagster te doen verlopen. Ook constateert beklaagde dat zij klaagster niet duidelijk heeft kunnen maken waarom bepaalde beslissingen noodzakelijk waren.

B)

nalaten het belang van de kinderen voorop te stellen door niet naar hen te luisteren en door signalen van onveiligheid en trauma’s niet op te pakken

4.3

Het is beklaagde niet duidelijk wat klaagster met dit klachtonderdeel bedoelt. Beklaagde heeft zich steeds volledig ingezet om ervoor te zorgen dat de kinderen centraal bleven staan en zij goed behandeld werden. De kinderen waren wekelijks onderwerp van gesprek in teambesprekingen en werkbegeleiding. Er is veel tijd besteed aan dit gezin, bijvoorbeeld op verzoek van klaagster door middel van de […]. Alle beslissingen zijn in teamverband met de gedragsdeskundige of teamleider afgestemd en met klaagster besproken.

C)

onterechte uithuisplaatsing en omgangsregeling

4.4

De uithuisplaatsing heeft plaatsgevonden op grond van een gerechtelijke beslissing, dit is geen besluit van beklaagde geweest. Besluiten van de rechter kunnen beklaagde niet worden toegerekend. De opmerking dat beklaagde gelogen zou hebben bij de rechter, kan beklaagde niet plaatsen. Beklaagde kan naar eer en geweten zeggen dat zij nooit heeft gelogen bij de rechter. Ook het verwijt dat beklaagde de kinderen zonder toezicht bij de vader heeft gelaten, kan beklaagde niet worden verweten. Dit is een zakelijke beslissing geweest waar klaagster het kennelijk niet mee eens is. Hetzelfde geldt voor beslissingen om de communicatie met de scholen en pleegouders tijdelijk via de gezinsvoogd te laten verlopen.

D)

schending van de privacy

4.5

Dit klachtonderdeel is niet onderbouwd dus beklaagde kan hierop geen verweer voeren. Wel verwijst beklaagde in dit kader naar de uitspraak van de klachtencommissie waaruit blijkt dat klaagster dit punt ook niet concreet kon maken en heeft ingetrokken.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

5.1

Het College wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Beklaagde is bij SKJ geregistreerd sinds [datum] 2014. Zij is bij het gezin van klaagster betrokken geweest in de periode van juli 2014 tot september 2015 en vervolgens vanaf april 2016 tot heden 1 december 2016. Het College toetst het beroepsmatig handelen aan de algemene tuchtnorm vanaf de periode dat beklaagde betrokken is geweest bij het gezin tot aan de datum van het klaagschrift en overweegt ten aanzien van de afzonderlijke klachtonderdelen het volgende.

A)

Van onheuse bejegening door beklaagde door het nalaten om met klaagster te overleggen en haar te informeren, is het College, ook na indringend vragen, niet gebleken. Het College is van oordeel dat beklaagde zich wel degelijk heeft ingespannen in de samenwerking en de communicatie met klaagster. Het College verklaart dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

B)

Van nalaten het belang van het kind voorop te stellen is, hoewel gesteld, het College niet gebleken. Het College is van oordeel dat van datgene wat klaagster hieromtrent stelt, juist het tegendeel blijkt. Beklaagde heeft het belang van de kinderen wel degelijk voorop gesteld. Dit blijkt onder andere uit het verweer van beklaagde. Dat dit handelen van beklaagde niet altijd in het belang van klaagster is geweest, doet daar niet aan af. Het klachtonderdeel verklaart het College ongegrond.

C)

Ten aanzien van de door klaagster gestelde onterechte uithuisplaatsing en omgangsregeling, oordeelt het College als volgt. Gezien het feit dat het hier gaat om beslissingen die door de kinderrechter zijn genomen, kunnen deze beslissingen niet aan beklaagde worden tegengeworpen. Daarbij merkt het College op dat het omtrent deze punten ook geen bijzonderheden ziet. Integendeel, het College is van oordeel dat de omgangsregeling juist zeer zorgvuldig door beklaagde is uitgevoerd. Het College verklaart dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

D)

Klaagster heeft de gestelde schending van de privacy door beklaagde onvoldoende geconcretiseerd. Naar het oordeel van het College is beklaagde juist zorgvuldig omgegaan met de informatie en daarom kan van schending van de privacy niet worden gesproken. Het College verklaart dit klachtonderdeel ongegrond.

6 De beslissing

Het College van Toezicht verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan in de genoemde samenstelling en op 24 januari 2017 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw mr. L.N. Tabak, secretaris