Maak een selectie

727 van 727

   

Vader dient twee keer eenzelfde klacht in bij eenzelfde soort College met een eenzelfde soort rechtsgebied. Daarnaast meent vader dat hij onvolledig over zijn kind is geïnformeerd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter
mevrouw U. Hammer,
mevrouw E. van Ek, leden-beroepsgenoten.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klager], hierna te noemen: klager wonende te [woonplaats], ingediende klacht tegen:

[beklaagde], werkzaam bij [de gecertificeerde instelling], hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift d.d. 3 november 2015 met bijlagen;
– De aanvullingen van klager d.d. 17 december 2015, 30 december 2015, 3 februari 2016 met bijlagen;
– het verweerschrift d.d. 10 februari 2016 met bijlagen;
– de schriftelijke reactie van klager d.d. 2 maart 2016 op het verweerschrift van beklaagde.

Klager heeft op 8 maart 2016 een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter van het College. Dit verzoek is door de wrakingskamer behandeld op 11 april 2016. De tuchtprocedure is geschorst ten tijde van de behandeling en beslissing van het wrakingsverzoek. Het wrakingsverzoek is door de wrakingskamer afgewezen. De beslissing is op 31 mei 2016 verzonden. De tuchtprocedure is vervolgens hervat.

De behandeling heeft van de klacht heeft plaatsgevonden op 4 juli 2016 buiten aanwezigheid van partijen. Beklaagde heeft te kennen gegeven dat zij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig is. Klager is zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1

Klager is de biologische vader van [zoon], geboren op [datum] 2003. Vanaf de geboorte van [zoon] is de moeder van [zoon] belast met het gezag. De moeder van [zoon] is bij beschikking van 26 augustus 2011 ontheven uit het ouderlijk gezag. Vader was sinds 2006 belast met het gezag over [zoon]. Bij beschikking d.d. 3 oktober 2011 is klager ontheven uit het ouderlijk gezag. Deze beschikking is bekrachtigd op 8 mei 2013 door het gerechtshof [plaatsnaam].

2.2

[Zoon] is op 30 november 2004 uit huis geplaatst en vervolgens in een pleeggezin geplaatst. Op 1 december 2004 is een voorlopige voogdij uitgesproken en is [zoon] in een crisispleeggezin geplaatst.

2.3

D. is onder toezicht gesteld op 4 januari 2005. Sinds 1 maart 2005 is [zoon] woonachtig bij hetzelfde pleeggezin.

2.4

[Naam instelling] (nu: [gecertificeerde instelling] en verder te noemen de GI, is sinds 3 oktober 2011 tot voogdes benoemd. Beklaagde voert sinds 16 oktober 2012 de voogdij over [zoon] uit namens de GI.

2.5

Bij beschikking van de rechtbank d.d. 6 maart 2014 is de omgang tussen klager en [zoon] gedurende een jaar ontzegd en is informatievoorziening per kwartaal vastgesteld.

2.6

Het gerechtshof heeft bij beschikking d.d. 20 mei 2015 de beslissing van de rechtbank d.d. 6 maart 2014 bekrachtigd.

2.7

Op 24 september 2014 heeft klager een klacht ingediend bij het College van Toezicht van het NVMW (nu: BPSW). Het College van Toezicht van het NVMW heeft in zijn beslissing d.d. 3 december 2014 de klacht van klager ongegrond verklaard.

2.8

Bij vonnis in kort geding d.d. 20 oktober 2015 is het verzoek van klager tot omgang met [zoon] afgewezen.

2.9

Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 Ontvankelijkheid

Het College acht zich bevoegd om de klacht van klager te behandelen.

Het Beroepsregister van Agogisch en Maatschappelijk werkers (BAMw) heeft in opdracht van de Stuurgroep Professionalisering Jeugdzorg in de periode 2012 tot en met september 2014 de registratie van jeugdzorgwerkers opgezet en uitgevoerd. BAMw heeft op 1 oktober 2014 het register van jeugdzorgwerkers overgedragen aan de op 13 maart 2013 opgerichte stichting, SKJ.
SKJ is op 17 november 2014 door de Minister erkend (Staatscourant 33806, 28 november 2014). Het doel van SKJ is onder andere dat de geregistreerde professionals zich binden aan de voor hun beroepsgroep geldende professionele standaard en om uitvoering te geven aan tuchtrechtspraak.

Jeugdzorgwerkers die bij BAMw in de periode van 2012 tot en met september 2014 werden geregistreerd hebben zich door deze registratie aan het stelsel van tuchtrecht onderworpen. Het tuchtrecht is onder meer gevormd door een Beroepscode voor de jeugdzorgwerker en een reglement voor de tuchtrechtspraak, zoals dat door het College van Toezicht en het College van Beroep van de NVMW (nu: BPSW) werd toegepast.
De professionele normen voor de jeugdzorgwerker zijn eind 2010 in de algemene ledenvergadering van de NVMW en van Phorza, de voormalige vereniging voor sociale, (ortho)pedagogische en hulpverlenende werkers vastgesteld en zijn uitgegeven als ‘Beroepscode voor de jeugdzorgwerker’ in augustus 2012.

Beklaagde kon derhalve redelijkerwijs van het bestaan en de inhoud van de voor haar beroep geldende normen op de hoogte kon zijn bij aanvang van haar registratie op [datum] 2013.

Beklaagde heeft zich derhalve vanaf [datum] 2013 onderworpen aan het stelsel van tuchtrecht zoals dat op dat moment voor haar beroepsuitoefening gold.

BAMw heeft de voortzetting van de registratie van beklaagde als jeugdzorgwerker op 1 oktober 2014 aan SKJ, die zich op dat moment het ook voor beklaagde kenbare doel stelde om tuchtrechtspraak toe te passen op geregistreerden, overgedragen.

Het College acht zich op basis van het bovenstaande ontvankelijk om het handelen van beklaagde op basis van het bovenstaande te toetsen aan de algemene tuchtnorm.

4 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk in de kern weergegeven het volgende.

1:

De communicatie en informatie tussen klager en [zoon] wordt geblokkeerd door beklaagde. Beklaagde heeft geweigerd een contactregeling vast te stellen of na te komen. Ook heeft beklaagde [zoon] tegen klager opgehitst.

2:

Beklaagde geeft klager geen duidelijkheid over haar vooropleiding en competenties.

3:

Er is geen bereidheid bij beklaagde tot het aangaan van een professionele relatie.

4:

Het ontbreekt beklaagde aan respect. Beklaagde komt niet opdagen bij klachten over haar bij de klachtencommissie.

5:

Klager wordt onjuist en onvolledig geïnformeerd. Zo is klager niet op de hoogte van de schoolkeuze van [zoon].

6:

Beklaagde weigert verantwoordelijkheid af te leggen.

7:

Klager heeft na zijn e-mail van 7 juli 2014 geen uitnodiging tot dossierinzage gekregen. Klager kan dan ook zijn correctierecht niet uitoefenen. De advocaat van klager krijgt geen dossier opgestuurd en klager heeft geen kwartaalrapportages ontvangen. Klager heeft op 23 december 2015 per e-mail een uitnodiging ontvangen voor een dossierinzage op 2 februari 2016. Klager heeft per brief een bevestiging gestuurd. Op 2 februari 2016 was klager op het kantoor en was beklaagde, een eventuele vervanger en een dossier niet aanwezig.

5 Het verweer

De klachten van klager met betrekking tot het handelen van beklaagde voor 1 januari 2014, dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor zover het College van mening is dat het handelen voor 1 januari 2014 ook ter beoordeling van het College is, kan deze beoordeling slechts betrekking hebben op de registratiedatum van beklaagde, 4 december 2013.

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk in de kern weergegeven het volgende aan.
De klacht van klager is identiek aan de klacht die klager op 24 september 2014 bij het College van Toezicht van het NVMW (nu: BPSW) heeft ingediend. Vervolgens heeft klager op 12 februari 2015 deze klachten bij het College van Toezicht van SKJ ingediend en in juni 2015 ingetrokken.
Ook in de aanvullende brief van klager d.d. 17 december 2015 komen dezelfde klachten naar voren. Beklaagde verwijst naar haar verweer d.d. 11 november en 30 maart 2015 die als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
Klager dient in zijn klacht met betrekking tot het handelen van beklaagde voor de registratiedatum van beklaagde, te weten 4 december 2013, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De klachten met betrekking tot het handelen van beklaagde ten aanzien van de omgang en het contact tussen klager en [zoon] hebben betrekking op de periode voor de registratiedatum van beklaagde en zijn derhalve niet ontvankelijk. De feiten en omstandigheden met betrekking tot de omgang en het contact tussen klager en [zoon] zijn inmiddels gewijzigd. Het gerechtshof in [plaatsnaam] heeft bij beschikking d.d. 20 mei 2015 de beschikking van de rechtbank d.d. 6 maart 2014 bekrachtigd en de omgang tussen klager en [zoon] voor een jaar ontzegd. Bij vonnis in kort geding d.d. 20 oktober 2015 heeft de voorzieningenrechter de omgang tussen klager en [zoon] afgewezen.

Klager wordt tweemaal per jaar uitgenodigd voor dossier inzage. In februari 2014 is klager voor het laatst verschenen. Klager is niet gekomen in augustus 2014, februari 2015 en
augustus 2015. In december 2015 heeft klager een uitnodiging ontvangen voor dossierinzage in februari 2015 onder de voorwaarden dat hij voorafgaand moet bevestigen of hij zal komen. Beklaagde heeft niets van klager vernomen en heeft de brief van klager d.d. 23 december 2015, die niet ondertekend is en niet aan beklaagde is gericht, niet ontvangen. Klager is op 2 februari 2016 op het kantoor van de GI verschenen. Beklaagde mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat klager niet zou verschijnen en was op dat moment niet op kantoor. Klager heeft beklaagde op internet uitgemaakt voor ‘kankergezinsvoogd’, ‘kankerwijf’ en ‘kankerhoer’.
Klager ontvangt nog steeds ieder kwartaal een rapportage over de belangrijke ontwikkelingen van [zoon]. De kwartaalrapportages zijn verzonden naar het door klager opgegeven postadres. Beklaagde betwist stellig dat klager geen kwartaalrapportages zou hebben ontvangen.

6 De beoordeling

Het College wijst allereerst op het volgende.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm.

Het College oordeelt als volgt.

Klachtonderdelen 1, 2, 3, 4 en 6:

Klager kan ten aanzien van deze klachtonderdelen niet in zijn klacht worden ontvangen. Het ne bis in idem-beginsel staat dit in de weg. Dat betekent dat dezelfde klacht niet twee maal ter beslissing kan worden voorgelegd aan eenzelfde soort college met eenzelfde soort rechtsgebied. Uit de stukken is het College gebleken dat klager op 24 september 2014 bij het College van Toezicht van het NVMW (nu: BPSW) dezelfde klacht heeft ingediend als de klacht die in deze procedure ter beoordeling van het College is. In de beslissing van 3 december 2014 is door het College van Toezicht van het NVMW (nu: BPSW) de klacht van klager ongegrond verklaard. Het College van Toezicht van het NVMW (nu: BPSW) was toentertijd verantwoordelijk voor het tuchtrecht voor jeugdprofessionals. Sinds de erkenning door de Minister op 17 november 2014 heeft het SKJ de uitvoering van de tuchtrechtspraak voor jeugdprofessionals overgenomen. In die zin is sprake van eenzelfde soort college en bestrijken deze klachtonderdelen van klager eenzelfde rechtsgebied.

Klager heeft aangevoerd dat hij deze beslissing niet erkend omdat het College van Toezicht van het NVMW (nu: BPSW) heeft nagelaten zijn klachten volledig en integraal te beoordelen en de samenstelling van het college niet heeft gewijzigd. Het College is van oordeel dat de door klager aangevoerde argumenten niet kunnen leiden tot afwijking van het ne bis in idem-beginsel. Klager is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk in deze klachtonderdelen.

Klachtonderdelen 5 en 7:

Het is het College uit de beschikking van de rechtbank d.d. 23 augustus 2012 gebleken dat de GI verplicht is om klager te informeren over belangrijke omstandigheden en feiten ten aanzien van [zoon]. Het behoort niet tot de bevoegdheid van het College om te beoordelen of klager geïnformeerd moet worden over de schoolkeuze van [zoon]. Dat is een beslissing die de rechter moet nemen en dat is derhalve ook de instantie waar klager zijn bezwaar beoordeeld kan krijgen.

Klager stelt dat hij de uitnodigingen voor dossierinzages in augustus 2014, februari 2015 en augustus 2015 nooit heeft ontvangen. Hetzelfde geldt voor de kwartaalrapportages.
Uit de stukken is het College gebleken dat klager verschillende poststukken van beklaagde heeft ontvangen. Beginselen van het procesrecht brengen met zich mee dat degene die stelt, ook dient te onderbouwen. Indien klager de uitnodigingen van beklaagde niet per post heeft ontvangen, had het op de weg van klager gelegen om contact op te nemen met beklaagde om te vragen om dossierinzages en kwartaalrapportages.

Ten aanzien van de uitnodiging tot dossierinzage op 2 februari 2016 heeft het College geconstateerd dat zich in het dossier geen ondertekende brief van klager bevindt die gericht is aan beklaagde waarin hij te kennen geeft dat hij aanwezig zal zijn op 2 februari 2016. In het dossier is eveneens geen document aangetroffen van beklaagde aan klager met een bevestiging van deze afspraak op 2 februari 2016. Het College komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat klager er niet van uit heeft mogen gaan dat hij zonder tegenbericht werd verwacht.

De klachtonderdelen zijn ongegrond.

7 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart klager kennelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdelen I., II., III., IV. en VI.,
-verklaart klachtonderdeel V. en VII. ongegrond.

Aldus gedaan op 29 juni 2016 en op 29 augustus 2016 door het College van Toezicht aan partijen verzonden en ondertekend door de voorzitter en secretaris.

De heer mr. A.R.O. Mooij, voorzitter

Mevrouw mr. A.C. Veerman, secretaris