Maak een selectie

727 van 727

   

De pleegzorgwerker is in haar zorgplicht niet tekort geschoten. Zij heeft er op zorgvuldige wijze naar gestreefd om contact op te bouwen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en geoordeeld in de volgende samenstelling:

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N. Jacobs.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door

mevrouw A., hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen

mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde.

Als gemachtigde van klaagster is opgetreden mevrouw mr. M. Wernsen, advocaat.

Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mr. M.J.I. Assink, advocaat.

1 Het verloop van de procedure

Op 4 juni 2015 ontvangt het College een klachtschrift d.d. 30 mei 2015. Per brief d.d. 12 augustus 2015 wordt aan beklaagde verweer gevraagd. Op 11 september 2015 ontvangt het College het verweerschrift d.d. 8 september 2015. Beklaagde laat aan het College weten open te staan voor bemiddeling. Klaagster laat op 6 oktober 2015 aan SKJ weten het voorstel te hebben overwogen maar niet te aanvaarden. Het College besluit dat een hoorzitting wenselijk is. Partijen, eerder opgeroepen doch verhinderd, worden op 22 december 2015 opgeroepen om op 4 februari 2016 voor een hoorzitting te verschijnen.

De hoorzitting vindt plaats in aanwezigheid van klaagster en haar gemachtigde en van beklaagde en haar gemachtigde.

2 De ontvankelijkheid van de klacht en de bevoegdheid van het College

Het College stelt vast dat het klachtschrift voldoet aan de vereisten gesteld door art. 10 lid 1 sub a en lid 4, art. 11 en art. 12 van het Tuchtreglement.

Het klachtschrift is derhalve ontvankelijk.

Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013.

Het College is derhalve bevoegd om het handelen van beklaagde te beoordelen.

3 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Klaagster is ten tijde van het indienen van de klacht zeventien jaar oud. Zij woont sinds haar vierde jaar in een perspectiefbiedend pleeggezin. Zij heeft een halfbroertje, L. L. en klaagster hebben dezelfde moeder. L., geboren in 2013, heeft van maart tot december 2014 eveneens in dit pleeggezin verbleven. De plaatsing van L. was een perspectiefzoekende plaatsing. Beklaagde, die per september 2014 van een vertrekkende collega de pleegzorgbegeleiding van klaagster had overgenomen, trad toen ook op als pleegzorgwerker voor L.

Eind november 2014 werd aan klaagster gemeld dat L. weer bij zijn vader, hierna te noemen: vader L., zou gaan wonen. De pleegzorgplaatsing van L. in klaagsters pleeggezin eindigde op 19 december 2014.
Klaagster verzoekt de pleegzorginstelling C. om aan haar een andere pleegzorgwerker toe te wijzen. Door tussenkomst van de gezinscoach wordt de pleegzorgbegeleiding overgenomen door een andere pleegzorginstelling, te weten D. Aan klaagster wordt een pleegzorgwerker van deze instelling toegewezen.

4 De klachten

De klachten van klaagster luiden, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt.
Klaagster heeft aan beklaagde in december 2014 maar ook andere keren gezegd dat zij niet wil dat haar vader, hierna te noemen: vader N., informatie over haar krijgt omdat er vervelende dingen zijn gebeurd.
Beklaagde heeft beloofd geen contact met vader N. te hebben en niets door te geven. Beklaagde heeft toch contact gehad met vader N. en aan hem verteld dat klaagster naar een andere pleegzorgorganisatie gaat en dat de gegevens van de nieuwe pleegzorgwerker aan hem zouden worden doorgegeven.
Klaagster heeft voorts aan beklaagde gezegd zich grote zorgen te maken, vanwege dingen die zich in het verleden hebben afgespeeld, over de plaatsing van L. bij vader L.

Verder richten de klachten van klaagster zich op:

4.1

Beklaagde liegt. Tijdens het bezoek van klaagster aan L. heeft beklaagde toegezegd dat L. niet door vader L. verschoond zou worden, maar dit gebeurde toch.

4.2

Beklaagde vertelt onwaarheden over klaagster en zet dit ook op schrift, bijvoorbeeld dat klaagster agressief zou zijn.

4.3

Beklaagde heeft contact met anderen gehad en aan anderen informatie gegeven zonder toestemming van klaagster.

4.4

Beklaagde heeft klaagster niet gesteund toen de bezoeken van haar broertje aan vader L. werden uitgebreid en toen hij daar moest gaan wonen.

4.5

Beklaagde heeft nooit gesproken met klaagster over de verschrikkelijke ruzies en bedreigingen die klaagster heeft gezien tussen haar moeder en vader L.

4.6

Beklaagde heeft er nooit met klaagster over gesproken hoe het voor haar was en zij heeft nooit aan klaagster gevraagd hoe het met haar ging.

5 Het verweer

Het verweer luidt, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt.

Beklaagde heeft op 30 september 2014 de pleegzorgbegeleiding van een vertrekkende collega overgenomen. Bij de overdracht, klaagster is dan zestien jaar, vernam beklaagde dat klaagster geen behoefte had aan gesprekken, aangezien zij gesprekken voerde met haar behandelaar.

Tijdens het eerste huisbezoek, op 7 november 2014, heeft beklaagde aan de pleegmoeder gezegd dat zij graag kennis wilde maken met klaagster. Klaagster is aanwezig, op haar eigen kamer, maar wil dit niet.
Beklaagde heeft tijdens de pleegzorgplaatsing van L. meerdere malen gevraagd of de pleegmoeder of klaagster ondersteuning wensten van haar. Hierop kwam telkens een ontkennend antwoord. Beklaagde heeft ook meermaals aan de pleegmoeder gevraagd hoe het met klaagster ging.

In geval van pleegoudervoogdij dient de pleegzorgorganisatie in ieder geval één keer per jaar van de pleegouder de gelegenheid te krijgen om het pleegkind afzonderlijk te spreken. Klaagster hield het contact met beklaagde af. Vanuit de verantwoordelijkheid van de pleegmoeder als voogdes voor klaagster was het voor beklaagde logisch, en volgens afspraak, dat het informeren van klaagster over de bezoekregeling van L. en vader L. via de pleegmoeder verliep. In de periode van oktober 2014 tot december 2014 heeft beklaagde veelvuldig contact gehad met de pleegmoeder over het perspectief van L.
Omdat vader L. heeft aangegeven voor L. te willen zorgen en omdat Bureau Jeugdzorg (BJZ) de onder toezichtstelling van L. uitvoert, diende BJZ te onderzoeken of thuisplaatsing van L. bij zijn vader een optie is. In een netwerkberaad, waarbij klaagster niet aanwezig was, zijn afspraken gemaakt over onder meer een intensieve bezoekregeling van L. aan zijn vader. De begeleide bezoeken zijn gestart op 2 oktober 2014. Bij de pleegmoeder en bij klaagster ontstaan er zorgen over onrustsignalen die L. laat zien na bezoek bij zijn vader. Beklaagde heeft dit meegenomen in haar verdere contacten met de pleegmoeder, met vader L. en met de gezinsvoogd van L. Beklaagde heeft via de pleegmoeder aan klaagster laten weten dat zij de zorgen van klaagster heeft gehoord en dat zij open staat voor een gesprek.
Op 5 november vertoonde klaagster negatief gedrag tijdens de bezoekregeling van L. bij zijn vader.

Op 10 november 2014 heeft BJZ besloten om de bezoekregeling van L. met zijn vader uit te breiden.

Op 13 november 2014, voorafgaand aan de bezoekregeling, heeft de pleegmoeder namens klaagster verzocht dat L. niet door zijn vader zal worden verschoond. Klaagster heeft doorgevraagd op de reden maar de pleegmoeder heeft verklaard dat zij die informatie niet heeft.

Er is besloten, onder meer om escalatie te voorkomen, dat dit niet verschonen door vader L. eenmalig wordt toegestaan. Het besluit is aan de pleegmoeder bekend gemaakt. Beklaagde heeft L. verschoond tijdens de bezoekregeling van 13 november 2014.

Op 19 november 2014 was klaagster – tegen de gemaakte afspraken in – toch weer aanwezig bij het halen en brengen van L. bij vader L. Klaagster vraagt dan aan beklaagde wie L. tijdens het bezoek heeft verschoond. Als zij hoort dat L. tijdens het bezoek door zijn vader is verschoond zegt zij tegen beklaagde dat deze een klacht kan verwachten. Klaagster vertrekt met L. uit de woning van vader L. L. kan hierdoor geen afscheid nemen van zijn vader.

Tijdens het tweede grote evaluatiemoment over het thuisplaatsingstraject is afgesproken dat alle wijzigingen in dit traject door BJZ zullen worden gecommuniceerd naar klaagster. Beklaagde heeft gevraagd welke ondersteuning de pleegmoeder en klaagster denken nodig te hebben in het thuisplaatsingstraject van L. bij zijn vader. De pleegmoeder heeft geantwoord dat zij graag wil dat de communicatie rondom de bezoekregeling via BJZ verloopt. Er is met de pleegmoeder en met de vader van L. afgesproken dat klaagster de gelegenheid krijgt om haar zorgen over de thuisplaatsing van L. bij zijn vader te uiten, in een gesprek van klaagster, de vader van L. en de casemanager van klaagster.

Gezien de spanningen die zijn ontstaan door het negatieve gedrag van klaagster bij de bezoeken van L. aan zijn vader is vanuit pleegzorg het advies gegeven om L. versneld terug naar zijn vader te laten gaan.
Op 2 december 2014 is aan de pleegmoeder gemeld dat de bezoekregeling zal worden uitgebreid en dat thuisplaatsing van L. bij zijn vader op handen is. Beklaagde heeft geconstateerd dat het contact met de pleegmoeder vanaf 3 december 2014 moeizaam verloopt. De pleegmoeder heeft, zonder overleg met de gezinsvoogd, beklaagde bericht dat zij de bezoekregeling, in het belang van klaagster, tijdelijk stopzet.

Op 4 december 2014 heeft de pleegmoeder een e-mail gestuurd waarin zij schrijft dat zij recentelijk informatie heeft gekregen waardoor zij zich zorgen maakt over de veiligheid van L. bij zijn vader. Zij heeft de zorgen verder niet concreet gemaakt.

Op 10 december 2014 heeft BJZ verzocht tot een spoedmachtiging plaatsing van L. naar zijn vader. Op 18 december 2014 heeft de rechter beschikt tot de plaatsing. De pleegmoeder en klaagster zijn door BJZ geïnformeerd. Omdat beklaagde geen ingang meer heeft bij de pleegmoeder en bij klaagster, heeft de casemanager aan hen gevraagd of zij behoefte hebben aan ondersteuning.

Op 9 februari 2015 heeft er een evaluatie plaatsgevonden vanuit de pleegzorginstelling met de pleegmoeder en beklaagde en anderen. Er zijn wederzijdse voorwaarden en verwachtingen uitgesproken en er worden samenwerkingsafspraken gemaakt. Er is bovendien een afspraak gepland tussen klaagster, haar behandelaar en beklaagde, om te onderzoeken of er voldoende basis kan komen voor samenwerking tussen klaagster en beklaagde.

Op 9 maart 2015 heeft beklaagde met de pleegmoeder een telefoongesprek gevoerd om te besluiten of en door wie de pleegzorgbegeleiding vanuit de pleegzorginstelling zal plaatsvinden.

Op 26 maart 2015, in een gesprek tussen klaagster en haar behandelaar met beklaagde, is besloten dat beklaagde de begeleiding zal overdragen aan een collega omdat klaagster onvoldoende vertrouwen in beklaagde heeft. Beklaagde heeft aldus bericht aan de pleegmoeder op 27 maart 2015. Op 23 mei 2015 heeft de pleegmoeder bericht dat pleegzorgorganisatie D. bereid is de pleegzorgbegeleiding aan klaagster, over te nemen. Op 15 juni 2105 heeft D. de pleegzorgbegeleiding en de zorgcoördinatie overgenomen.

Beklaagde heeft contact met de vader N. gehad toen hij haar in november 2014 en in februari 2015 benaderde met het verzoek hem te informeren over klaagster. Beklaagde heeft in november aangegeven dat zij geen informatie kan geven. Beklaagde heeft de pleegmoeder benaderd en deze geeft aan dat vader N. haar – de pleegmoeder – mag mailen. Klaagster wenst geen contact en wenst evenmin dat vader N. informatie zal krijgen. Dit heeft beklaagde aansluitend aan vader N. laten weten. In februari 2015 heeft vader N. beklaagde opnieuw benaderd omdat hij tot dan toe nog niets heeft vernomen van de pleegmoeder. Op 26 maart 2015 heeft vader N. beklaagde nogmaals benaderd. Zij heeft het verzoek nogmaals voorgelegd aan de pleegmoeder. Op 21 mei 2015 heeft vader N. bericht dat hij nog niets had gehoord van de pleegmoeder. Op 29 mei 2015 heeft beklaagde nogmaals gemeld dat zij geen informatie over klaagster aan vader N. kan geven. Zij heeft vader N. geadviseerd om de pleegmoeder te benaderen. Zij heeft vader N. toegezegd dat zij hem de gegevens over de nieuwe pleegzorgbegeleider zal mailen. Op 30 mei 2015 heeft de pleegmoeder aan beklaagde bericht dat zij van mening is dat de afspraak om geen gegevens over klaagster aan vader N. te geven door beklaagde verbroken wordt als deze gegevens over de nieuwe pleegzorgbegeleider aan vader N. door zou geven.

Beklaagde is van mening dat zij, door te vertellen dat D. de pleegzorgbegeleiding had overgenomen, geen gegevens over klaagster aan vader N. heeft gegeven.
Na 30 mei 2015 zijn er geen contacten meer geweest tussen beklaagde en vader N.

Met betrekking tot de klachtonderdelen verweert beklaagde zich voorts al volgt.

5.1

Beklaagde heeft niet beloofd dat zij er voor zou zorgen dat vader L. – behoudens de eenmalige uitzondering volgens afspraak – tijdens de bezoekregeling de luiers niet zou verschonen.

5.2

Klaagster heeft zich tijdens de bezoekregeling van 5 november 2014 negatief gedragen. Klaagster heeft onder meer L. uit de armen van vader L. getrokken en L. hardhandig op de grond gezet. Beklaagde heeft dit feitelijk beschreven en hierover geen onwaarheden verteld.

5.3

Vader N. heeft verschillende keren telefonisch of per email contact met beklaagde opgenomen. Beklaagde heeft hem geen informatie over klaagster gegeven omdat klaagster dat niet wilde. Zij heeft vader N. telkens verwezen naar de pleegmoeder. Beklaagde ontkent klaagster te hebben beloofd zonder haar toestemming geen contact te zullen hebben met anderen. Vader N. heeft recht op bepaalde informatie. Beklaagde heeft geen informatie over klaagster zelf verstrekt, maar slechts de naam van de overnemende pleegzorgorganisatie aan hem genoemd.

5.4, 5.5 en 5.6

Beklaagde betreurt het dat klaagster zich kennelijk niet of onvoldoende gehoord voelde. Beklaagde wil benadrukken, onder verwijzing naar bovenstaande uitvoerige toelichting, dat er wel degelijk is geluisterd naar klaagster en dat er serieus met haar verzoeken en signalen is omgegaan. Het kan niet worden uitgesloten dat het pijnlijk voor klaagster moet zijn geweest dat de plaatsing van L. in haar pleeggezin is beëindigd ten behoeve van een plaatsing van L. bij zijn vader.
Beklaagde is van oordeel dat het verwijt van klaagster dat beklaagde er niet voor klaagster was, onterecht is.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professionals aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van het professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
Het College wijst er op dat indien bij een klachtonderdeel de feitelijke gang van zaken in redelijkheid niet kan worden vastgesteld, het College geen inhoudelijk oordeel kan geven, wat tot gevolg zal hebben dat het College het klachtonderdeel niet gegrond zal kunnen verklaren.

Het College vat de klachten als volgt samen en baseert zich op de stukken en op dat wat ter zitting door partijen is verklaard.

6.1

In dit onderdeel stelt klaagster dat beklaagde liegt: beklaagde had toegezegd dat L. niet zou worden verschoond door zijn vader maar dit gebeurde toch.
Het College stelt vast dat beklaagde de klacht in dit onderdeel gemotiveerd weerlegt. Beklaagde heeft verklaard dat ten behoeve van klaagster voor de bezoekregeling van 13 november 2014 de eenmalige afspraak is gemaakt dat de luier van L. niet zou worden verschoond door zijn vader en dat zij dit aan de pleegmoeder heeft bericht met de uitdrukkelijke toevoeging dat dit een eenmalige afspraak betrof.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

6.2

In dit onderdeel stelt klaagster dat beklaagde onwaarheden heeft verteld over klaagster en dit ook op schrift heeft gezet, bijvoorbeeld dat klaagster agressief zou zijn.
Het College stelt het volgende vast. Klaagster geeft ter onderbouwing van deze stelling geen ander voorbeeld dan dat beklaagde op schrift zou hebben gesteld dat klaagster agressief is. Het College heeft in de stukken niets in die bewoording terug gevonden en ter zitting heeft gemachtigde van klaagster deze vaststelling van het College onderschreven.

Het klachtonderdeel mist feitelijke grondslag en is daarom ongegrond.

6.3

In dit onderdeel stelt klager, samengevat, dat beklaagde contact heeft met anderen en aan die anderen informatie geeft zonder toestemming van klaagster.
Het College overweegt het volgende. Wat er zij van de vraag of beklaagde een persoonsgegeven betrekking hebbend op klaagster aan een derde heeft prijsgegeven, het College dient te onderzoeken of beklaagde een belang van klaagster heeft geschonden door aan vader N. mede te delen dat pleegzorgorganisatie D. de pleegzorg van C. zal overnemen.
Het College stelt allereerst vast dat beklaagde aan de vader N. heeft meegedeeld dat pleegzorgorganisatie D. de pleegzorg van C. zal overnemen. Het College stelt voorts vast dat beklaagde gemotiveerd heeft aangevoerd dat en op welke wijze zij de wens van klaagster dat haar vader via haar geen informatie over klaagster zou krijgen, heeft gerespecteerd.
Het College overweegt dat in redelijkheid niet kan worden gesteld dat beklaagde door aan vader mede te delen dat pleegzorgorganisatie D. de pleegzorg van C. zal overnemen een belang van klaagster heeft geschonden.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

6.4, 6.5 en 6.6

In deze onderdelen stelt klaagster, samengevat, dat beklaagde klaagster niet heeft gesteund toen de bezoeken van haar broertje aan zijn vader werden uitgebreid en evenmin toen de pleegzorgplaatsing bij klaagster eindigde, zij nooit heeft gesproken met klaagster over de verschrikkelijke ruzies en bedreigingen die klaagster heeft gezien tussen haar moeder en vader L., zij er nooit met klaagster over heeft gesproken hoe het voor haar was en zij nooit aan klaagster heeft gevraagd hoe het met haar ging.

Het College stelt het volgende vast.

Op beklaagde rustte de taak om pleegzorgbegeleiding te bieden aan de pleegmoeder van klaagster en om zich op de hoogte te stellen van het welzijn van klaagster en van L. tijdens hun verblijf in het pleeggezin.
Meer in het bijzonder diende zij te volgen hoe klaagster zich in het pleeggezin ontwikkelt en of L. geplaatst kon worden bij zijn vader. Beklaagde zou als pleegzorgbegeleider desgevraagd gesprekken kunnen bieden en zij zou hulp in de thuissituatie kunnen bieden. Klaagster maakte daartoe dan ook afspraken met de pleegmoeder. Beklaagde vernam op deze wijze dat klaagster psychologische behandeling volgde bij een behandelaar en dat ondersteuning door beklaagde aan klaagster en aan de pleegmoeder volgens laatstgenoemde niet nodig was.

Beklaagde dient als pleegzorgbegeleider tenminste eenmaal per jaar in de gelegenheid te worden gesteld door de voogd van het pleegkind, in casu de pleegmoeder, om een gesprek te voeren met klaagster buiten aanwezigheid van de pleegmoeder. Een dergelijk gesprek kon op 7 oktober 2014 niet plaatsvinden omdat klaagster aangaf liever op haar kamer te willen blijven.
De eerste gelegenheid voor een ontmoeting tussen beklaagde en klaagster was het begeleide bezoek van L. aan zijn vader op 5 november 2014. Dit bood niet de juiste condities voor een veilig contact van beklaagde met klaagster. Ook het begeleide bezoek van 19 november 2014, dat overigens niet mede het doel diende dat beklaagde en klaagster een pleegzorgbegeleidingscontact zouden hebben, bood daartoe niet de juiste condities.
Beklaagde voert in haar verweer gemotiveerd aan op welke momenten en op welke wijze zij naar klaagster heeft willen luisteren. Zij voert aan dat zij meerdere keren heeft voorgesteld of aangeboden dat zij en klaagster elkaar zouden spreken, dat serieus met de verzoeken van klaagster is omgegaan en dat haar zorgsignalen over L. zijn onderzocht.

Het College stelt samenvattend vast dat beklaagde op zorgvuldige wijze er naar heeft gestreefd om met klaagster contact op te bouwen opdat zij de mogelijkheid zou hebben om aan klaagster uit te leggen wat haar bijdrage kon zijn. Onder de omstandigheden als boven weergegeven kan niet worden gesteld dat beklaagde in haar zorgplicht als pleegzorgwerker tekort is geschoten.

De klachtonderdelen IV, V en VI zijn ongegrond.

7 Uitspraak

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende uitspraak.

Het College verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan de 31e maart 2016 door het College van Toezicht.
De beslissing is verzonden op 31 maart 2016.

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter

mevrouw mr. N. Jacobs, secretaris