Maak een selectie

727 van 727

   

Moeder klaagt over de uithuisplaatsing van haar zoon, de wijze van informatievoorziening, partijdigheid en de beperking van de omgang met de zoon.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. D.J. Markx, voorzitter
de heer mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
mevrouw U. Hammer,
mevrouw M. Grol,
de heer E.A.J. Ouwerkerk, leden-beroepsgenoten.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen:

[de jeugdprofessional], hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift d.d. 2 november 2015 met bijlagen;

– de aanvulling op het klaagschrift d.d. 11 december 2015 en 1 januari 2016 met bijlagen;

– het verweerschrift d.d. 2 februari 2016 met bijlagen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 maart 2016 in aanwezigheid van klaagster en beklaagde. Klaagster werd bijgestaan door mevrouw mr. C.A.M.J.M. Joosten, werkzaam bij […]. Beklaagde werd bijgestaan door mevrouw mr. J. Stappaerts-Zijlmans, werkzaam bij […].

De broer van klaagster en de teamleider van beklaagde zijn als toehoorder aanwezig geweest.

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de uitspraak uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1

Klaagster heeft uit een in 2006 ontbonden huwelijk een zoon, [zoon], geboren op [datum] 2004. Klaagster en haar ex-partner, verder te noemen vader, zijn beiden belast met het ouderlijk gezag. De verstandhouding tussen klaagster en vader is niet goed.

2.2

Na de scheiding heeft [zoon] bij klaagster gewoond.

2.3

[zoon] is sinds 1 april 2011 bij beschikking onder toezicht gesteld. [zoon] is bij beschikking van 6 december 2013 uit huis geplaatst. De ondertoezichtstelling (ots) en de machtiging uit huis plaatsing (uhp) zijn nadien steeds verlengd.

2.4

[zoon] verblijft sinds december 2013 bij de instelling [instelling]. Er is een omgangsregeling vastgesteld waarbij [zoon] het ene weekend bij klaagster verblijft en het andere weekend bij vader is.

2.5

De vorige gezinsvoogd van [zoon], mevrouw [naam] (hierna: de vorige gezinsvoogd), heeft de ots uitgevoerd van juli 2012 tot 1 januari 2015.

2.6

Vanaf 1 januari tot 1 juli 2015 zijn andere gezinsvoogden belast geweest met de uitvoering van de ots.

2.7

Sinds 1 juli 2015 voert beklaagde samen met een collega, mevrouw [collega], de gezinsvoogdij over [zoon] uit.

2.8

Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

2.9

Klaagster heeft in juli 2014 een klacht ingediend over de vorige gezinsvoogd van [zoon] bij het College van Toezicht van de NVMW (nu: BPSW). Een van de klachtonderdelen heeft betrekking gehad op aannames van de vorige gezinsvoogd over vermeend grensoverschrijdend gedrag van [zoon]. Deze aannames heeft de vorige gezinsvoogd in het dossier opgenomen. Het College van de NVMW heeft op 4 maart 2015 deze klacht deels gegrond en deels ongegrond verklaard en een waarschuwing opgelegd. Deze beslissing bevindt zich bij de stukken in deze zaak.

2.10

De vorige gezinsvoogd van [zoon] is tegen deze beslissing in beroep gegaan bij het College van Beroep. Het College heeft op 16 juli 2015 in zijn beslissing de waarschuwing gehandhaafd. Het College van Beroep heeft in zijn beslissing [de gecertificeerde instelling] de aanbeveling gedaan om twee gezinsvoogden aan te stellen. De beslissing maakt deel uit van het dossier in deze zaak.

2.11

Klaagster heeft op 23 maart 2015 een nieuwe klacht ingediend over de vorige gezinsvoogd bij het College van Toezicht SKJ. Een klachtonderdeel had betrekking op aannames van de vorige gezinsvoogd, hieronder nader omschreven in klachtonderdeel I. Het College heeft op 12 november 2015 deze klacht deels gegrond en deels ongegrond verklaard en een voorwaardelijke schorsing opgelegd.

2.12

Bij beschikking van 27 maart 2015 is de ots met ingang van 1 april 2015 verlengd tot 1 april 2016. Ook heeft de rechtbank toen de machtiging tot uhp van [zoon] verlengd met ingang van 1 april 2015 tot 1 april 2016.
In deze beschikking heeft de rechtbank overwogen dat klaagster en vader het komende jaar zullen benutten om tot een goede samenwerking te komen zodat een gezagsbeëindigende maatregel in de toekomst kan worden voorkomen.

2.13

Klaagster is tegen de beslissing tot uhp van [zoon] in beroep gegaan bij het hof. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank op 16 juli 2015 bekrachtigd.
Het hof heeft voorts in deze beschikking overwogen dat het aan de ouders is om als eersten de noodzakelijke stappen te zetten voordat overgegaan kan worden tot behandeling van [zoon]. Het hof heeft tevens benoemd dat de loyaliteitsproblemen van [zoon] moeten worden opgelost en dat systeemtherapie bij [instelling] gevolgd dient te worden.

2.14

Op 2 september 2015 heeft beklaagde met haar collega-gezinsvoogd een gezamenlijk gesprek met klaagster en vader gevoerd. Dit verslag is per e-mail op 8 september 2015 aan klaagster en vader verzonden. In het gespreksverslag staat vermeld dat met klaagster en vader is besproken dat [zoon] klem zit in de strijd tussen klaagster en vader. Volgens [gecertificeerde instelling] is terugplaatsing van [zoon] bij klaagster of vader niet aan de orde zolang ouders niet op een constructieve wijze met elkaar communiceren. Als laatste poging hiertoe wordt voor [gecertificeerde instelling]systeemtherapie bij instelling [instelling] ingezet. [gecertificeerde instelling] zal aan het einde van het jaar 2015 bezien of de systeemtherapie het gewenste effect heeft.

2.15

Op 15 september 2015 is voor klaagster en vader systeemtherapie bij de instelling [instelling] opgestart. Deze therapie heeft niet tot resultaat geleid. Op 10 december 2015 heeft een afsluitend gesprek plaatsgevonden met [instelling], beklaagde, klaagster en vader. [instelling] heeft een rapport opgesteld en ongevraagd een advies uitgebracht over de omgangsregeling.

2.16

Na dat gesprek heeft [gecertificeerde instelling] later op die dag naar aanleiding van het rapport van [instelling] de onbegeleide omgang tussen klaagster en [zoon] met onmiddellijke ingang veranderd in begeleide omgang.

2.17

Ook heeft [gecertificeerde instelling] de Raad voor de Kinderbescherming verzocht onderzoek te doen naar de mogelijkheden van een gezagsbeëindigende maatregel.

2.18

Bij vonnis van 24 december 2015 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank [plaats] de op diezelfde dag behandelde vordering van klaagster tot handhaving van de eerder geldende omgangsregeling afgewezen.

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

1

Beklaagde gaat voorbij aan de aanbevelingen van de beroepsgroep en heeft er niet voor gezorgd dat rectificatie heeft plaatsgevonden in het dossier nadat het College van Beroep van SKJ in zijn beslissing d.d. 16 juli 2015 heeft vastgesteld dat in het dossier aannames als feiten zijn gepresenteerd.

2

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat [zoon] blijvend uit huis geplaatst moet blijven omdat [zoon] klem zit tussen klaagster en vader. Klaagster kan niet begrijpen wat beklaagde hiermee bedoelt. Beklaagde ziet het verdriet van [zoon] over de uhp niet, zij kent [zoon] onvoldoende, helpt [zoon] niet bij zijn verdriet en betrekt het verdriet van [zoon] niet als argument bij de beslissing om de uhp wel of niet te continueren.

3 en 7

De ots is niet gericht op de terugplaatsing van [zoon].
Beklaagde chanteert klaagster door te stellen dat als ouders er niet uitkomen, [zoon] naar een pleeggezin moet. Beklaagde dreigt ook met ontheffing van klaagster uit het gezag. Een reden voor beklaagde om [zoon] uit huis te plaatsen is dat klaagster en vader niet met elkaar door een deur kunnen. Ondanks een uitspraak van de rechter wordt de keuze van de huisarts ter sprake gebracht.

4 en 6

Beklaagde maakt onderscheid tussen vader en klaagster. Klaagster mag haar verjaardag niet met [zoon] vieren terwijl vader wel de verjaardag met [zoon] mag vieren. De gezinsvoogden overwegen [zoon] bij vader te plaatsen. Ook stelt beklaagde de belangen van vader boven de belangen van [zoon]. Zo mag klaagster geen kaarten meer naar [zoon] sturen omdat vader zich daaraan irriteert.

5

Beklaagde is niet helpend bij de verstoorde relatie tussen klaagster en vader.

8

Klaagster mag momenteel één uur per twee weken contact met klaagster hebben terwijl er een weekendregeling is die goed verliep waar [zoon] zich aan vast kon houden.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

1

Beklaagde betwist dat zij op grond van onjuiste en gekleurde informatie naar [zoon], klaagster en vader en de situatie kijkt. Beklaagde betwist ook dat [gecertificeerde instelling] niets gedaan heeft met de beslissing van het College van Beroep d.d. 16 juli 2015.
[gecertificeerde instelling] heeft naar aanleiding van deze beslissing gekozen voor twee gezinsvoogden voor [zoon].
[gecertificeerde instelling] heeft voor klaagster en vader geen gezinsvoogd aangesteld omdat het [zoon] is die onder toezicht staat. In de eerder genoemde beslissing is geen aanbeveling tot rectificatie gedaan. In de huidige rapportages wordt vermeld dat er geen ernstige zorgen zijn over grensoverschrijdend seksueel gedrag van [zoon].

2

Niet beklaagde maar de rechter heeft besloten dat [zoon] uit huis geplaatst moet blijven. Met klaagster is veelvuldig door verschillende instanties gesproken en het is ook onderwerp geweest bij de zittingen in de civiele procedures. Dat klaagster de problematiek niet heeft onderkend, kan beklaagde niet worden verweten. Het gaat goed met [zoon]. [zoon] kan nog niet verregaand worden behandeld omdat de behandeling van een loyaliteitsconflict begint met een behandeling van klaagster en haar ex-partner en deze behandeling niet is geslaagd.
Beklaagde betwist dat zij geen aandacht heeft besteed aan de gevolgen die de uhp heeft voor [zoon] en klaagster. Vanaf 2011 tot eind 2015 is eerst getracht [zoon] te laten blijven wonen bij beklaagde en vanaf de uhp in 2013 is getracht toe te werken naar terugplaatsing bij klaagster. Sinds 10 december 2015 is [gecertificeerde instelling] van oordeel dat terugplaatsing niet mogelijk is maar de beslissing daaromtrent is aan de kinderrechter. Beklaagde heeft goed zicht op het welzijn van [zoon]. Zij heeft [zoon] vijf keer bezocht en heeft regelmatig contact met [instelling]. Beklaagde betwist dat zij haar invloed negatief heeft gebruikt, misbruikt of zich niet bewust is van de afhankelijkheid van [zoon].

3 en 7

Beklaagde verwijst naar de inhoud van de beschikking van de rechtbank d.d. 27 maart 2015 en het verslag van het gesprek van beklaagde, klaagster en vader d.d. 8 september 2015.

4 en 6

Beklaagde betwist dat zij onderscheid maakt tussen klaagster en vader . [gecertificeerde instelling] heeft de methode [methode] ingezet en daardoor worden juist beide ouders verantwoordelijk gemaakt voor het wegnemen van ontwikkelingsbedreigingen bij hun kind. Beklaagde stelt steeds het belang van [zoon] centraal en spreekt beide ouders aan op hun verantwoordelijkheid hierin.
[zoon] verblijft bij [instelling] om rust te ervaren op een neutrale plek. Het is niet helpend voor [zoon] als hij wordt overladen met post nu [zoon] vooral de ruimte moet krijgen om tot rust te komen en zich te ontwikkelen. Met betrekking tot de verjaardag van klaagster merkt beklaagde op dat deze op zondag viel in een weekend dat [zoon] bij vader verbleef. Daarom is met klaagster afgesproken dat zij met [zoon] haar verjaardag zou vieren in het daarop volgende weekend waarin [zoon] bij klaagster verbleef. Anders dat klaagster stelt, waren voor het schooljaar 2015/2016 geen afspraken gemaakt over de verjaardagen van de ouders; dit was wel gebeurd door de vorige gezinsvoogd in het jaar 2014/2015.
Beklaagde heeft in een gezamenlijk gesprek met klaagster en vader en een maatschappelijk werker uitgelegd dat [gecertificeerde instelling] van mening is dat [zoon] noch bij klaagster noch bij vader kan worden teruggeplaatst en dat [gecertificeerde instelling] de Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht onderzoek te doen naar de mogelijkheden van een gezagsbeëindigende maatregel voor beide ouders. Beklaagde heeft erop gewezen dat dit door de rechtbank [plaatsnaam] in zijn beschikking van 27 maart 2015 al genoemd is als mogelijkheid voor het geval het tot stand brengen van een goede samenwerking tussen klaagster en de vader met betrekking tot [zoon] niet zou lukken.

5

Beklaagde betwist dat zij niet helpend is in de dynamiek tussen klaagster en haar ex-partner.

8

De aanleiding om tot het besluit tot beperkte omgang te komen is gebaseerd op ernstige zorgen over decompensatie van klaagster naar aanleiding van uitspraken en rapportages van [instelling]. Daarnaast is de zorg aanwezig dat [zoon] voortdurend wordt belast met de strijd die klaagster en vader met elkaar voeren waardoor [zoon] klem zit tussen klaagster en vader.

Voor het overige zal het verweer van beklaagde hierna aan de orde komen.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.
Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College oordeelt als volgt met betrekking tot de afzonderlijke klachtonderdelen.

1

Dit klachtonderdeel betreft de beslissing van het College van Beroep van SKJ d.d. 16 juli 2015. Deze beslissing heeft betrekking op de vorige gezinsvoogd. Nu beklaagde geen partij was in die klachtzaak en deze beslissing haar niet betreft, staat de klacht met betrekking tot rectificatie van het deel van het dossier zoals dat door de vorige gezinsvoogd is bijgehouden, wat daar verder ook van zij, in deze zaak niet ter beoordeling van het College. Verder heeft [gecertificeerde instelling] met ingang van 1 juli 2015 twee gezinsvoogden aangesteld zoals het College van Beroep als aanbeveling heeft gegeven. Deze treden steeds gezamenlijk op in de contacten met klaagster, vader en [zoon]. Anders dan klaagster kennelijk meent is het nooit de bedoeling (geweest) dat het aanstellen van twee gezinsvoogden inhoudt dat iedere ouder een “eigen” gezinsvoogd krijgt; dat zou ook niet bevorderlijk zijn voor de communicatie met beide ouders, die nu juist zeer van mening verschillen over hun zoon [zoon].
Daarnaast is het College met beklaagde van oordeel dat in het huidige dossier geen uitspraken worden gedaan over vermeend grensoverschrijdend gedrag van [zoon]. Dit klachtonderdeel zal derhalve ongegrond worden verklaard.

2

Het behoort niet tot de bevoegdheid van het College om te beoordelen of de continuering van de uhp van [zoon] wenselijk en noodzakelijk is. Dat is een beslissing die de rechter moet nemen en dat is de instantie waar klaagster haar eventuele bezwaar beoordeeld kan krijgen.
Het klachtonderdeel zal ongegrond worden verklaard.

3 en 7

Uit de beschikking van de rechtbank d.d. 27 maart 2015 en de beschikking van het hof d.d. 16 juli 2015 blijkt dat de rechtbank en het hof van oordeel zijn dat het aan de ouders is om als eersten de noodzakelijke stappen te zetten alvorens kan worden overgegaan tot de behandeling van [zoon]. Uit de beschikkingen is het College gebleken dat de hulpverlening aan klaagster en vader in de vorm van systeemtherapie is geboden en dat pas daarna de hulpverlening aan [zoon] kan worden opgestart. Uit die beschikkingen blijkt ook dat een verdergaande maatregel noodzakelijk zal zijn als klaagster en vader niet tot een goede samenwerking kunnen komen.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het College heeft beklaagde een gespreksverslag d.d. 8 september 2015 overgelegd, welk verslag reeds in het bezit van klaagster was. Het betreft een verslag van een gesprek dat beklaagde, haar collega-gezinsvoogd en de ambtelijk begeleider van [instelling] met klaagster hebben gehad op 2 september 2015.

Uit het gespreksverslag blijkt dat beklaagde met klaagster ook toen heeft gecommuniceerd over het doel van de ots. Ook heeft beklaagde klaagster in dat gesprek nogmaals duidelijk gemaakt waarom het opstarten van de systeemtherapie met klaagster en vader van belang is. Eveneens heeft beklaagde aan klaagster medegedeeld dat wanneer systeemtherapie tot onvoldoende resultaat leidt, [gecertificeerde instelling] zal overwegen de bezoekregeling in frequentie te verminderen. De reden hiervoor is ook aan klaagster medegedeeld; de rust die [zoon] nodig heeft om te herstellen en niet klem te blijven zitten tussen zijn ouders.

Het College is ervan overtuigd geraakt dat beklaagde zich heeft ingespannen om klaagster te informeren. Hieraan doet niet af dat klaagster het met de (volgorde) van de aanpak niet eens is. Nu het College geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van beklaagde heeft kunnen constateren, zal het klachtonderdeel ongegrond worden verklaard.

4 en 6

Anders dan klaagster stelt, is het College van oordeel dat uit de stukken en de mondelinge behandeling niet blijkt dat beklaagde partijdig is. De door klaagster ter onderbouwing van haar klacht gegeven voorbeelden met betrekking tot het beperken van het sturen van kaarten naar [zoon] en de viering van de verjaardagen van klaagster en vader zijn door beklaagde uitvoerig weerlegd. Deze gang van zaken is door klaagster niet weersproken. Het College begrijpt dat klaagster geregeld teleurgesteld is over beslissingen in verband met het contact met [zoon], maar kan daaruit niet afleiden dat bij beklaagde sprake is van een ongelijke behandeling van klaagster en vader als de ouders van [zoon].

Het klachtonderdeel is ongegrond.

5

Klaagster heeft aangevoerd dat beklaagde niet helpend is bij de verstoorde relatie tussen klaagster en vader. Het is uiteraard aan klaagster en vader als ouders van [zoon] zelf hieraan te werken en het is niet de taak van beklaagde de verstoorde relatie tussen ouders op te loss zelf hieraan te werken en het is niet de taak van beklaagde de verstoorde relatie tussen ouders op te lossen.  Beklaagde is er voor het belang van [zoon].
Uit de stukken blijkt voorts dat beklaagde zowel klaagster als vader heeft aangesproken op hun handelen of nalaten wanneer het over [zoon] gaat. Het College overweegt dat het niet onbegrijpelijk is dat beklaagde in afwachting van het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming naar de gezagsbeëindigende maatregel de keuze van de huisarts opnieuw aan de orde heeft gesteld.

Het klachtonderdeel zal op grond van het voorgaande ongegrond worden verklaard.

8

Anders dan klaagster stelt, is de reden voor de beperkte omgangsregeling niet gelegen in het feit dat de eerdere bezoekregeling niet goed zou zijn verlopen. Beklaagde heeft ter zitting van het College desgevraagd naar voren gebracht dat de psychotherapeut-gezinstherapeut van [instelling] na het gesprek op 10 december 2015 aan beklaagde zijn grote zorgen heeft geuit. Deze zorgen hadden betrekking op mogelijke decompensatie bij klaagster. De psychotherapeut heeft beklaagde toen ongevraagd geadviseerd de omgang stop te zetten of te begeleiden. Beklaagde heeft dit dezelfde dag in haar [gecertificeerde instelling] team besproken waarop [gecertificeerde instelling] heeft besloten met onmiddellijke ingang over te gaan op begeleide omgang van kortere duur.
Het College is van oordeel dat beklaagde in deze omstandigheden niet tuchtrechtelijk verweten kan worden dat [gecertificeerde instelling] dit ingrijpende besluit heeft genomen.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:
– verklaart de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan op 8 maart 2016 en op 3 mei 2016 door het College van Toezicht aan partijen verzonden.

Mevrouw mr. D.J. Markx, voorzitter

Mevrouw mr. A.C. Veerman, Secretaris