Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdzorgwerker heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij is overgegaan tot de spoed uithuisplaatsing van de kinderen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
de heer E. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen:

[jeugdprofessional], hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Op 28 augustus 2015 heeft het College een klachtschrift ontvangen. Per brief d.d. 14 september 2015 is aan beklaagde verweer gevraagd. Beklaagde heeft gemotiveerd om uitstel gevraagd voor het indienen van het verweerschrift en uitstel gekregen tot en met 7 december 2015.

Op 4 december 2015 heeft het College het verweerschrift ontvangen. Klaagster heeft een afschrift ontvangen. Beklaagde heeft zijn verweerschrift aangevuld op 15 december 2015. Klaagster heeft de aanvulling ontvangen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 januari 2016. De hoorzitting heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van partijen. De ouders en een vriendin van klaagster zijn aanwezig als toehoorder. De teammanager van beklaagde is eveneens als toehoorder aanwezig.

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de uitspraak uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De ontvankelijkheid van de klacht

Het College stelt vast dat het klaagschrift voldoet aan de vereisten gesteld door art. 10 lid 1 sub a en lid 4, art. 11 en art. 12 van het Tuchtreglement. Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013. Het klaagschrift is derhalve ontvankelijk.

3 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Klaagster heeft uit een inmiddels ontbonden relatie twee kinderen D., geboren op [datum] 2003, en R., geboren op [datum] 2009. D. en R. zijn sinds 13 mei 2014 onder toezicht gesteld. Het ouderlijk gezag over D. en R. wordt door klaagster uitgeoefend. De ondertoezichtstelling (OTS) wordt uitgevoerd door [gecertificeerde instelling], hierna te noemen: de GI.
Op 20 januari 2015 is Intensieve Pedagogische Thuishulp (IPT) gestart bij klaagster en D. en R. Op 25 juni 2015 zijn D. en R. met spoed uit huis geplaatst. De machtiging spoed uithuisplaatsing (UHP) is op 7 juli 2015 verlengd tot en met 24 september 2015. Op 25 september 2015 is de UHP verlengd tot en met 12 mei 2016. De gezinsvoogdij wordt namens [de GI] uitgevoerd door beklaagde in de periode van 19 november 2014 tot en met 15 november 2015.

4 De klachten

Klaagster verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

1

Klaagster voelt zich niet serieus genomen en niet gehoord door beklaagde. Zo heeft klaagster aan beklaagde te kennen gegeven dat D. en R. mishandeld worden door haar ex-partner en dat zij tevens door hem wordt gestalkt. Beklaagde heeft geen reactie gegeven en heeft D. en R. vervolgens onverwachts en met spoed uit huis geplaatst.

2

Beklaagde is partijdig omdat hij wel luistert naar anderen en niet luistert naar klaagster. Zo is de onderbouwing van de verlenging van de UHP op het functioneren van klaagster gebaseerd. Beklaagde wilde het GGZ verslag over klaagster niet naar de rechtbank sturen.

3

Er is geen Plan van Aanpak. Beklaagde heeft geen gesprekken met klaagster gevoerd terwijl de kinderen al negen weken uit huis zijn geplaatst. Beklaagde vond het niet nodig dat D. hulp zou zoeken bij de GGZ en heeft dit ook tegengehouden.

Ter zitting heeft klaagster haar klacht toegelicht.
Klaagster is van mening dat beklaagde haar voor leugenaar uitmaakt. Volgens klaagster ging het goed met de IPT-er en klaagster wilde ermee doorgaan.
Beklaagde heeft toegezegd dat hij het rapport van de GGZ over klaagster zou inbrengen bij de rechtbank ten behoeve van de zitting van 25 september 2015. Beklaagde heeft besloten het rapport niet te overleggen. Klaagster heeft het rapport vervolgens zelf opgestuurd naar de rechtbank.
Volgens klaagster heeft beklaagde de omgangsregeling veranderd waardoor de kinderen gefrustreerd zijn thuisgekomen van bezoeken aan de ex-partner van klaagster. Klaagster wilde psychische hulp voor D. Beklaagde heeft deze hulp niet aangeboden totdat D. uit huis is geplaatst.

5 Het verweer

Beklaagde voert met betrekking tot de bovenbeschreven klacht kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

1

De hulp vanuit IPT heeft onvoldoende tot verbetering geleid in de communicatie tussen ouders. In een gesprek met klaagster, haar ex-partner, beklaagde en de IPT-er is gesproken over de zorgen over de samenwerking tussen ouders en de schadelijke effecten hiervan op D. en R. Met name klaagster zou de samenwerking aan moeten gaan. Daarna zijn er zorgen geuit door de kinderarts en de kinderpsycholoog over R. Op 25 juni 2015 heeft beklaagde de rechter verzocht om een spoedmachtiging voor een UHP van D. en R. De rechter heeft de spoedmachtiging afgegeven. Vanwege het karakter van deze spoedmachtiging is de UHP niet vooraf besproken met klaagster.

2

De kinderrechter heeft het GGZ verslag over klaagster meegenomen op de zitting voor de verlenging van de UHP op 25 september 2015. Met klaagster zijn de redenen voor de UHP besproken.

3

Beklaagde heeft besloten om gezinsonderzoek in te zetten bij klaagster en haar ex-partner om te komen tot een toekomstperspectief voor de kinderen. Dit is op 13 oktober 2015 door beklaagde met klaagster en haar ex-partner besproken in het bijzijn van de pleegzorgmedewerkster. D. en R. zullen worden geobserveerd en een Plan van Aanpak zal worden gemaakt. Daarna zal gekeken worden of er meer hulp nodig is voor kind gerelateerde problematiek. D. is inmiddels onder behandeling bij het GGZ. Op 14 december 2015 is een adviesgesprek met klaagster, haar ex-partner en de collega van beklaagde gepland.

Ter zitting heeft beklaagde een toelichting gegeven op het verweerschrift.
Beklaagde heeft frequent contact gehad met klaagster en haar ex-partner. Klaagster voelde zich vanaf het begin al niet serieus genomen door beklaagde. Klaagster heeft beklaagde bedolven onder e-mails en politieberichten.
Beklaagde heeft naar aanleiding van de meldingen van klaagster contact met de politie gehad over de mishandeling en het stalken van de ex-partner van klaagster. De meldingen vanuit klaagster zijn onderzocht door de politie en hebben tot niets geleid.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Het College vat de klachtonderdelen als volgt samen en baseert zich op de stukken en op hetgeen ter zitting door partijen is verklaard.

Met betrekking tot het eerste klachtonderdeel.

Het College van Toezicht stelt vast dat beklaagde tijdens de mondelinge behandeling te kennen heeft gegeven dat hij heeft gesproken met de politie over de vermeende mishandeling van D. en R. en het stalken van de ex-partner. Beklaagde betwist dat hij heeft toegezegd met school gesprekken te voeren.
Het College stelt voorts vast dat klaagster dit onderdeel van haar klacht niet verder heeft onderbouwd in het klaagschrift of ter zitting. In de gegeven omstandigheden kan naar het oordeel van het College in redelijkheid niet worden gesteld dat beklaagde heeft nagelaten gesprekken op school te voeren en dat beklaagde niets heeft gedaan met de melding van klaagster over het vermeende stalken en de mishandelingen.

Het College verklaart dit gedeelte van de klacht ongegrond.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft het College beklaagde bevraagd over de redenen van de spoed UHP (crisisplaatsing).
De criteria voor een spoed UHP staan vermeld in de Richtlijn crisisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming (hierna te noemen Richtlijn) en dienen door de jeugdprofessional te worden gehanteerd. In de Richtlijn is neergelegd dat er sprake is van een crisissituatie als de omstandigheden leiden tot een zeer ernstige situatie waarin de jeugdige of een gezinslid direct fysiek gevaar loopt.
Het College acht het van groot belang dat de jeugdprofessional kan motiveren waarom hij uiteindelijk is gekomen tot het oordeel dat sprake is van een zeer ernstige situatie waarin de jeugdige of een gezinslid direct fysiek gevaar loopt en het (doen) laten plaatsvinden van een spoed UHP. De jeugdprofessional moet zijn overwegingen en beslissingen zorgvuldig kunnen onderbouwen en in het dossier opnemen.

Het College overweegt dat beklaagde tijdens de mondelinge behandeling voldoende heeft onderbouwd wat de redenen zijn geweest om D. en R. uit huis te plaatsen.
Beklaagde heeft verklaard dat de hulpverlening met de IPT-er niet van de grond kwam. Ook kreeg beklaagde gedurende lange tijd signalen dat de kinderen psychisch werden belast en beschadigd. Na meldingen vanuit de kinderarts en kinderpsycholoog uit het ziekenhuis heeft beklaagde een afweging gemaakt tussen een UHP waarbij partijen worden voorbereid op een UHP en een spoed UHP waarbij het informeren van partijen op de uithuisplaatsing direct voor of pas achteraf plaatsvindt. Beklaagde heeft toen in samenspraak met zijn teammanager en de gedragsdeskundige besloten tot de aanvraag van een spoed UHP. Het College is van oordeel dat gezien de bovengenoemde feiten en omstandigheden beklaagde onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door hem genoemde redenen hebben geleid tot een spoed UHP in deze situatie. Dat de rechter het verzoek om deze spoed UHP heeft toegewezen doet hier niet aan af.

Het College overweegt dat het overleg dat beklaagde heeft gehad met de teammanager en de gedragsdeskundige weliswaar blijk geeft van een gedegen afweging van belangen maar dit hem niet ontslaat van zijn professionele autonomie om te besluiten om hij al dan niet een verzoek te doen tot een spoed UHP. De verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het beroep blijft liggen bij de jeugdzorgwerker. Het College overweegt ten slotte dat door het handelen van beklaagde, klaagster geen gelegenheid heeft gehad om samen met haar kinderen toe te werken naar de uithuisplaatsing hetgeen het College hem kwalijk neemt.

Het College verklaart dit gedeelte van het eerste klachtonderdeel gegrond.

Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel.

Het College overweegt dat klaagster tijdens de mondelinge behandeling te kennen heeft gegeven dat zij zelf het rapport van de GGZ heeft opgestuurd naar de rechtbank. De rechtbank heeft dan ook kennis kunnen nemen van het rapport. Het College overweegt dat het aan beklaagde in het kader van zijn professionele autonomie is of hij al dan niet overgaat tot het overleggen van (onderdelen uit) een rapport. De verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het beroep ligt bij de jeugdzorgwerker. Deze norm is neergelegd in artikel O van de Beroepscode voor Jeugdzorgwerkers. Beklaagde is naar het oordeel van het College professioneel autonoom door vanuit zijn professie zijn mening kenbaar te maken op een wijze zoals hij dit heeft gedaan voordat de zitting plaats heeft gevonden. Het is het College niet gebleken dat beklaagde zich partijdig heeft opgesteld.

Het College zal dit gehele tweede klachtonderdeel ongegrond verklaren.

Met betrekking tot het derde onderdeel.

Het College stelt vast dat er op 13 oktober 2015 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen beklaagde, klaagster en de ex-partner van klaagster. Het College acht het redelijk dat hier enige tijd over heen is gegaan aangezien er sprake is geweest van een spoed UHP op 25 juni 2015. Het College is van oordeel dat beklaagde op het klachtonderdeel dat hij zo lang geen gesprek met klaagster heeft gehad geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. In een later gesprek in december 2015 heeft, aldus beklaagde, een gesprek plaatsgevonden waarin ook het Plan van Aanpak is besproken. Het College is van oordeel dat ook dit klachtonderdeel beklaagde geen verwijt treft.

Het College heeft geconstateerd dat beklaagde te kennen heeft gegeven dat hij met klaagster en haar ex-partner heeft gesproken over de hulp voor D. Toen D. werd opgeroepen kwam de spoed UHP. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling naar het oordeel van het College voldoende toegelicht dat volgens de GGZ een kind niet goed kan worden behandeld in een onrustige situatie zodat in een later stadium namelijk op 14 december 2015, een adviesgesprek met D. en de GGZ heeft plaatsgevonden. Op grond van het vorenstaande is het College niet gebleken dat beklaagde hulp aan D. door de GGZ heeft tegengehouden.

Het College zal dit gehele derde klachtonderdeel ongegrond verklaren.

Alles in overweging nemende is het College van oordeel dat beklaagde in het verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze redenen hebben geleid tot een spoed UHP. Het College overweegt dat spoed UHP is bedoeld in situaties waar sprake is van ‘een zeer ernstige situatie waarin de jeugdige of een gezinslid direct fysiek gevaar loopt’. Hiervan was naar het oordeel van het College geen sprake. Vanwege de spoed UHP heeft beklaagde klaagster de mogelijkheid ontnomen om haar kinderen te begeleiden naar de UHP. Het College overweegt dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met de Richtlijn en de norm uit artikel D van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker waardoor hij het vertrouwen in de jeugdzorg niet heeft bevorderd. Het College is van oordeel dat beklaagde op dit punt een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en dat het passend en geboden is aan beklaagde een waarschuwing op te leggen.

7 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdeel I deels ongegrond en deels gegrond,

– legt aan beklaagde op de maatregel van waarschuwing,

– verklaart klachtonderdeel II ongegrond,

– verklaart klachtonderdeel III ongegrond.

Aldus gedaan de 8e januari 2016 en op 23 februari 2016 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

De heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter

Mevrouw mr. A.C. Veerman, secretaris