Maak een selectie

727 van 727

   

Het handelen van de jeugdprofessional is niet van zodanig gewicht dat beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. De klachtonderdelen worden door het College dan ook ongegrond verklaard. 

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mr. M.A. Stammes, lid-jurist;
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot;
E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot;
mevrouw D.C. de Gelder, lid beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.N. Tabak.

Het College heeft het volgende overwogen omtrent de door
A., hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen:

Z., hierna te noemen: beklaagde.

Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mevrouw mr. [gemachtigde].

Als gemachtigde van klager is opgetreden mr. C.

1 Het verloop van de procedure

Op 16 november 2015 heeft het College het klaagschrift van klager ontvangen. Op 7 december 2015 zijn aanvullende stukken ontvangen. Op 21 januari 2016 heeft het College het verweerschrift van beklaagde ontvangen.

De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2016 in aanwezigheid van de gemachtigde van klager, beklaagde en zijn gemachtigde. De gemachtigde van klager heeft een pleitnotitie overgelegd, welke is toegevoegd aan het dossier. Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter medegedeeld dat de uitspraak uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De ontvankelijkheid van de klacht

Het College stelt vast dat het klaagschrift voldoet aan de vereisten gesteld door artikel 10 lid 1 sub a en lid 4, artikel 11 en artikel 12 van het toepasselijke tuchtreglement. Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013. Het klaagschrift is derhalve ontvankelijk.

3 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Klager en zijn ex-echtgenote beschikken over het gezamenlijk gezag over zoon B. (2008) en dochter R. ([datum] 2013). Vanwege de grote zorgen van klager over de kinderen is klager op 9 oktober 2014 met de kinderen bij moeder weggegaan. Op 3 december 2014 heeft de rechtbank bij voorlopige voorziening bepaald dat deze feitelijke situatie gehandhaafd dient te worden.

De Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad, heeft op 12 januari 2015 een rapport opgesteld naar aanleiding van onderzoek naar het gezin. Op 20 oktober 2015 heeft de Raad een aanvulling aan dit rapport toegevoegd betreffende de psychische gesteldheid van moeder.

Bij beschikking van 9 februari 2015 heeft de rechtbank de kinderen onder toezicht gesteld. De OTS is steeds verlengd, laatstelijk tot 9 augustus 2016, waarbij de uitvoering van de OTS in de eerste helft van 2015 tijdelijk aan de [GI] is overgedragen.

Beklaagde is als uitvoerder van de OTS namens Bureau Jeugdzorg […], hierna te noemen: BJZ, tot eind december 2015 bij het gezin betrokken geweest.

Op 3 november 2015 heeft beklaagde aan klager een aankondiging van een schriftelijke aanwijzing gegeven om mee te werken met de uitbreiding van de omgangsregeling tussen de kinderen en moeder. De schriftelijke aanwijzing is gegeven op 12 november 2015.

Bij het gezin betrokken hulpverleningsinstanties zijn: [instelling], CJG en Veilig Thuis.

4 De klachten

Klager verwijt beklaagde, samengevat, het volgende.

4.1 en 4.8 Schending van artikel A en K Beroepscode (kind tot zijn recht laten komen; vermoeden kindermishandeling)

Beklaagde heeft het belang van de kinderen niet voorop gesteld. Beklaagde heeft geen inschatting gemaakt van de veiligheidsrisico’s van de kinderen en heeft signalen uit de sociale omgeving en van betrokken professionals niet serieus genomen of onderzocht. Zo heeft beklaagde het vermoeden dat moeder aan Münchausen by proxy lijdt onterecht naast zich neergelegd en zijn alarmerende signalen uit de omgeving over broekplassen en verdraaide stemmetjes van B. tijdens (skype) gesprekken met moeder niet serieus genomen. Ook mededelingen uit de omgeving dat B. heeft verklaard dat moeder in het verleden zijn keel dichtkneep, zijn armpjes op zijn rug draaide, hem sloeg, tegen hem schreeuwde en hem tegen de grond duwde zijn door beklaagde genegeerd.
Ondanks de zorgen over moeder en tegen de beschikking van de rechtbank in, heeft beklaagde de (onbegeleide) omgang tussen moeder en de kinderen uitgebreid, waarbij moeder zelf het veiligheidsplan mocht schrijven. Beklaagde heeft daarbij geen rekening gehouden met de negatieve gevolgen voor de kinderen en de belasting voor het gezin.

4.2 Schending van artikel D Beroepscode (bevorderen van vertrouwen in de jeugdzorg)

Het vertrouwen in de jeugdzorg is door toedoen van beklaagde ernstig beschadigd. Beklaagde heeft zonder plan gehandeld, heeft geen constructieve hulp geboden en heeft zich herhaaldelijk bediend van mededelingen die op gespannen voet stonden met de waarheid. Zo is het plan van aanpak zeer laat en ad hoc tot stand gekomen en is het inhoudelijk ondermaats. Ook heeft beklaagde het oordeel van de rechtbank dat er onderzoek moest komen naar contra-indicaties voor omgang naast zich neergelegd. Al hetgeen tot nu toe is geregeld ter stimulering en bevordering van de ontwikkeling van de kinderen is geregeld door klager, niet door beklaagde.

4.3 Schending van artikel E Beroepscode (respect)

Beklaagde heeft geen respect getoond voor klager en zijn kinderen. Zo heeft beklaagde geen oog gehad voor de grote en snelle ontwikkelingen van de kinderen die klager vanaf het vertrek naar [plaatsnaam] heeft bewerkstelligd en heeft beklaagde de fulltime baan van klager afgekeurd. Ook beschuldigd beklaagde B. van het hebben van autisme.

4.4 Schending van artikel F Beroepscode (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening)

Beklaagde heeft door onheldere communicatie veel ruis veroorzaakt in de relatie met de ouders en in de samenwerking in de keten. Zo heeft beklaagde al binnen twee weken na de start van de OTS erop aangedrongen om R. mee te nemen naar het eerste oudergesprek met [instelling], zodat zij moeder kon zien. Ook heeft beklaagde in april 2015 aan ouders meegedeeld dat zij onderzocht zouden worden bij het NIFP, terwijl later bleek dat zij niet waren aangemeld.

4.5 Schending van artikel G Beroepscode (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening)

De communicatie van beklaagde is slordig en tegenstrijdig geweest en beloftes zijn niet nagekomen. In het overleg tussen beklaagde en klager is nauwelijks ruimte geweest voor de zienswijze van klager noch voor zijn daadwerkelijke instemming. Zo heeft beklaagde met een schriftelijke aanwijzing klager proberen te dwingen om mee te werken aan het contact tussen de kinderen en moeder. Daarnaast is het plan van aanpak van R. in het geheel niet ter instemming aan klager voorgelegd.

4.6 Schending van artikel H Beroepscode (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie)

Tijdens het gesprek in oktober 2015 heeft beklaagde te kennen gegeven niet op zijn gedrag aangesproken te willen worden. Beklaagde heeft daarnaast meermalen gedreigd met een aanwijzing en inperking van het gezag als klager niet de voorstellen van beklaagde opvolgde. Ook heeft beklaagde meerdere malen te kennen gegeven dat hij mede sprak namens [instelling] en Veilig Thuis, terwijl later bleek dat dat deze instellingen andere opvattingen hadden. Beklaagde heeft zijn wil doorgedrukt bij alle betrokkenen en heeft daarbij misbruik gemaakt van zijn positie.

4.7 Schending van artikel J Beroepscode (vertrouwelijkheid)

Tot tweemaal toe heeft een gesprek tussen klager, moeder en beklaagde in een café in […] moeten plaatsvinden, omdat beklaagde was vergeten een plek in het Veiligheidshuis te reserveren. Daardoor hebben zij vertrouwelijke en gevoelige informatie in een openbare ruimte moeten bespreken.

4.9 Schending van artikel M Beroepscode (verslaglegging/dossiervorming)

Beklaagde heeft een zeer gebrekkig dossier opgesteld, kende het dossier onvoldoende en heeft zijn agenda niet goed bijgehouden. Ook heeft beklaagde nagelaten om tijdens besprekingen aantekeningen te maken.

4.10 en 4.11 Schending van artikel N, O en S Beroepscode (samenwerking in de hulp- en dienstverlening; beroepsuitoefening en samenwerking; collegiale toetsing en reflectie)

Betrokken hulpverleningsinstanties [instelling], Veilig Thuis en CJG hebben de onbegeleide omgang bij moeder niet ondersteund en mededelingen van beklaagde aan de rechtbank stonden op gespannen voet met de waarheid. Zo heeft [instelling] in oktober 2015 naar aanleiding van de uitbreiding van de onbegeleide omgang te kennen gegeven zich vrijwillig terug te trekken, maar heeft beklaagde [instelling] toch opgelegd om de onbegeleide omgang bij moeder te evalueren. De onduidelijke taakverdeling tussen de hulpverleners en een onduidelijk tijdspad heeft onrust veroorzaakt. Voorts kende beklaagde de grenzen van zijn eigen expertise niet en stond hij niet open voor kritiek. In plaats van de gebrekkige samenwerking met klager te herstellen, werd klager gedwongen om zich aan een schriftelijke aanwijzing te houden. Daarbij heeft beklaagde eenzijdig gehandeld en de opvattingen van de andere betrokken instellingen naast zich neer gelegd.

5 Het verweer

Beklaagde geeft te kennen dat het klaagschrift een zeer vertekend beeld geeft van hem, zijn handelswijze en de context waarbinnen hij heeft gehandeld. Beklaagde stelt in zijn verweerschrift, samengevat, het volgende.

5.1 en 5.8 Schending van artikel A Beroepscode (kind tot zijn recht laten komen; vermoeden kindermishandeling)

De OTS is door de rechtbank uitgesproken vanwege de strijd tussen de ouders. Dat blijkt ook uit het oordeel van de rechtbank van 8 september 2015, waarin is overwogen dat ouders een communicatieprobleem hebben en elkaar blijven diskwalificeren, met een bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen tot gevolg. Beklaagde betwist dat hij het belang van B. en R. in zijn handelswijze niet voorop heeft gesteld en niet zou hebben samengewerkt met de sociale omgeving. Beklaagde heeft van begin af aan meerdere malen gesproken met vader en moeder en hun sociale netwerken. Voorts heeft er een bespreking plaatsgevonden met beklaagde en ouders, Veilig Thuis en [instelling] op 27 oktober 2015. De mening van de betrokkenen uit het netwerk van ouders zijn ook meegenomen in het plan van aanpak. De zorgmeldingen uit het netwerk heeft beklaagde ter kennisneming aangenomen.

Het vermoeden dat moeder lijdt aan de ziekte van Münchausen bij proxy, wordt door de verschillende betrokken instanties niet gedeeld. Moeder heeft de nodige onderzoeken ondergaan om het vermoeden weg te nemen, wat heeft geleid tot de conclusie van de Raad dat niet is gebleken van een psychische stoornis bij moeder.

Wat betreft het verwijt dat beklaagde de onderzoeken naar ouders niet heeft afgewacht alvorens de omgang uit te breiden, stelt beklaagde dat dat komt vanwege het feit dat de kinderen van zeer jonge leeftijd voor de hechting regelmatig contact met hun moeder nodig hebben. Bovendien is uitbreiding van de omgang niet in strijd met de rechterlijke beslissingen geweest.

Beklaagde heeft ten allen tijde een inschatting gemaakt van de veiligheidsrisico’s en Veilig Thuis heeft ook meermalen laten blijken het eens te zijn met de stappen die beklaagde voorstelde.
De stelling van klager dat moeder zelf het veiligheidsplan heeft opgesteld, geeft een verkeerd beeld. Omdat ouders niet gezamenlijk het plan konden opstellen, lag het voor de hand om dit aan moeder over te laten omdat zij het beste weet wat zij samen met haar netwerk kan doen om de veiligheid te waarborgen. Aan klager is de mogelijkheid geboden om daarop te reageren en verbeterpunten aan te dragen. Ook beklaagde heeft op het veiligheidsplan gereageerd om te zorgen voor meerdere waarborgen.

Beklaagde heeft er bewust voor gekozen om de kinderen maar één keer te zien, om de kinderen niet verder te belasten met huisbezoeken en gesprekken. [Instelling] zag de kinderen regelmatig tijdens de omgangsmomenten en door regelmatig contact met [instelling] en ouders had beklaagde een goed beeld van de kinderen. Beklaagde heeft naar aanleiding van een telefonisch advies van [instelling] besloten om geen psychologische hulp voor de kinderen in te zetten. Er moest eerst meer rust komen voor de kinderen. Dit standpunt is per mail teruggekoppeld aan ouders.

5.2 Schending van artikel D Beroepscode (bevorderen van vertrouwen in de jeugdzorg)

Beklaagde betwist dat hij het vertrouwen in de jeugdzorg heeft geschaad. Beklaagde heeft zorgvuldig en met een plan gehandeld. Beklaagde heeft veelvuldig contact gehad met ouders, [instelling] en Veilig Thuis en werd regelmatig op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen.

Het proces voor het opstellen van het plan van aanpak is weliswaar anders verlopen dan normaal, mede in verband met de overdracht van de [GI] naar BJZ en de vakantieperiode, maar beklaagde betwist dat het plan van aanpak inhoudelijk ‘ondermaats’ is. Voor zover klager stelt niet te weten wat het plan van aanpak inhield, voert beklaagde aan dat hij geen gelegenheid heeft gekregen om het goed uit te leggen omdat klager al snel niet meer in gesprek wilde treden met beklaagde. Om toch een gesprek te bewerkstelligen, heeft beklaagde eind 2015 aan klager een schriftelijke aanwijzing gegeven.

Voor wat betreft het verwijt dat beklaagde de beschikking van december 2014, waarin de rechtbank heeft bepaald dat onderzocht moet worden of er contra-indicaties zijn voor omgang, naast zich neer zou leggen, stelt beklaagde dat de rechtbank deze vraag heeft neergelegd bij de Raad. Beklaagde had niet zelf onderzoek hoeven verrichten, het is de taak van de gezinsvoogd om de regie te voeren.

Beklaagde heeft met meerdere instanties contact gehad over een psychologisch onderzoek van ouders en ouders hebben hier steeds volledig aan meegewerkt. Het is echter niet gelukt om de juiste instantie daartoe te vinden, mede vanwege de duur en kosten van het traject.

5.3 Schending van artikel E Beroepscode (respect)

Beklaagde is van mening dat hij de kinderen en de ouders met respect heeft behandeld. Dat B. mogelijk autisme heeft, is niet alleen een vermoeden van moeder. Het is volgens de Raad ook gediagnosticeerd. Aan de zorgen van beide ouders is zoveel mogelijk tegemoet gekomen. Om de zorgen van vader te verminderen, hebben in de omgangshuizen begeleide omgangsmomenten plaatsgevonden. Om de zorgen van moeder zoveel mogelijk weg te nemen, is het CJG gevraagd om vader wekelijks te bezoeken. Beklaagde heeft zeker ook ondersteunend en opbouwend gereageerd op klager.

5.4 Schending van artikel F Beroepscode (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening)

Klager verwijt beklaagde dat hij enkel de druk bij klager heeft opgevoerd en ruis heeft veroorzaakt in de communicatie. Hierop stelt beklaagde dat klager niet in staat is zijn eigen rol hierin te zien. Beklaagde heeft regelmatig om opheldering moeten vragen bij klager. Beklaagde heeft zich tot het uiterste ingespannen om gesprekken met ouders in te plannen op momenten dat het klager uitkwam. Klager heeft regelmatig geplande gesprekken over bijvoorbeeld het veiligheidsplan afgezegd. Dat beklaagde niet schriftelijk op alle vragen van klager heeft geantwoord, is juist om ruis in de communicatie te voorkomen en te trachten met betrokkenen in gesprek te blijven. Bij veel vragen of kritiek, is het beleid van BJZ dat een gesprek wordt gepland om de vragen te beantwoorden.

5.5 Schending van artikel G Beroepscode (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening)

Beklaagde stelt dat hij wel degelijk met ouders heeft overlegd om tot de juiste hulp- en dienstverlening te komen. Beklaagde heeft meerdere gesprekken met klager gevoerd en zijn zienswijze is, net als die van moeder, in het plan van aanpak van B. en R. verwerkt.

5.6 Schending van artikel H Beroepscode (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie)

Beklaagde heeft geen misbruik gemaakt van zijn machtspositie. Een schriftelijke aanwijzing is een wettelijk instrument dat door BJZ kan worden gebruikt als dat nodig is om haar taak te kunnen uitvoeren en daartoe wordt, behoudens spoedgevallen, in multidisciplinair overleg beslist. In deze casus heeft beklaagde meermalen getracht een afspraak voor een gesprek te maken en klager samen met [instelling] proberen duidelijk te maken dat voor omgang bij moeder thuis de nodige voorzorgsmaatregelen zijn getroffen maar klager gaf duidelijk te kennen daar niet aan te willen meewerken.

In het klaagschrift staat meermalen dat [instelling] en Veilig Thuis een andere mening dan beklaagde zijn toegedaan. Dat is echter niet het geval en dat blijkt ook uit de producties.

5.7 Schending van artikel J Beroepscode (vertrouwelijkheid)

Beklaagde heeft zoveel mogelijk proberen te overleggen waar een overleg tussen ouders en beklaagde zou plaatsvinden. Dat beklaagde een keer is vergeten om een kamer in het Veiligheidshuis te reserveren is vervelend, hiervoor heeft beklaagde zijn excuses aangeboden.

5.8 Schending van artikel M Beroepscode (verslaglegging/dossiervorming)

Het dossier van beklaagde is wel degelijk op orde. Misverstanden hierover zijn reeds toegelicht.

5.10 5.11 Schending van artikel N, O en S Beroepscode (samenwerking in de hulp- en dienstverlening; beroepsuitoefening en samenwerking; collegiale toetsing en reflectie)

De gehele koers in dit gezin in multidisciplinair overleg en op meerdere momenten besproken en bepaald. Beklaagde kent wel degelijk de grenzen van zijn expertise en heeft nauw samengewerkt met [instelling], Veilig Thuis en CJG. Voorts stelt beklaagde dat hij inderdaad heeft aangegeven dat de onbegeleide omgang met [instelling] moet worden geëvalueerd.
De stelling dat vertrouwensartsen en betrokken instellingen niet achter de lijn van beklaagde staan, is onjuist. Dat blijkt ook uit de producties.

Dat de taakverdeling tussen hulpverleners en het tijdspad niet duidelijk zijn geweest voor klager, betreurt beklaagde. Echter, klager is niet ingegaan op uitnodigingen van beklaagde en heeft zijn ongenoegen pas laat aangegeven.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm en overweegt het volgende.

Het College merkt op dat de klacht zeer gedetailleerd is, maar dat de kern van de klacht de communicatie betreft: klager voelt zich in zijn zorgen over de kinderen onvoldoende gehoord. Zo heeft beklaagde het vermoeden dat moeder lijdt aan de ziekte Münchausen bij proxy niet serieus genomen en heeft beklaagde aan uitbreiding van de onbegeleide omgang van de kinderen bij moeder gewerkt, ondanks de grote zorgen hierover van klager en de sociale omgeving.

Het College merkt voorts op dat beide partijen ter zitting de behoefte hadden om uitgebreid hun kant van het verhaal toe te lichten, waardoor het College een gedegen beeld heeft gekregen van de achtergronden van de klacht en het verweer. Het College beperkt zich in zijn oordeel echter tot de kern van de klacht zoals hierboven weergegeven en overweegt als volgt.

Het College overweegt dat de positie van beklaagde in deze casus een lastige is geweest: beklaagde heeft moeten balanceren tussen twee ouders die elkaar diskwalificeren. Beide ouders hebben hun zorgen over en weer aan beklaagde geuit en beklaagde heeft getracht om met de zorgen van beide ouders rekening te houden.

Het College overweegt voorts dat zowel klager als beklaagde hard hebben gewerkt aan de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen. Of het goed gaat met de kinderen bij vader, wordt door partijen niet ter discussie gesteld. Gebleken is dat de onderlinge samenwerking tussen klager en beklaagde op enig moment is gestaakt: beklaagde is klager op een bepaald moment kwijtgeraakt, in ieder geval al vóór het moment dat beklaagde door middel van een schriftelijke aanwijzing klager probeerde te dwingen om mee te werken. Het College stelt zich op het standpunt dat beklaagde zich op dit punt wellicht nog meer had kunnen inzetten om klager te erkennen in zijn zorgen en om een werkbare situatie voor klager te bewerkstelligen, zodat klager vanuit zichzelf bereid zou blijven om mee te werken en dwang door middel van een schriftelijke aanwijzing voorkomen had kunnen worden.

Het College stelt zich voorts op het standpunt dat beklaagde het causale verband tussen de (skype)contacten met moeder en de kindsignalen die daarop volgden, iets te eenvoudig, namelijk zonder een weloverwogen motivering, naast zich heeft neergelegd. Daarbij is aan het College niet gebleken dat beklaagde de omgeving van de kinderen voldoende heeft geraadpleegd voorafgaand aan de (onbegeleide) omgang van de kinderen bij moeder, terwijl dat juist had bijgedragen aan het gevoel van erkenning en te worden gehoord. Het gaat in de tuchtprocedure immers niet om de vraag of de jeugdprofessional het beter had kunnen doen, maar om de vraag of is gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het hiervoor overwogene is niet van zodanig gewicht, dat beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het College verklaart de klacht voor wat betreft het voorgaande dan ook ongegrond.

Voor het overige deel van de klacht oordeelt het College als volgt. Het vermoeden dat moeder lijdt aan de ziekte van Münchausen by proxy is voor het College niet komen vast te staan. Ook de stelling van klager dat het Veiligheidsplan onzorgvuldig tot stand is gekomen treft geen doel, omdat dit uit de stukken niet is gebleken en het plan bovendien door beide ouders dient te worden ondertekend. Klager had aldus zijn instemming kunnen weigeren. Voor wat betreft de overige klachtonderdelen concludeert het College dat het geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden waarop deze zijn gestoeld en het College daar dan ook geen inhoudelijk oordeel over kan geven. Het College verklaart de klacht voor het overige dan ook ongegrond.

7 De Beslissing

Het College van Toezicht verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan op 11 april 2016 en op 6 juni 2016 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter

mevrouw mr. L.N. Tabak, secretaris