Maak een selectie

727 van 727

   

De gezinsvoogd heeft door – na haar terugtreden – nog aan een overleg deel te nemen de schijn van partijdigheid op zich geladen, en had moeten reflecteren.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en geoordeeld in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.J. Jacquemijns, voorzitter,
mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
mevrouw T. Roosblad, lid-beroepsgenoot,
A. van Empel, lid-beroepsgenoot,
E.A. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N. Jacobs.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door

mevrouw A., hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen

mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Op 28 augustus 2015 ontvangt het College een klachtschrift d.d. 25 augustus 2015 en op 28 oktober 2015 een aanvulling d.d. 22 oktober 2015. Op 11 februari 2016 ontvangt het College het verweerschrift. Het College besluit dat een hoorzitting wenselijk is. De hoorzitting vindt plaats op 1 april 2016.
Het College heeft in het raadkameroverleg aansluitend aan de hoorzitting uitspraak gedaan.

2 De ontvankelijkheid van de klacht en de bevoegdheid van het College

Het College stelt vast dat het klachtschrift voldoet aan de vereisten gesteld door art. 10 lid 1 sub a en lid 4, art. 11 en art. 12 van het Tuchtreglement.
Het klachtschrift is derhalve ontvankelijk.
Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.
Het College is derhalve bevoegd om het handelen van beklaagde te beoordelen.

3 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Klaagster is moeder van drie, ten tijde van deze procedure, minderjarige kinderen.
Klaagster en de vader van de kinderen zijn gescheiden. De kinderen zijn onder toezicht
gesteld geweest van BJZ[…] van 20 februari 2014 tot 20 februari 2015. De kinderen wonen op grond van rechterlijke beslissingen sinds 9 september 2014 bij hun vader. Er is voor het contact tussen klaagster en de kinderen door de rechter een regeling opgelegd.

Beklaagde is als gezinsvoogd opgetreden van 20 juni tot 27 oktober 2014. In oktober realiseert beklaagde zich dat zij voor de vader van de kinderen gevoelens heeft ontwikkeld. Zij treedt om die reden terug als gezinsvoogd. Op 31 oktober 2014 neemt zij nog deel aan een overleg over mogelijke (crisis)uithuisplaatsing van de kinderen. Op 11 november 2014 woont zij nog een zitting bij het gerechtshof bij.
In opdracht van BJZ[…] wordt in 2015 een onafhankelijk onderzoek verricht met als onderzoeksvraag of de besluitvorming en advisering van BJZ[…] over de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de kinderen van klaagster objectief, onpartijdig en transparant heeft plaatsgevonden. Onderzoeker N., hierna te noemen: de onderzoeker, brengt zijn rapportage uit op 8 mei 2015.

4 De klachten

De klachten van klaagster luiden, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt.

1:

Beklaagde bejegende klaagster respectloos, de professionele samenwerking kwam daardoor niet goed op gang.

2:

Beklaagde nam het voornamelijk op voor de vader van de kinderen. Klaagster heeft dit als partijdigheid ervaren. Tijdens bezoeken van de kinderen aan het kantoor van BJZ[…] gaf beklaagde aan vader een parkeerkaart en zij zat met hem in een aparte ruimte.

3:

Beklaagde wilde niet meewerken aan het door BJZ[…] door een onafhankelijke derde, hierna te noemen: onderzoeker N., ingestelde onderzoek naar de handelwijze van BJZ[…] en beklaagde, doordat zij geen inzage heeft willen geven in het verslag van haar interview.

4:

Beklaagde informeerde klaagster niet over activiteiten die zij met de kinderen heeft ondernomen, o.m. een bezoek aan MacDonalds en een boottochtje.

5:

Beklaagde heeft tot op het moment van het indienen van de klacht niets van zich laten horen aan klaagster.

5 Het verweer

Het verweer luidt, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt.

1:

Beklaagde stelt vast dat dit onderdeel door klaagster niet wordt onderbouwd. Beklaagde wil opmerken dat de besluiten over de schriftelijke aanwijzingen in multidisciplinair overleg worden genomen en dat de juridische helpdesk nauw betrokken is geweest bij de totstandkoming van de schriftelijke aanwijzingen.

2:

Beklaagde begrijpt dat klaagster twijfels heeft gehad over de onpartijdigheid van beklaagde. Beklaagde begrijpt dat de schijn van partijdigheid door haar handelen kon worden gewekt maar wijst ook op de conclusie van de onderzoeker die heeft geoordeeld dat het niet waarschijnlijk is dat de gevoelens die beklaagde ontwikkelde voor vader van beslissende invloed zijn geweest op de advisering en besluitvorming bij BJZ[…].
Beklaagde heeft integer gehandeld door zich zo snel mogelijk na het onderkennen van het feit dat zij vader leuk vond, terug te trekken uit de zaak. Zij heeft de tweede en de derde week van oktober 2014 nog gefungeerd als gezinsvoogd omdat er, als gevolg van de herfstvakantie, niet per direct een andere gezinsvoogd kon worden ingezet.
Beklaagde heeft de zitting van 11 november 2014 nog bijgewoond in opdracht van haar teamleider omdat de zaak de uithuisplaatsing van de kinderen betrof ten tijde van haar optreden als gezinsvoogd. Het betrof bovendien een complexe casus, de nieuwe gezinsvoogd had nog onvoldoende tijd gehad om zich in te lezen en het was belangrijk om de zaak zo goed mogelijk uiteen te zetten.

3:

Beklaagde heeft zelf verzocht om een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten. Zij heeft ongeveer twee uur met de onderzoeker gesproken. Beklaagde heeft op het conceptverslag van dit gesprek schriftelijk correcties en aanvullingen doorgegeven maar deze werden niet allemaal doorgevoerd. Beklaagde heeft het voorstel van de onderzoeker, om haar mail met correcties en aanvullingen op het gespreksverslag met het gespreksverslag aan de rapportage te hechten, niet willen overnemen omdat zij bang was dat haar opmerkingen als discussiepunten zouden worden geïnterpreteerd. Omdat de onderzoeker bleef weigeren om de correcties en aanvullingen door te voeren heeft beklaagde niet toegestaan dat het gespreksverslag in de rapportage werd opgenomen.
Beklaagde heeft met deze handelwijze niet de intentie gehad om klaagster het gevoel te geven dat zij haar niet respecteert.

4:

Beklaagde heeft de kinderen tijdens de uithuisplaatsing meermaals bezocht om goed zicht te krijgen op de kinderen na de plaatsing bij hun vader. Klaagster is hierover van te voren niet bericht, wel naderhand als er vanuit de kinderen nieuws was.
Beklaagde is na haar terugtreden een keer met de kinderen naar MacDonald’s geweest en zij heeft een keer met een van de kinderen midgetgolf gespeeld. Over het bezoek aan MacDonald’s, waarbij zij de kinderen informeerde dat zij als gezinsvoogd zou stoppen, heeft zij klaagster achteraf geïnformeerd. Beklaagde kan zich niet herinneren of zij klaagster over het midgetgolfen heeft geïnformeerd.
Het crisisbesluit van 9 september 2014 om de kinderen uit huis te plaatsen is bij BJZ[…] en de vestigingsdirecteur binnengekomen. Zij hebben er voor gekozen om klaagster niet te informeren.

5:

Vóór de spoeduithuisplaatsing van de kinderen bij vader op 9 september 2014 heeft beklaagde weinig contact gehad met de ouders afzonderlijk. Het was voor beklaagde na de spoeduithuisplaatsing, waarvan zij begrijpt dat deze klaagster zwaar gevallen zal zijn, niet mogelijk om contact te krijgen met klaagster. Beklaagde heeft zich daarvoor wel ingespannen, door onder meer meerdere dagen achtereen naar klaagster te bellen en een bezoekregeling voor klaagster met de kinderen op te zetten. Klaagster reageerde echter niet op deze pogingen en verwees naar haar advocaat. BJZ[…] wilde vervolgens niet langer dat er op deze wijze werd gecommuniceerd.

Bij het bezoeken van de kinderen tijdens de plaatsing bij vader, heeft beklaagde vader meermalen gesproken. Na een maand constateerde beklaagde dat zij vader leuk vond, waarna zij aan de ouders op 27 oktober 2014, echter zonder het benoemen van haar gevoelens voor vader, heeft bericht dat zij op eigen verzoek vervangen zou worden. Toen op 11 december 2014 uit een sms-berichtje van een van de kinderen aan beklaagde duidelijk werd dat vader beklaagde ook leuk vond, heeft beklaagde dit op 16 december 2014 gemeld bij haar teammanager. Deze heeft er bewust voor gekozen om dit niet kenbaar te maken aan klaagster en om de zaak, ondanks verzoek daartoe van beklaagde, niet over te dragen aan een andere vestiging.
Beklaagde is daarna, ook in de ogen van de civiele rechter, omzichtig te werk gegaan in haar contact met klaagster door zich tot het weekend van 13 juni 2015 te onthouden van contact met vader. Beklaagde wilde haar privéleven en haar gevoelens voor zover dat nog mogelijk was voor zich houden. Zij dacht ook dat klaagster geen behoefte zou hebben aan een gesprek over de gevoelens van beklaagde voor vader. Vader heeft met een mail van 24 augustus 2015 aan klaagster laten weten dat beklaagde, die daartoe verzocht was door klaagster, bereid was om met klaagster contact te hebben. Klaagster is hierop echter niet meer terug gekomen.

Terugkijkend stelt beklaagde vast dat zij er beter aan had gedaan als zij niet aan het beraad van 31 oktober 2014 had deelgenomen en als zij niet naar de zitting van het hof op 11 november 2014 was gegaan.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professionals aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van het professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Het College wijst er op dat indien bij een klachtonderdeel de feitelijke gang van zaken in redelijkheid niet kan worden vastgesteld, het College geen inhoudelijk oordeel kan geven, wat tot gevolg zal hebben dat het College het klachtonderdeel niet gegrond zal kunnen verklaren.

Het College vat de klachten als volgt samen en baseert zich op de stukken en op dat wat ter zitting door partijen is verklaard.

Klaagster acht zich, blijkens klachtonderdeel I en klachtonderdeel II, niet respectvol bejegend door beklaagde omdat beklaagde partijdig en niet objectief heeft gehandeld. Klaagster voert van dit handelen voorbeelden aan in de klachtonderdelen III, IV en V.

Het College stelt het volgende vast.

Beklaagde onderkende ongeveer een maand na de spoeduithuisplaatsing op 9 september 2014, nadat zij een aantal keren bij de kinderen thuis – en dus bij vader – was geweest, dat zij gevoelens van verliefdheid voor vader ontwikkelde. Beklaagde heeft op 15 oktober 2014 aan klaagster en vader meegedeeld, zonder haar gevoelens voor vader te benoemen, dat zij terugtrad als gezinsvoogd. Zij is, vanwege de herfstvakantie, de facto op 27 oktober 2014 vervangen. Zij heeft alleen aan de integraal manager van BJZ[…] laten weten waarom zij tot deze keuze kwam.
Op 26 februari 2015 heeft klaagster in een gesprek met een andere manager van BJZ[…] vernomen dat beklaagde destijds is teruggetreden vanwege haar gevoelens voor vader.

Klaagster heeft, in het licht van de wetenschap die zij op 26 februari 2015 verkreeg over de gevoelens van beklaagde die bij beklaagde in oktober 2014 ontstonden, terugkijkend het handelen van beklaagde als niet onpartijdig en niet objectief ervaren.
Het College dient derhalve te toetsen of het handelen van beklaagde op enig moment heeft getuigd van partijdigheid of van onvoldoende objectiviteit jegens klaagster dan wel of het handelen van beklaagde de indruk kon wekken dat zij partijdig of onvoldoende objectief was.

Het College overweegt daartoe als volgt.

Het College volgt de onderzoeker in zijn conclusie dat het niet waarschijnlijk is dat de gevoelens die beklaagde ontwikkelde voor vader van beslissende invloed zijn geweest op de advisering en besluitvorming bij BJZ[…].
De onderzoeker concludeert in zijn rapportage van 8 mei 2015 dat het niet waarschijnlijk is dat de gevoelens van beklaagde voor de vader van de kinderen op het crisisverzoek tot uithuisplaatsing van 9 september 2014 van beslissende invloed zijn geweest nu haar gevoelens zich pas ontwikkelden nadat zij, na de uithuisplaatsing van de kinderen, vaker in contact kwam met vader via de kinderen. Volgens de onderzoeker bood de betrokkenheid van de andere gezinsvoogd, de gedragskundige en de integraal manager bij het crisisverzoek voldoende waarborgen dat het verzoek werd gedaan vanuit het belang van de kinderen. De onderzoeker stelt voorts vast dat de uithuisplaatsing in de lijn lag van wat al eerder was ingezet nu, ook voordat beklaagde in beeld was als gezinsvoogd binnen BJZ[…], gesprekken plaatsvonden over de noodzaak van een uithuisplaatsing.

Het College stelt daarnaast echter vast dat, doordat beklaagde op 31 oktober 2014 nog deel nam aan een overleg over mogelijke (crisis)uithuisplaatsing van de kinderen en op 11 november 2014 nog een zitting bij het gerechtshof bijwoonde, bij klaagster in redelijkheid twijfels konden ontstaan over de onpartijdigheid en objectiviteit van beklaagde.

Het College oordeelt dat beklaagde, door aldus de schijn van partijdigheid op zich te laden, artikel D van de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker (‘de Beroepscode’) heeft geschonden, welk artikel van de jeugdzorgwerker verlangt dat deze het vertrouwen in de jeugdzorg, in casu de jeugdbescherming, bevordert.

Het College stelt met betrekking tot deze klachtonderdelen voorts het volgende vast.
Beklaagde heeft ter zitting verklaard dat zij in oktober 2014 aan de integraal manager bij haar verzoek om van de zaak ontheven te worden over haar gevoelens voor vader heeft gesproken en dat dit voor deze manager geen aanleiding bleek om haar te adviseren om hierover naar het gezin transparant te zijn. Zij heeft voorts verklaard dat zij in december 2014 heeft gevraagd om een andere vestiging van BJZ[…] de zaak te laten overnemen maar dat dit verzoek niet is ingewilligd, noch dat aan haar is geadviseerd of opgedragen om naar het gezin transparant te zijn en dat eerst in februari 2015 door een andere manager aan klaagster is verteld wat de reden was van het terugtreden van beklaagde in oktober 2014.

Het College oordeelt dat beklaagde tekortschiet door in haar besluitvorming over het al of niet informeren van het gezin enkel te varen op het standpunt daarover van haar leidinggevenden. Zij had, individueel en in consultatie met een of meerdere onafhankelijke beroepsgenoten, dienen te reflecteren op haar eigen aandeel en verantwoordelijkheid in dezen.
Het College ziet in dit handelen een schending van artikel D in samenhang met de artikelen Q en S van de Beroepscode. Artikel D, in samenhang met de toelichting, en de artikelen Q en S verlangen immers van de jeugdzorgwerker dat hij of zij bij het uitvoeren van het beleid van zijn organisatie toetst of dit overeenkomt met de beroepsstandaard en dat hij of zij persoonlijk verantwoording aflegt over de naleving van de beroepsnormen door in morele kwesties zijn beroepsmatig handelen aan het professioneel en beroepsethisch oordeel van vakgenoten te toetsen.

Klachtonderdeel I en klachtonderdeel II, in samenhang beoordeeld, zijn derhalve gegrond.

Klaagster voert in klachtonderdeel III aan dat beklaagde er niet aan wilde meewerken dat klaagster inzage kon hebben in het verslag van het gesprek dat de onderzoeker met beklaagde voerde.
Het College stelt vast dat beklaagde dit klachtonderdeel gemotiveerd weerlegt, onder meer door te wijzen op het feit dat beklaagde zelf heeft verzocht om het onderzoek te laten verrichten; dat zij ongeveer twee uur met de onderzoeker heeft gesproken maar dat zij uiteindelijk niet heeft toegestaan dat het gespreksverslag in de rapportage werd opgenomen omdat de onderzoeker bleef weigeren om de door beklaagde voorgestelde correcties en aanvullingen door te voeren.
Klachtonderdeel III is derhalve ongegrond.

Klaagster voert in klachtonderdeel IV aan dat beklaagde haar niet heeft geïnformeerd over activiteiten die zij met de kinderen heeft ondernomen.
Het College stelt vast dat klaagster twee voorbeelden geeft van een activiteit van beklaagde met de kinderen. Het betreft een bezoek aan MacDonald’s met de drie kinderen en een niet in tijd of plaats nader aangeduid boottochtje. Beklaagde heeft ter zitting bevestigd dat zij met de drie kinderen naar MacDonald’s is geweest, om hen te vertellen dat haar betrokkenheid als gezinsvoogd eindigde, en dat zij klaagster daarover achteraf heeft geïnformeerd.
Het College beoordeelt dit klachtonderdeel als ongegrond, nu beklaagde klaagster wel heeft geïnformeerd en nu klaagster het voorbeeld van het boottochtje niet nader motiveert.
Klachtonderdeel IV is derhalve ongegrond.

Klaagster stelt in klachtonderdeel V dat beklaagde na haar terugtreden niets meer aan klaagster heeft laten horen.
Het College stelt vast dat beklaagde dit onderdeel gemotiveerd bestrijdt, onder meer door te verklaren dat zij vóór de spoeduithuisplaatsing van de kinderen bij vader op 9 september 2014 weinig contact heeft gehad met de ouders afzonderlijk; dat zij zich na de spoeduithuisplaatsing ervoor heeft ingespannen om met klaagster in contact te komen door meerdere dagen achtereen naar klaagster te bellen en een bezoekregeling voor klaagster met de kinderen op te zetten; dat klaagster niet heeft gereageerd op deze pogingen en heeft verwezen naar haar advocaat; dat vader met een mail van 24 augustus 2015 aan klaagster heeft laten weten dat beklaagde, die daartoe verzocht was door klaagster, bereid was om met klaagster contact te hebben maar dat klaagster daarop echter niet meer is terug gekomen.
Klachtonderdeel V is derhalve ongegrond.

7 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing.

Het College stelt vast dat beklaagde artikel D van de Beroepscode heeft geschonden door nog als gezinsvoogd op te treden op 31 oktober en 11 november 2014 waardoor zij jegens klaagster de schijn van partijdigheid op zich laadde.

Het College stelt vast dat beklaagde artikel D in samenhang met artikel Q en artikel S van de Beroepscode heeft geschonden nu zij in haar besluitvorming over het al of niet informeren van het gezin enkel heeft gevaren op het standpunt van haar leidinggevenden en door na te laten dit beleid te toetsen aan de professionele standaard en door na te laten om over deze besluitvorming individueel en met collega’s te reflecteren.

Het College verklaart derhalve klachtonderdeel I en klachtonderdeel II gegrond.

Het College verklaart de klachtonderdelen III, IV en V ongegrond.

Het College acht het tekortschieten in de professionele zorgvuldigheid van beklaagde verwijtbaar en legt aan beklaagde daarom een berisping op.

Aldus gedaan de 9e juni 2016 door het College van Toezicht.
De beslissing is verzonden op 9 juni 2016.

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter

Mevrouw mr. N. Jacobs, secretaris