Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen jeugdzorgwerker over het niet opvragen van informatie bij het OM en de GGD.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mevrouw mr. H. Wintgens, lid-jurist
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,
de heer E. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klager], hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen:

[jeugdprofessional], hierna te noemen: beklaagde. Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mr. F.M. de Jong.

1 Het verloop van de procedure

Op 16 september 2015 heeft het College een klaagschrift met bijlagen van klager ontvangen.
Per brief d.d. 20 oktober 2015 is aan beklaagde verweer gevraagd. Op 16 november 2015 heeft het College het verweerschrift ontvangen. Klager heeft een afschrift ontvangen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 februari 2016 in aanwezigheid van klager en zijn partner en beklaagde en haar gemachtigde. De voorzitter heeft bepaald dat vier met elkaar samenhangende zaken door het College ter zitting gezamenlijk en gelijktijdig worden behandeld.
Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de uitspraak uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De ontvankelijkheid

Het College stelt vast dat het klaagschrift voldoet aan de vereisten gesteld door art. 10 lid 1 sub a en lid 4, art. 11 en art. 12 van het Tuchtreglement. Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013. Het klaagschrift is derhalve ontvankelijk.

3 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Klager heeft uit een inmiddels ontbonden huwelijk drie kinderen D., geboren in 2004 en de tweeling O. en V. die in 2009 zijn geboren. Klager en zijn ex-partner hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag behouden. Bij beschikking van 2 maart 2011 zijn D., O. en V. onder toezicht gesteld. Sinds 20 december 2011 verblijven D., O. en V. bij klager. De ondertoezichtstelling (ots) is op 2 september 2013 beëindigd. Bij beschikking van 20 augustus 2014 heeft de rechtbank de kinderen opnieuw onder toezicht gesteld. De ots is verlengd bij beschikking van 12 augustus 2015. De gezinsvoogdij wordt uitgevoerd door Instelling [naam], hierna te noemen: [instelling].
Beklaagde heeft destijds vanuit Veilig Thuis een AMK melding gedaan en aangifte gedaan bij de politie.

4 De klachten

Klager verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

Beklaagde is volgens klager nalatig omdat zij op de hoogte is van het feit dat er forensisch onderzoek is verricht door de GGD naar aanleiding van de vermeende mishandeling van de zoon van klager. Op 7 januari 2015 is er door de GGD een brief opgesteld met daarin de bevindingen. Beklaagde heeft deze brief niet opgevraagd bij de GGD en opgenomen in de verslaglegging. Hierdoor ontbreekt de brief in de verslaglegging ten aanzien van de ots en heeft de rechtbank hier geen kennis van kunnen nemen.

Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn klacht toegelicht. Voor klager is het niet duidelijk wie waar verantwoordelijk voor is, klager is van mening dat hij van het kastje naar de muur wordt gestuurd.
Klager heeft het rapport van de forensisch arts in oktober 2015 doorgestuurd. De rechter heeft het besluit genomen op basis van de verkeerde informatie. Klager is van mening dat alle relevante stukken in het dossier horen te zitten. Beklaagde heeft het verslag niet opgevraagd zodat de rechter een besluit heeft genomen op basis van verkeerde informatie. De onbegeleide omgang van O. en V. met de ex-partner van klager is eind 2015 gestopt. Als dit eerder was gebeurd had dit niet zoveel gevolgen gehad voor O. en V.
Er zijn signalen van mishandeling maar dit is niet bewezen. Er is nog steeds geen bericht van het LEBZ.

5 Het verweer

Beklaagde voert met betrekking tot de bovenbeschreven klacht het volgende aan.

Het forensisch verslag van de GGD van het letsel dient meegenomen te worden door politie en justitie.

Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling een toelichting gegeven op het verweerschrift.
De mishandeling valt niet vast te stellen, daarom is aangifte gedaan bij de politie. Het [instelling] heeft echter geen opsporende taak. De gezinsvoogd heeft klager bericht dat de dossiers van de kinderen opgestuurd zouden worden over de periode van de tweede ots. Beklaagde heeft te kennen gegeven dat na afstemming met de politie en het OM is gekozen voor de periode van de tweede ots. Beklaagde antwoordt desgevraagd dat beklaagde geen lijst met producties aan klager heeft opgestuurd.

Beklaagde is van mening dat klager het GGD verslag zelf had kunnen opvragen en zelf kunnen acteren. Beklaagde kan op basis van de Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst niet over de stukken beschikken. Beklaagde vindt dat het niet aan haar is om de stukken op te vragen.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.
Het behoort evenmin tot de bevoegdheid van het College om strafrechtelijke feiten te toetsen.

Het College wijst er voorts op dat het indien bij een klachtonderdeel de feitelijke gang van zaken in redelijkheid niet kan worden vastgesteld, het College geen inhoudelijk oordeel kan geven hetgeen tot gevolg zal hebben dat het klachtonderdeel ongegrond zal worden verklaard.

Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat klager eenzelfde klacht tegen vier personen heeft ingediend. Het College overweegt dat uitgangspunt van het tuchtrecht de individuele verantwoordelijkheid is van de jeugdprofessional. Dit betekent echter naar het oordeel van het College niet dat een persoon verantwoordelijk is. Het College acht zich bevoegd om ieders aandeel in de samenwerking met klager te beoordelen.

Het College stelt vast dat op 24 december 2014 forensische foto’s zijn gemaakt door de forensisch fotograaf in het bijzijn van de forensisch arts. De forensisch arts heeft een brief met bevindingen d.d. 7 januari 2015 opgesteld. Het College stelt ook vast dat beklaagde de bevindingen van de forensisch arts niet heeft opgevraagd bij de GGZ en het OM. Beklaagde heeft op 31 december 2014 een melding heeft gedaan bij de politie over vermoedens van kindermishandeling. Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) heeft besloten dat het Landelijke Expertise Bureau Bijzondere Zaken (LEBZ) onderzoek zal doen. Dit onderzoek loopt sinds juli 2014. De uitkomsten van het onderzoek zijn tot op heden onbekend.

Het College kan de redenatie van beklaagde dat zij in afwachting is van het politieonderzoek en dat in het kader van dit onderzoek geen rapporten kunnen worden opgevraagd, niet volgen. Naar het oordeel van het College kan het immers niet zo zijn dat beklaagde wacht op de uitkomsten van een LEBZ onderzoek dat inmiddels bijna twee jaar duurt. Het enkele feit dat er sprake is van een politieonderzoek ontslaat beklaagde niet van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van O. en V.

Het College overweegt dat wanneer beklaagde de stukken bij het OM respectievelijk de GGD had opgevraagd, het aan het OM en de GGD is om te bepalen of beklaagde de stukken mocht hebben.
Het College overweegt voorts dat bij de GGD stukken opgevraagd mogen worden met toestemming van beide ouders. Het College realiseert zich dat het de vraag is of beklaagde de stukken ook daadwerkelijk had verkregen. Het College is van oordeel dat beklaagde als jeugdprofessional vanuit Veilig Thuis vanaf het moment dat de AMK melding is gestart, verantwoordelijk is voor de veiligheid van O. en V. In het belang van O. en V. had zij het rapport moeten opvragen bij het OM en de GGD. Het College oordeelt dat onder deze gegeven omstandigheden beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het klachtonderdeel is derhalve gegrond.

Het College is op grond van het bovenstaande van oordeel dat beklaagde heeft nagelaten informatie op te vragen waardoor zij in strijd heeft gehandeld het belang van O. en V. (artikel A van de Beroepscode van de Jeugdzorgwerker).

Het klachtonderdeel is gegrond.

Nu beklaagde op dit punt een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt is het passend en geboden om aan beklaagde een maatregel van waarschuwing op te leggen.

Ten overvloede doet het College [instelling] de aanbeveling om op grond van artikel F van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker cliënten te informeren over welke personen verantwoordelijk zijn voor welke handelingen.

7 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– de klacht is gegrond,

– legt aan beklaagde op een maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan de 8e februari 2016 en op 4 april 2016 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter

Mevrouw mr. A.C. Veerman, secretaris