Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen gezinsvoogd betreffende misbruik van machtspositie, het niet serieus nemen van klager en het achterhouden van informatie

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
mevrouw F. Leeflang, lid-beroepsgenoot.
Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klager], hierna te noemen: klager, dan wel vader, ingediende klacht tegen

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als gezinsvoogd bij [de GI] (verder: [de GI]).

Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden [naam gemachtigde].

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennis genomen van:

  • het klaagschrift van 5 april 2016;
  • een aanvulling op de klachten van 23 mei 2016;
  • het verweerschrift van 13 juli 2016.

1.2 De mondelinge behandeling van deze zaak stond gepland op 31 augustus 2016. Op die datum zou klager tijdens een zitting worden gehoord door het College van Toezicht. Klager heeft op 17 augustus 2016 met SKJ gebeld met het verzoek om uitstel van de behandeling omdat hij iemand had gevonden die hem zou kunnen bijstaan. SKJ heeft klager op 19 augustus 2016 gemaild met de vraag het verzoek tot uitstel van de behandeling nader te motiveren. Daar heeft SKJ geen reactie op ontvangen. De voorzitter van het College heeft vervolgens besloten door te gaan met de behandeling van de klachten. Dat is de klager medegedeeld op 26 augustus 2016. In de brief aan klager schrijft de voorzitter van het College van Toezicht dat de klachtonderdelen voldoende helder en goed geformuleerd zijn, om deze in afwezigheid van klager verder te behandelen. Gezien de impact van een tuchtklacht voor de jeugdprofessional is uitstel alleen mogelijk wanneer er een duidelijke inhoudelijke motivatie aan ten grondslag ligt. Ter gelegenheid van de zitting van 31 augustus 2016 heeft het College geoordeeld dat bij deze afweging van die voortvarende behandeling van de klacht en het belang dat klager heeft bij zijn – overigens ongemotiveerde verzoek om aanhouding – het eerste dient te prefereren.

1.3 De onderhavige klacht is gelijktijdig behandeld met de klachten tegen de navolgende personen: [beklaagden in de zaaknummers 15.062Ta tot en met 15.062Tc, en 15.062Te tot en met 15.062Tg].

1.4 Beklaagde is bij SKJ geregistreerd vanaf [datum] 2013.

2 Ontvankelijkheid van de klacht

2.1 Het College constateert dat klager het klachtenformulier heeft ingevuld, ondertekend en ingediend via zijn e-mailadres. Ook de aanvulling op die klachten van 23 mei 2016 is door hem ingediend.

2.2 Door de partner van klager is geen handtekening onder het klachtenformulier gezet, noch onder de aanvulling op die klachten. Tevens heeft zij geen machtiging aan het College overgelegd. Het College is tevens niet gebleken dat klager en zijn partner zijn getrouwd, dan wel een samenlevingscontract met elkaar hebben afgesloten.

2.3 Alle verdere contacten over de klachten tussen SKJ en klager zijn met hem geweest.

2.4 Om die reden is het College ook van oordeel dat niet alleen uit de inhoud van de klacht, maar tevens uit de aanlevering van de klacht, blijkt dat klager bedoeld heeft, in ieder geval mede namens zichzelf te klagen en is hij ontvankelijk in zijn klacht.

2.5 Het College zal klager daar waar hij klaagt over anderen dan zijn eigen kinderen niet ontvankelijk verklaren.

3 De feiten

3.1 Op [datum] 2010 wordt [de minderjarige 1] geboren en heeft vader (nog) geen gezag

3.2 Op 23 maart 2011 wordt [de minderjarige 1] onder toezicht gesteld.

3.3 Op 23 maart 2011 wordt [beklaagde in zaaknummer 15.062Tc] aangesteld als gezinsvoogd.

3.4 Op 2 oktober 2013 wordt er melding gedaan van agressie en geweld van vader jegens moeder.

3.5 Op 11 oktober 2013 gaat moeder met [de minderjarige 1] wonen binnen [de opvanglocatie], moeder is op dat moment in verwachting van [de minderjarige 2].

3.6 Op 11 november 2013 gaat vader bij moeder op bezoek, terwijl dit niet is toegestaan.

3.7 Op [datum] 2013 wordt [de minderjarige 2] geboren.

3.8 In november/december 2013 krijgt de vader ouderlijk gezag over [de minderjarige 1].

3.9 Op 2 december 2013 volgt [beklaagde in zaaknummer 15.062Tb] [beklaagde in zaaknummer 15.062Tc] op als gezinsvoogd.

3.10 In 2013 vinden er begeleide bezoeken van vader aan de kinderen plaats.

3.11 Op 6 januari 2014 wordt [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld.

3.12 Op 8 januari 2014 vindt een gesprek tussen ouders en [beklaagde in zaaknummer 15.062Tb] plaats over de omgangsregeling.

3.13 Op 10 januari 2014 stuurt vader een e-mailbericht aan [beklaagde in zaaknummer 15.062Tc]. Vader geeft aan dat hij [de GI] blijft pesten, dat hij valse meldingen blijft doen en dat hij de jeugdzorgwerkers haat.

3.14 Op 13 januari 2014 stuurt vader een e-mailbericht aan [beklaagde in zaaknummer 15.062Tb]. Vader schrijft dat hij het beleid nooit zal accepteren, dat hij onzinverhalen verkoopt aan de politie en dat hij de [de GI] blijft zieken, want zij zijn insecten die bestreden moeten worden. “Het spel begint pas.”

3.15 Op 15, 17 en 20 januari 2014 stuurt vader e-mailberichten aan [beklaagde in zaaknummer 15.062Tb].

3.16 Op 21 januari 2014 stuurt [de GI] een schriftelijke aanwijzing aan vader: de eerder besproken omgangsregeling vervalt. Een andere omgangsregeling wordt onder voorwaarden opgesteld. Voorwaarden: samenwerking met de gezinsvoogd en starten met agressieregulatie-therapie. Totdat aan deze voorwaarden wordt voldaan, is er geen contact tussen vader en de kinderen.

3.17 Op 23 januari 2014 is er een gesprek gepland met vader over de schriftelijke aanwijzing. Vader is niet aanwezig.

3.18 Op 28 januari 2014 stuurt vader een e-mailbericht aan [beklaagde in zaaknummer 15.062Tb]: vader laat weten dat hij geen bedreigingen meer zal uiten en belooft een goede samenwerking.

3.19 Op 28 januari 2014 is er een incident op straat tussen vader en moeder. Vader wordt aangehouden.

3.20 Op 30 januari 2014 is er een casuïstiekbespreking binnen [de GI]: vanwege escalaties worden de zorgen om de veiligheid van de kinderen steeds groter. Om die reden wordt besloten dat er moet worden overgegaan tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2].

3.21 Op 3 februari 2014 vader wordt in vrijheid gesteld. [De GI] dient een spoedaanvraag voor een machtiging tot uithuisplaatsing in.

3.22 Op 3 februari 2014 geeft de rechtbank de beschikking af waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg wordt verleend.

3.23 Op 4 februari 2014 volgt [beklaagde in zaaknummer 15.062Td] [beklaagde in zaaknummer 15.062Tb] op als gezinsvoogd.

3.24 Op 27 februari 2014 vindt een gesprek plaats tussen [beklaagde in zaaknummer 15.062Td] en haar teammanager met vader over de samenwerking en communicatie. Tijdens het gesprek wordt vader agressief, begint te schelden en te spugen en springt vanaf het bureau bovenop de teammanager van [beklaagde in zaaknummer 15.062Td].

3.25 Op 28 februari 2014 stuurt vader een e-mailbericht aan [beklaagde in zaaknummer 15.062Td]: vader schrijft dat hij [de GI] niet erkent. Hij gaat hun er uit trappen als een insect. [De GI] kan branden in de hel.

3.26 Op 3 maart 2014 stuurt [beklaagde in zaaknummer 15.062Td] een brief aan vader: de communicatie zal verder schriftelijk verlopen vanwege het agressieve gedrag van vader. Hij zal eens per drie à vier weken worden geïnformeerd over zijn kinderen.

3.27 Op 25 maart 2014 en 15 april 2014 geeft [beklaagde in zaaknummer 15.062Td] vader schriftelijk informatie over de kinderen.

3.28 Op 12 mei 2014 is er een gesprek met vader: vader mag niet meer telefonisch contact opnemen met de gezinsvoogd, maar enkel nog per e-mail en één keer per week.

3.29 Begin juni 2014 volgt [beklaagde in zaaknummer 15.062Te] [beklaagde in zaaknummer 15.062Td] op als gezinsvoogd.

3.30 Op 25 juni 2014 start de belregeling voor vader met [de minderjarige 1].

3.31 Op 19 september 2014 volgt hervatting van de bezoekregeling van vader met de kinderen.

3.32 Op 2 december 2014 is de evaluatie bezoekregeling gepland.

3.33 Op 10 december 2014 de bezoekregeling gaat gelijk oplopen voor vader en moeder (één keer per twee weken, ook bij het pleeggezin).

3.34 Eind februari 2015 zet [beklaagde in zaaknummer 15.062Te] zijn werk als gezinsvoogd stop vanwege (aanhoudende) bedreigingen door vader, waaronder telefonisch op 27 januari 2015 en 11 februari 2015.

3.35 Op 10 maart 2015 volgt een schriftelijke aanwijzing van [de GI] aan vader: bezoek aan de kinderen is stopgezet.

3.36 Op 17 maart 2015 wordt de uitvoering van de maatregel onder toezichtstelling (verder: OTS) van [de GI] aan [de GI 2] overgedragen. [beklaagde in zaaknummer 15.062Tf] en [beklaagde in zaaknummer 15.062Ta] zijn de jeugdwerkers van het gezin.

3.37 Op 3 april 2015 vindt het kennismakingsgesprek plaats van [de GI 2] met ouders, in bijzijn van [persoon 1] en van [persoon 2] en met het pleeggezin en de pleegzorgwerker [beklaagde in zaaknummer 15.062Tg].

3.38 Op 29 april 2015 vindt er begeleid bezoek voor vader plaats.

3.39 Op 12 mei 2015 vindt de evaluatie van het begeleid bezoek van vader op kantoor van [persoon 1] plaats.

3.40 Op 26 mei 2015 is de zitting over het beroepschrift van vader ten aanzien van de schriftelijke aanwijzingen d.d. 10 maart 2015.

3.41 Op 9 juni 2015 luidt de beschikking kinderrechter: “beroep ongegrond”.

3.42 Op 29 juni 2015 blijkt uit de NIFP-rapportage (het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie) over vader en moeder: advies is voor beide ouders een contactregeling met de kinderen van één keer per maand, onder voorwaarden.

3.43 Op 16 juli 2015 is er een gesprek tussen [beklaagde in zaaknummer 15.062Tf] en [de teammanager van beklaagde in zaaknummer 15.062Tf] van [de GI 2], vader en zijn ambulant begeleider ([de ambulant begeleider]) over de bezoekregeling met vader. De schriftelijke aanwijzing bezoekregeling d.d. 15 juli 2015 wordt overhandigd. Hierin wordt de bezoekregeling vastgesteld op één keer per vier weken. Daarnaast is er één keer per vier weken belcontact met [de minderjarige 1].

3.44 Op 17 augustus 2015 volgt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank [locatie] naar aanleiding van het verzoek van vader tot vaststelling van een omgangsregeling met de kinderen. De kinderrechter stelt een contactregeling vast van één keer per veertien dagen.

3.45 Op 2 september 2015 is er een gesprek gepland met ouders, pleegouders en pleegzorg. Ouders geven te kennen dat zij niet zullen komen en dat zij de samenwerking met zowel [de GI 2], als met pleegzorg opzeggen.

3.46 Op 8 september 2015 blijkt uit de brief van [de teammanager van beklaagde in zaaknummer 15.062Tf] aan vader dat in verband met beledigingen, geuit tijdens gesprekken op 4 september en 8 september 2015, de contacten alleen nog per e-mail zullen plaatsvinden, met een frequentie van één maal per week. Over bijzonderheden rondom de kinderen die prioriteit hebben, zal één van de begeleiders vader direct telefonisch informeren.

3.47 Op 9 september 2015 wordt de bezoekregeling van beide ouders stopgezet, vanwege vrees voor de veiligheid van de kinderen, pleegouders en hulpverleners. Ouders laten stalkingsgedrag zien sinds 2 september 2015.

3.48 Op 10 september 2015 verzoekt [de GI 2] tot het wijzigen (stopzetten) van een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang van vader en moeder. Motivering is het stalkingsgedrag van ouders, dat een bedreiging voor de veiligheid vormt.

3.49 Op 29 september 2015 richt [de GI 2] een verzoek tot gezag beëindiging aan de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad).

3.50 Op 16 oktober 2015 volgt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank [locatie]. De kinderrechter wijst het verzoek van [de GI 2] af. Partijen spreken over en weer af dat de contactregeling vanaf 30 oktober 2015 weer wordt opgestart en dat contactmomenten worden begeleid door [persoon 1] en [de stichting] of (een) andere geschikte instantie(s). De kinderrechter acht het van belang dat de gecertificeerde instelling een vaste dag in de week vaststelt waarop zij de e-mailberichten van de ouders beantwoordt, zodat de ouders weten wanneer zij antwoord kunnen verwachten. De kinderrechter merkt op dat de beschikkingen van de kinderrechter van 17 augustus 2015 van kracht blijven, zodat de contactregelingen tussen de minderjarigen zoals vastgesteld, gelden tot 6 januari 2016.

3.51 In november 2015 verklaart moeder tegen de raadsonderzoeker dat de relatie met vader is beëindigd.

3.52 Op 9 december 2015 dient de raad het verzoekschrift tot gezag beëindiging in bij de rechtbank.

3.53 Op 15 januari 2016 vindt het herstelgesprek bij [de stichting] plaats. [De GI 2] stelt zich op het standpunt dat de bezoeken begeleid moeten plaatsvinden en dat deze op dit moment niet kunnen worden verplaatst naar de zaterdag. Vader heeft de begeleiding van [persoon 1] stopgezet. [De GI 2] is bereid met de werkgever van vader in gesprek te gaan over de mogelijkheden. De verdere motivering heeft [de GI 2] niet kunnen bespreken in verband met de boosheid van ouders, waarop het gesprek vroegtijdig afgebroken is.

3.54 Op 20 januari 2016 volgt de schriftelijke aanwijzing vaststelling bezoekregeling. De bezoekregeling luidt één keer per twee weken voor vader en eens per maand voor moeder. Bezoeken vinden plaats onder begeleiding en kunnen om die reden niet op zaterdag plaatsvinden.

3.55 Op 10 februari 2016 is de zitting over het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag, ingediend door de raad d.d. 9 december 2015. Vader is aanwezig, bijgestaan door [gemachtigde]. Vader brengt naar voren dat [de ambulant begeleider] opnieuw is ingeschakeld om aan vader hulp te verlenen. Ouders hebben weer een relatie, er zou sprake zijn van trouwplannen.

3.56 Op 24 februari 2016 volgt de beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag. Het ouderlijk gezag van vader en moeder wordt beëindigd, [de GI] wordt benoemd tot voogd over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2].

3.57 Op 24 februari 2016 volgt de beschikking van de kinderrechter. De schriftelijke aanwijzing vaststelling bezoekregeling van 20 januari 2016 wordt vervallen verklaard. De rechter stelt de volgende contactregeling vast: eenmaal in de veertien dagen gedurende twee uren, de ene keer op de vrijdag begeleid door de pleegouders en pleegzorg en de andere keer op de zaterdag begeleid door de pleegouders en/of [de ambulant begeleider] dan wel een andere organisatie. Daarmee is de contactregeling van vader in duur uitgebreid van anderhalf naar twee uur per contactmoment.

3.58 Op 24 februari 2016 neemt vader telefonisch contact op met [de kliniek ]en dringt aan op een opname. Tijdens het telefoongesprek zou hij hebben gezegd dat als hij niet wordt geholpen, de gezinsvoogd iets overkomt à la Els Borst.

3.59 Op 26 februari 2016 doet [de GI 2] aangifte van bedreiging door vader. Op 1 maart 2016 heeft [de GI 2] aan vader laten weten dat er aangifte is gedaan.

3.60 Op 10 maart 2016 volgt er een herstelgesprek van [de GI 2] met vader. Tijdens het gesprek gaat het echter vooral over de geschilpunten rondom de opdrachtgever voor het NIFP-onderzoek dat is uitgevoerd en niet over de contactregeling. “Tijdens het gesprek is er erg veel spanning en wanneer [de GI 2] laat weten de bezoeken op te schorten vanwege het onberekenbare gedrag van de vader en de dreigingen die hij uit, wordt hij boos en gaat met zijn vinger wijzen en schreeuwen. Het gesprek wordt beëindigd”.

3.61 Op 16 maart 2016 informeert moeder [de GI 2] per e-mail dat de relatie met vader voorbij is. Moeder wil een aparte bezoekregeling.

3.62 Op 16 maart 2016 volgt het verzoekschrift wijziging (opschorting) omgangsregeling vader.

3.63 Op 1 april 2016 volgt de evaluatie van het hulpverleningsplan voor [de minderjarige 1]  en [de minderjarige 2].

3.64 Op 26 april 2016 is de zitting naar aanleiding van het verzoek tot wijziging van de omgangsregeling in verband met dreigementen die door vader zijn geuit jegens de gezinsvoogd.

3.65 Op 9 mei 2016 volgt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank [locatie] met betrekking tot de behandeling van het verzoek tot opschorting van de omgangsregeling. De rechtbank is van oordeel dat het recht op omgang van de vader met de kinderen dient te worden ontzegd, omdat de veiligheid van de hulpverlening en van de kinderen niet meer kan worden gewaarborgd.

4 De klachten

4.1 In het klachtenformulier d.d. 5 april 2016 staan de volgende klachten:

a. Informatie van klager wordt niet doorgestuurd aan zijn kinderen.
b. Er is een straat/pandverbod opgelegd en de kinderen en de moeder worden in gevaar gebracht.
c. Een uitspraak van [de minderjarige 1] van klager is misbruikt, terwijl [de minderjarige 1] hem mist.
d. De partner van klager wordt iets vreselijks verweten, terwijl de gezinsvoogd haar eigen kind in gevaar brengt.
e. Klager is zes maanden in de omgang beperkt en wordt genegeerd.
f. Beklaagde maakt misbruik van haar machtspositie.
g. Beklaagde heeft de hele zwangerschap kapot gemaakt.
h. Klager wordt genegeerd en vernederd. De gezinsvoogd gedraagt zich dominant.

4.2 In de aanvulling op het klachtenformulier van 23 mei 2016 staan de volgende klachtonderdelen:

Klachtonderdeel 1

Beklaagde heeft verjaardagskaarten achtergehouden. Zij is op zwangerschapsverlof gegaan en heeft de kaarten mee naar huis genomen en ze maanden laten liggen. De ambulante hulpverlener heeft ook gezien dat klager twee kaartjes op tijd heeft verstuurd maar dat de gezinsvoogd ze veel te laat heeft doorgestuurd.

Klachtonderdeel 2

Er is informatie over de kinderen achtergehouden richting klager. De bezoekregeling is langdurig gerekt. Er zijn uitingen gedaan over mogelijk schoppen en slaan. Het verhaal is heel negatief gemaakt.

Klachtonderdeel 3

Klager stelt dat zijn partner erachter kwam dat [de minderjarige 1] zijn vader miste en vertelde dat zijn vader dood was. Klager heeft beklaagde gevraagd dit te onderzoeken, maar dat heeft zij nooit gedaan. Ze vond haar eigen zwangerschap belangrijker. Klager en zijn partner hebben een foto van klager uitvergroot. Dat heeft [de minderjarige 1] geholpen.

Klachtonderdeel 4

Er heeft een klachtprocedure plaatsgevonden met betrekking tot [de GI] en het AKJ. Klager geeft aan dat hij in veel van zijn klachten in het gelijk is gesteld. [De GI] beloofde klager niet meer zo lang bij zijn kinderen weg te houden en anders met hem om te gaan. Dat komt men niet na.

Klachtonderdeel 5

De informatieplicht over de kinderen is nooit nagekomen. Ondanks vele verzoeken zijn zij in gebreke gebleven. Er zijn verwijten naar de partner van klager dat zij haar kinderen beter moet beschermen tegen klager. De gezinsvoogd heeft haar ongeboren kind ook in gevaar gebracht. Bij het politiebureau had klager haar zo in de buik kunnen schoppen. Laat beklaagde eerst naar zichzelf kijken en dan pas naar de partner van klager.

Klachtonderdeel 6

De gezinsvoogd heeft niets gedaan in het verweer van de ouders richting hun kinderen en de rechtbank.

5 Het verweer

5.1 De acht klachten in het klachtenformulier zijn niet onderbouwd en moeten daarom worden afgewezen op grond van artikel 7.4 onder a van het Tuchtreglement. Beklaagde zal derhalve alleen ingaan op de klachten, zoals geformuleerd in de aanvulling van de klachten per e-mail van 23 mei 2016.

Klachtonderdeel 1

Op 12 mei 2014 is met klager afgesproken dat hij twee kaartjes mocht sturen naar zijn kinderen. Per e-mail van 16 mei 2014 verzonden aan klager en aan zijn advocaat heeft beklaagde laten weten dat zij de kaartjes niet had ontvangen en dat zij die, in verband met haar komende zwangerschapsverlof, voor 22 mei 2014 diende te ontvangen. Op 22 mei ging beklaagde met verlof. De kaartjes zijn hierna door [ de GI] ontvangen en doorgestuurd naar het privéadres van beklaagde. Beklaagde ontving de kaartjes tijdens de tweede week van haar verlof en heeft deze op de dag van ontvangst teruggestuurd naar [de GI] naar de toenmalige gezinsvoogd met de vraag dit verder op te pakken. Hierdoor heeft het doorsturen van de kaartjes inderdaad vertraging opgelopen. Beklaagde is echter van mening dat haar dat niet (tuchtrechtelijk) verweten kan worden. Dat de kaartjes mogelijk bij [ de GI] langer zijn blijven liggen dan wenselijk is haar persoonlijk niet te verwijten.

Klachtonderdeel 2

Beklaagde betwist dat zij informatie heeft achtergehouden. Klager licht dit ook niet nader toe, noch onderbouwt hij dit met voorbeelden. Deze klacht dient dus te worden afgewezen.
Tevens betwist beklaagde dat zij klager onvoldoende informatie heeft gegeven. Op 3 februari 2014 vond de uithuisplaatsing (verder: UHP) plaats van de kinderen van klager. Op dat moment is beklaagde haar collega, tevens medebeklaagde, opgevolgd als gezinsvoogd. Op 14 februari 2014 ontving beklaagde via haar voorganger diverse zeer dwingende e-mails van klager. Hij eiste op hoge toon dat hij zou worden gebeld. Naar aanleiding hiervan heeft beklaagde per e-mail van 14 februari 2014 aan klager kenbaar gemaakt dat het haar goed leek te starten met een gesprek tussen haar, haar teammanager en klager en eventueel diens advocaat met het doel goede afspraken te maken over het toekomstig contact tussen [de GI] en klager. Voorts zou worden gesproken over de wijze waarop klager mee zou werken aan het herstel van het vertrouwen en de wijze van informatievoorziening. De afspraak werd gepland op 27 februari 2014 op het politiebureau [locatie].
Tijdens dit gesprek vond een escalatie plaats waarbij klager agressief werd, hartgrondig begon te schelden en spugen en hij vanaf het bureau boven op de teammanager is gesprongen. In een brief van de regiomanager van [de GI] is klager kenbaar gemaakt dat dit gedrag volstrekt onacceptabel is en dat dit gevolgen heeft voor de wijze waarop met hem gesproken zal worden over de belangen van zijn kinderen.
Naar aanleiding van dit incident heeft beklaagde per brief van 3 maart 2014 (abusievelijk gedateerd op 3 maart 2013) aan klager kenbaar gemaakt dat verdere communicatie vanaf dat moment schriftelijk zou verlopen. Hierin is aangegeven dat hij eens per drie à vier weken zou worden geïnformeerd.
Per brief van 25 maart 2014 heeft beklaagde klager geïnformeerd over het wel en wee van zijn kinderen. Per brief van 15 april 2014 heeft beklaagde klager opnieuw geïnformeerd over zijn kinderen.
Op 14 mei heeft er een gesprek plaatsgevonden op het politiebureau waarbij alsnog afspraken zijn gemaakt over een aantal onderwerpen, waaronder de belangen van de kinderen.
Per e-mail van 16 mei en 23 mei 2014 heeft beklaagde klager geïnformeerd over zijn kinderen.
Gezien het voorgaande is beklaagde van mening dat haar geen (tuchtrechtelijk) verwijt kan worden gemaakt over het niet voldoende informeren van klager over zijn kinderen.
Dat de bezoekregeling langdurig is gerekt en er een negatief verhaal is gemaakt over klager, is niet nader onderbouwd en moet daarom worden afgewezen. Beklaagde herkent zich hier geenszins in.

Klachtonderdeel 3

Tijdens het gesprek van 12 mei 2014 heeft klager verteld dat hij van zijn partner zou hebben gehoord dat [de minderjarige 1] hem miste en dat [de minderjarige 1] de mededeling was gedaan dat zijn vader dood is. Afgesproken is dat beklaagde contact op zou nemen met het pleeggezin waarin [de minderjarige 1] verbleef en hierop terug zou komen. In de e-mail van 16 mei 2014 heeft beklaagde aan de klager teruggekoppeld wat hieruit naar voren is gekomen. Ook heeft zij in deze e-mail benoemd welke actie zij samen met het pleeggezin zou ondernemen. Aldus herkent beklaagde zich niet in dit klachtonderdeel en kan op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

Klachtonderdeel 4

Voor zover beklaagde kan nagaan, doelt klager hiermee op een gesprek dat hij heeft gehad met de opvolgend gezinsvoogd en de gebiedsmanager. Beklaagde heeft hier geen enkele betrokkenheid bij gehad. Daarom dient deze klacht te worden afgewezen.

Klachtonderdeel 5

Klager is geen belanghebbende waar het gaat om het kind van beklaagde. Klager dient in deze klacht niet-ontvankelijk te worden verklaard c.q. de klacht dient te worden afgewezen.

Klachtonderdeel 6

De klacht is onbegrijpelijk en mist feitelijke onderbouwing en dient derhalve te worden afgewezen.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Tuchtrechtelijke toetsing en de algemene tuchtnorm
Het College wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm en overweegt het volgende.

Gebruikte afspraken/methodiek
Het College van Toezicht is gebleken dat er afspraken zijn gemaakt met de klager dat hij zich ten opzichte van zijn gezinsvoogd(en) en zijn omgeving niet agressief zou gedragen. Deze afspraken zijn gemaakt in het belang van de veiligheid van de kinderen. Deze afspraken hielden in dat indien de klager zich niet zou houden aan de afspraken hier direct consequenties aan zouden worden verbonden. Het College ziet de gemaakte afspraken in het licht van artikel A van de beroepscode “de jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen”.

6.1 Het College is van oordeel dat de klachtonderdelen 4.1a tot en met 4.1h, zoals opgenomen in het klachtenformulier d.d. 5 april 2016 niet nader zijn onderbouwd en reeds om die reden worden afgewezen.

6.2 In [klachtonderdeel 1] klaagt klager over het feit dat beklaagde opzettelijk en doelbewust verjaardagskaarten heeft achtergehouden. Beklaagde stelt hiertegenover dat zij op enig moment verjaardagskaarten op haar privé adres heeft ontvangen maar deze, vanwege haar langdurige afwezigheid, direct heeft geretourneerd naar [de GI] opdat de verjaardagskaarten zouden worden doorgezonden door haar vervanger. Onder de geschetste wijze van handelen van beklaagde stelt het College vast dat zij heeft gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Dat de verjaardagskaarten – wellicht – hierna niet direct zijn doorgezonden, treft beklaagde niet in haar optreden.

6.3 In [ klachtonderdeel 2] stelt klager dat er informatie is achtergehouden over de kinderen, dat hij niet goed is geïnformeerd. Beklaagde betwist dit klachtonderdeel. Nu door klager ten aanzien van het gestelde achterhouden van informatie geen nadere toelichting is gegeven, zal het College dit klachtonderdeel afwijzen. Daar waar klager klaagt over het langdurig rekken van een bezoekregeling wijst het College ook dit klachtonderdeel af. Beklaagde heeft genoeg duidelijk gemaakt op welke wijze getracht is met hem afspraken te maken over een bezoekregeling. Dat die regeling niet adequaat van de grond is gekomen, is naar het oordeel van het College vooral aan klager zelf te wijten, nu hij verantwoordelijk is voor de escalatie tijdens de bespreking.

6.4 Klager stelt in [klachtonderdeel 3] dat hij van zijn partner zou hebben gehoord dat [de minderjarige 1] hem miste en dat [de minderjarige 1] de mededeling was gedaan dat hij, klager, dood zou zijn. Beklaagde stelt dat zij hierover met de pleegouders heeft gesproken en dat zij hierop terug zou komen. Dit heeft zij daadwerkelijk gedaan op 16 mei 2014. In die e-mail heeft beklaagde benoemd welke actie zij met de pleegouders zou ondernemen. Onder deze omstandigheid stelt het College vast dat beklaagde hierover geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en wijst het klachtonderdeel af.

6.5 In [klachtonderdeel 4] klaagt klager over de omstandigheid dat [de GI] hem zou hebben medegedeeld dat hij niet meer zo lang gescheiden zou zijn van zijn kinderen en dat anders met hem zou worden omgegaan. Beklaagde stelt hier tegenover dat klager doelt op een gesprek dat hij heeft gehad met de opvolgend gezinsvoogd en de gebiedsmanager, dat beklaagde zelf hier in het geheel geen bemoeienis mee heeft gehad. Het College volgt beklaagde in het verweer. Het bewuste gesprek heeft plaatsgevonden met de opvolgend gezinsvoogd en de gebiedsmanager, beklaagde is hier geen partij bij geweest. Het College wijst op grond van vorenstaande dit klachtonderdeel af.

6.6 Klager stelt in [klachtonderdeel 5] dat beklaagde nooit de informatieplicht over de kinderen van de partner van klager is nagekomen. Het College stelt vast dat beklaagde terecht het verweer heeft gevoerd dat klager geen belanghebbende is in dit klachtonderdeel en het College zal dit daarom afwijzen.

6.7 In [klachtonderdeel 6] stelt klager dat beklaagde niets heeft gedaan in het verweer van ouders richting hun kinderen en de rechtbank. Het College stelt met beklaagde vast dat dit klachtonderdeel de feitelijke onderbouwing ontbeert en zal derhalve de klacht afwijzen.

6.8 Het voorgaande in overweging nemende, komt het College tot de slotsom dat de klacht in alle onderdelen wordt verworpen. Niet is gebleken dat beklaagde op wat voor wijze dan ook getreden is buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

7 De Beslissing

Het College van Toezicht verwerpt de klacht in al haar onderdelen.

Aldus gedaan op 1 november 2016 in de genoemde samenstelling.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter

mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris