Maak een selectie

727 van 727

   

Vader klaagt over de jeugdprofessional met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns , voorzitter,
Mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot,
Mevrouw N. Baljet, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:
[klager], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: [beklaagde], werkzaam bij [gecertificeerde instelling] regio [regio], hierna te noemen de GI.

1 Het verloop van de procedure

Het College heeft kennis genomen van:

– het klaagschrift d.d. 26 oktober 2015 aangevuld op 25 januari 2016, 26 januari 2016, 3 februari 2016 en 9 februari 2016 met bijlagen;

– het verweerschrift d.d. 19 mei 2016 met bijlagen.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 26 september 2016 in aanwezigheid van klager en beklaagde.

Klager werd in deze zaak bijgestaan door zijn vrouw en een tolk.

Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mr. E.J.C. de Jong. De manager van beklaagde is als toehoorder aanwezig geweest.

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken zal volgen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen ter zitting heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit.

2.1

Klager is getrouwd en vader van twee kinderen, [kind 1] (geboren op [datum] 2008) en [kind 2] (geboren op [datum] 2010).

2.2

[Kind 1] en [kind 2] zijn sinds 26 juni 2012 onder toezicht gesteld. Op 27 december 2012 is een machtiging tot uit huis plaatsing afgegeven. Deze machtiging is niet direct ten uitvoer gelegd omdat de echtgenote van vader (hierna te noemen: moeder) destijds met [kind 1] en [kind 2] naar [plaatsnaam] is vertrokken. [Kind 1] en [kind 2] zijn sinds mei 2013 uit huis geplaatst en afzonderlijk van elkaar in crisispleeggezinnen ondergebracht. [Kind 1] en [kind 2] verblijven sinds maart 2014 samen in een pleeggezin. De ondertoezichtstelling (hierna te noemen: ots) en de uhp zijn telkenmale verlengd. Klager en zijn vrouw hebben een keer in de drie weken omgang met [kind 1] en [kind 2].

2.3

Beklaagde is sinds juni 2014 namens de GI bij klager, moeder, [kind 1] en [kind 2] betrokken.

2.4

Bij beschikking d.d. 10 juni 2015 heeft de rechtbank het gezag van klager en moeder beëindigd. De GI is benoemd tot voogd.

2.5

Het Gerechtshof heeft op 10 mei 2016 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

2.6

Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

3 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

I

Klager begrijpt niet waarom beklaagde [kind 1] en [kind 2] uit huis heeft geplaatst.

II

Beklaagde heeft niet gewerkt aan terugplaatsing van [kind 1] en [kind 2] en handelt hiermee niet in hun belang.

III

Het gaat slecht met de gezondheid van de kinderen. Beklaagde heeft zich niet ingezet voor het welzijn van de kinderen.

IV

Beklaagde heeft klager ten onrechte beschuldigd van onjuistheden.

V

Klager heeft onbegrip en tegenwerking van beklaagde ervaren. Beklaagde heeft klager onheus bejegend. Klager is niet betrokken bij beslissingen die beklaagde heeft genomen. Beklaagde heeft de oplossingen die door klager zijn aangedragen, terzijde geschoven.

VI

Klager wil graag inzage in alle (medische) rapporten en verslaglegging die over de kinderen en ouders zijn opgesteld.

4 Het verweer

Beklaagde voert kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

I

De uhp heeft plaatsgevonden voordat beklaagde bij het gezin is betrokken. Overigens heeft beklaagde de reden van de uhp steeds met klager besproken. Beklaagde heeft benadrukt dat het belang van de kinderen voorop heeft gestaan. De rechter heeft de uhp bekrachtigd. Bij de verlengingen van de uhp is aan klager uitgelegd waarom de uhp is verlengd.

II

De terugplaatsing van [kind 1] en [kind 2] bij klager en moeder wordt niet in het belang van de kinderen geacht. De GI heeft de procedure tot beëindiging van het ouderlijk gezag in gang gezet. Beklaagde verwijst naar de overwegingen van de rechtbank in de beschikking d.d. 10 juni 2015. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat de opvoedomgeving bij klager en zijn echtgenote niet aansluit bij de behoeften van de kinderen. Klager en moeder hebben een afwijzende houding ingenomen ten opzichte van de hulpverlening. De beperkte leerbaarheid van klager en moeder is in de periode van de ondertoezichtstelling en de uhp niet gewijzigd. Vanuit dat perspectief kon beklaagde niet meewerken aan terugplaatsing van de kinderen.

III

Vanwege het welzijn van [kind 1] en [kind 2] heeft beklaagde gepleit voor de beëindiging van het gezag van klager en moeder. Het gaat langzaam maar zeker beter met de gezondheid van [kind 1] en [kind 2]. Beklaagde verwijst naar de inhoud van de beschikking van het Gerechtshof d.d. 10 mei 2016.

IV

Mogelijk heeft klager met het klachtonderdeel gedoeld op het bestaan van huiselijk geweld. Beklaagde bestrijdt dat er sprake is van een onjuistheid. Er is immers sprake geweest van een opname van moeder in een Blijf van mijn Lijfhuis.

V

Uit niets blijkt dat beklaagde onvoldoende overleg heeft gevoerd met klager over [kind 1] en [kind 2]. Beklaagde betwist dat ten zeerste. De oplossingen die klager heeft aangedragen zijn niet realistisch geweest. Klager wenste bijvoorbeeld dat [kind 1] en [kind 2] weer thuis zouden wonen. Beklaagde heeft vaak geprobeerd om met klager te spreken over zijn wens om [kind 1] en [kind 2] in een ander pleeggezin te plaatsen. Soms is overleg met klager niet mogelijk geweest omdat klager van mening is dat de uhp moest worden beëindigd. Klager heeft vanuit zijn eigen belangen en behoeften oplossingen aangedragen. Klager heeft hierbij te weinig oog gehad voor de belangen van [kind 1] en [kind 2].

Beklaagde kan zich indenken dat klager zich soms onbegrepen heeft gevoeld. Wellicht heeft klager gedacht dat hij is tegengewerkt. Ook kan beklaagde het zich voorstellen dat het voor klager moeilijk is dat [kind 1] en [kind 2] in een niet-[naam geloof] pleeggezin wonen. Een andere oplossing is echter niet voorhanden geweest en wordt niet wenselijk geacht in het belang van [kind 1] en [kind 2]. Bij beklaagde heeft het belang van [kind 1] en [kind 2] voorop gestaan. Dat belang is vaak niet samengegaan met het belang van klager.

VI

Dit klachtonderdeel is feitelijk geen klacht maar een verzoek tot inzage van het dossier aan de werkgever van beklaagde. Klager is reeds in het bezit van alle stukken.

5 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst allereerst op het volgende.

5.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional wordt getoetst aan de algemene tuchtnorm.

5.3

Klager heeft te kennen gegeven dat hij verdriet heeft van de uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2]. Voor klager is het onbegrijpelijk dat hij en zijn vrouw geen gezag meer hebben over [kind 1] en [kind 2]. Klager is van mening dat door het handelen van beklaagde zijn gezin is ontwricht en beschadigd.

5.4

Het College heeft begrip voor de emotie van klager in deze situatie. Een uithuisplaatsing en een beëindiging van het gezag zijn zeer ingrijpende gebeurtenissen voor ouders. Beklaagde heeft in haar verweerschrift te kennen gegeven dat zij zich dat eveneens realiseert.

5.5

Klager is het niet eens met de uithuisplaatsing en de gezagsbeëindiging en verzet zich hiertegen. De samenwerkingsrelatie tussen klager en beklaagde is hiermee onder druk komen te staan.

5.6

Ten overvloede wenst het College op te merken dat klager en beklaagde met elkaar moeten blijven samenwerken. Het is nodig dat een gesprek op gang komt over de mogelijkheden die er wel zijn in de huidige situatie voor klager en zijn vrouw om het contact met [kind 1] en [kind 2] in te vullen. Voor beklaagde is het van belang dat zij klager blijft informeren over het welzijn van [kind 1] en [kind 2]. Voor het bevorderen van deze samenwerking heeft beklaagde van klager nodig dat hij voor langere tijd vaste ondersteuning krijgt bij gesprekken met beklaagde. Deze ondersteuning kan klager ook helpen om de band met [kind 1] en [kind 2] te verstevigen.

Het College oordeelt als volgt.

I

Uit de stukken is het College gebleken dat [kind 1] en [kind 2] bij rechterlijke beschikking d.d. 26 juni 2012 onder toezicht zijn gesteld. [kind 1] en [kind 2] zijn sinds mei 2013 uit huis geplaatst op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing. De ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing zijn sindsdien door de Rechtbank en het Hof getoetst. Het behoort niet tot de bevoegdheid van het College om te oordelen over de gronden van deze beslissingen. Dat is een taak die is voorbehouden aan de rechter.

Voorts is het College niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen. Beklaagde is sinds juni 2014 betrokken bij het gezin van klager. Beklaagde is dus niet betrokken geweest bij de uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2]. Dat betekent dat beklaagde ten tijde van de uithuisplaatsing geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Klager is derhalve niet ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

II

Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het College verklaard dat zij betrokken is bij het gezin op het moment dat een perspectiefonderzoek gaande was. Het is niet gebruikelijk dat kinderen tijdens een perspectiefonderzoek thuis worden geplaatst. Naar aanleiding van het perspectiefonderzoek heeft de GI besloten dat het perspectief voor [kind 1] en [kind 2] is gelegen in het pleeggezin.
Beklaagde heeft naar voren gebracht dat zij meerdere malen met klager en zijn vrouw heeft gesproken over het perspectief van [kind 1] en [kind 2]. Het is zorgvuldig dat beklaagde bij deze gesprekken gebruik heeft gemaakt van een beëdigde tolk. Klager heeft deze gang van zaken niet weersproken zodat het klachtonderdeel ongegrond is.

III

Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat [kind 1] en [kind 2] zijn geslagen en niet veilig zijn bij het pleeggezin. Het College is niet bevoegd te oordelen over vermeende mishandelingen van [kind 1] en [kind 2]. Klager heeft aangifte gedaan bij de politie. Het is aan de politie om te bepalen wat er verder met de aangifte gebeurt. De aangifte betreft overigens niet beklaagde, maar een andere partij.
Het College toetst het individueel handelen van beklaagde aan de geldende beroepsnormen. Beklaagde heeft een andere visie op het welzijn van [kind 1] en [kind 2] dan klager.
Beklaagde heeft verklaard dat zij met klager heeft gesproken over de zorgen van [kind 1] en [kind 2]. Het College stelt vast dat klager en beklaagde niet nader tot elkaar hebben kunnen komen. Voor klager bood alleen een thuisplaatsing mogelijkheden voor verder overleg terwijl beklaagde te kennen heeft gegeven dat dit gelet op het belang van de kinderen niet aan de orde was. De verklaringen van klager en beklaagde over de gezondheid van [kind 1] en [kind 2] spreken elkaar tegen. Voor een oordeel of een bepaalde gedraging van beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar is, moet vastgesteld worden welke feiten daaraan ten grondslag liggen. Onder deze omstandigheden kan het College niet vaststellen dat beklaagde zich niet of onvoldoende heeft ingezet voor het welzijn van [kind 1] en [kind 2].
Het College acht het van belang dat klager en beklaagde met elkaar in gesprek blijven en verwijst daarbij naar hetgeen zij in alinea’s 5.5. en 5.6. heeft opgenomen.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

IV en V

Tijdens de mondelinge behandeling heeft klager naar voren gebracht dat hij zich niet gehoord voelt door beklaagde. Klager is daarnaast van mening dat beklaagde geen rekening heeft gehouden met de culturele verschillen tussen enerzijds klager en [kind 1] en [kind 2], en anderzijds het pleeggezin. Beklaagde heeft naar voren gebracht dat op het moment dat zij betrokken is bij het gezin, [kind 1] en [kind 2] al in het pleeggezin in [woonplaats] woonden. De ontwikkeling van [kind 1] en [kind 2] in het pleeggezin is goed verlopen. Een [naam geloof] gezin is niet beschikbaar geweest. Beklaagde heeft aangevoerd dat zij hierover verschillende gesprekken met klager heeft gevoerd.
Het College is van oordeel dat beklaagde in haar afwegingen het belang van [kind 1] en [kind 2] voorop heeft gesteld.
Het College overweegt dat beklaagde tijdens de mondelinge behandeling bij het College verschillende ideeën heeft aangedragen die eraan bij kunnen dragen dat klager en zijn vrouw de cultuur aan [kind 1] en [kind 2] over dragen. Beklaagde heeft onder meer benoemd dat klager en zijn vrouw [taal] kunnen spreken met [kind 1] en [kind 2].

Klaarblijkelijk heeft klager moeite met het feit dat beklaagde beslissingen neemt over [kind 1] en [kind 2]. Mogelijk is klager het niet eens met de besluiten die beklaagde heeft genomen. Het College kan uit de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting echter niet afleiden dat beklaagde klager van onjuistheden heeft beschuldigd, hem onheus heeft bejegend of heeft tegengewerkt.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

VI

Beklaagde heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat klager alle stukken en rapportages van de GI heeft. Klager heeft het klachtonderdeel niet met feiten onderbouwd. Het College heeft in het dossier verder geen aanknopingspunten kunnen vinden die het standpunt van klager ondersteunen. Als klager een dossier wenst in te zien, kan hij een schriftelijk verzoek indienen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

6 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

Het College van Toezicht:

– Verklaart klachtonderdeel I. niet ontvankelijk,

– Verklaart klachtonderdelen II., III., IV., V. en VI ongegrond.

Aldus gedaan en op 21 november 2016 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns                                          Mevrouw mr. A.C. Veerman
voorzitter                                                                                   secretaris