Maak een selectie

727 van 727

   

Moeder klaagt over de wijze waarop de jeugdprofessional de ondertoezichtstelling uitvoert en de uithuisplaatsing van de kinderen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mevrouw mr. H. Wintgens, lid-jurist,
mevrouw D. de Gelder, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S. Ephraïm, lid-beroepsgenoot,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen:

[jeugdprofessional] , hierna te noemen: beklaagde.

1 Het verloop van de procedure

Op 22 april 2015 heeft het College een klaagschrift met bijlagen van klaagster ontvangen. Klaagster heeft haar klacht aangevuld op 18 mei 2015 en 6 juli 2015.
Per brief d.d. 14 september 2015 is aan beklaagde verweer gevraagd. Op 14 oktober 2015 heeft het College het verweerschrift ontvangen. Klaagster heeft een afschrift ontvangen. Beklaagde heeft zijn verweerschrift aangevuld op 29 oktober 2015. Klaagster heeft de aanvulling ontvangen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 november 2015 in aanwezigheid van partijen. De vertrouwenspersoon en de ouders van klaagster zijn daarbij aanwezig geweest als toehoorder.

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de uitspraak uiterlijk over acht weken zal volgen.

2 De ontvankelijkheid van de klacht

Het College stelt vast dat het klaagschrift voldoet aan de vereisten gesteld door art. 10 lid 1 sub a en lid 4, art. 11 en art. 12 van het Tuchtreglement. Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013. Het klaagschrift is derhalve ontvankelijk.

3 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Klaagster heeft uit een inmiddels ontbonden huwelijk twee zonen [oudste zoon] en [jongste zoon] die in 2005 en 2006 zijn geboren. Klaagster en haar ex-partner hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag behouden. [oudste zoon] en [jongste zoon] zijn eind 2009 voorlopig onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Bij beschikking van 26 maart 2010 zijn [oudste zoon] en [jongste zoon] onder toezicht gesteld. Sinds 2011 verblijven [oudste zoon] en [jongste zoon] bij de ex-partner van klaagster. De bezoeken tussen [oudste zoon] en [jongste zoon] en klaagster vinden onder begeleiding plaats. De gezinsvoogdij wordt namens [gecertificeerde instelling], hierna te noemen: de GI uitgevoerd door beklaagde. Beklaagde is sinds maart 2012 gezinsvoogd van [oudste zoon] en [jongste zoon].

4 De klachten

Klaagster verwijt beklaagde kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende.

I

Klaagster is van mening dat op 18 december 2013 na een bezoek van beklaagde in een park is gebleken dat de kinderen van klaagster bang zijn voor beklaagde, beklaagde [oudste zoon] en [jongste zoon] verplicht om bij de ex-partner van klaagster te wonen terwijl zij aangeven dat zij bij klaagster willen wonen en dat beklaagde tijdens de begeleide bezoeken te druk bezig is met zijn telefoon

II

Klaagster geeft te kennen dat in de periode juni/juli 2015 [oudste zoon] en [jongste zoon] moeten liegen van beklaagde. Klaagster is van mening dat zij geen informatie krijgt over [oudste zoon] en [jongste zoon] omdat de ex-partner van klaagster geen toestemming geeft na overleg met beklaagde.

III

Klaagster verwijt beklaagde dat hij niet objectief is: hij luistert wel naar vader en niet naar klaagster.
Volgens klaagster werkt beklaagde niet in het belang van de kinderen en heeft beklaagde de multidisciplinaire overleggen (mdo’s) afgeblazen. Daarnaast doet beklaagde volgens klaagster niets met de zorgen van school en de psychiater.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft klaagster haar klacht toegelicht. Klaagster heeft onder andere te kennen gegeven dat de school van [oudste zoon] en [jongste zoon] heeft gemeld dat de kinderen onveilig zijn terwijl beklaagde aan de rechter heeft verteld dat de kinderen veilig zijn. De correspondentie die beklaagde heeft overlegd is niet compleet. Er missen e-mails over bijvoorbeeld het loopoor van [oudste zoon].

Klaagster krijgt geen informatie van school omdat dit niet mag van beklaagde en haar ex-partner. Klaagster moet zelf achter alle informatie aangaan.
Klaagster heeft het College aanvullende stukken overhandigd.

5 Het verweer

Beklaagde voert met betrekking tot de bovenbeschreven klacht kort samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan.

I

Beklaagde heeft tijdens de twee wekelijkse contacten nooit gemerkt aan [oudste zoon] en [jongste zoon] dat zij bang voor hem zijn. Ook vanuit de scholen, Instelling [instelling 1], Instelling [instelling 2], BSO en raadsonderzoeker komen geen signalen dat [oudste zoon] en [jongste zoon] bang zijn.

Het besluit dat [oudste zoon] en [jongste zoon] bij de ex-partner van klaagster wonen is een zorgvuldig besluit dat deels gebaseerd is op de conclusies van onderzoek door de Onderzoeksinstelling [instelling 3]. De afgelopen jaren is het besluit steeds jaarlijks juridisch getoetst bij de rechtbank. In hoger beroep is het verzoek van klaagster om de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen afgewezen.

Tijdens de begeleide bezoeken is beklaagde aanwezig om zo nodig in te grijpen als de kinderen belast worden met de frustraties van klaagster over de hulpverlening en/of de ex-partner van klaagster. Het is de bedoeling dat beklaagde zich zo min mogelijk inhoudelijk met het bezoek bemoeit. Daarom vult beklaagde soms de tijd met telefoon of laptop. Soms heeft beklaagde buiten gehoorafstand van de aanwezigen een telefoongesprek gevoerd.

Beklaagde geeft te kennen dat het bezoek bij het park een pijnlijke situatie was waarbij [oudste zoon] in de strijd van klaagster is gezogen. [oudste zoon] heeft de betreffende uitspraak gedaan en heeft geworsteld met datgeen dat hij heeft moeten zeggen.

II

[oudste zoon] en [jongste zoon] hebben niet in opdracht van beklaagde moeten liegen.
Klaagster is door beklaagde steeds op de hoogte gehouden over zaken die haar kinderen aangaan. De ex-partner heeft daar ook altijd aan meegewerkt. Het is wel voorgekomen dat de ex-partner geen toestemming gaf dat klaagster inzage kreeg in informatie die hem en zijn partner en de andere kinderen betrof.

III

Klaagster is regelmatig door beklaagde gehoord als zij haar onvrede uitte over de hulpverlening. Klaagster is er steeds op gewezen dat de door haar gevoerde strijd niet in het belang is van haar kinderen. Sinds 22 januari 2015 heeft beklaagde iedere e-mail naar klaagster en haar ex-partner gestuurd.

De mdo’s houden overleg in tussen klaagster, de ex-partner van klaagster, de vertrouwenspersoon van klaagster en beklaagde. Dit overleg is opgezegd door de vertrouwenspersoon van klaagster met de mededeling dat klaagster alleen nog maar per e-mail te bereiken is.

De zorgen van de scholen hebben geleid tot consult en onderzoek bij [Instelling 2]. Beklaagde merkt ter zitting op dat [oudste zoon] en [jongste zoon] beschadigde kinderen zijn.
Het onderzoek van [oudste zoon] is inmiddels afgerond. Voor [jongste zoon] is onderzoek aangevraagd.

Ter zitting verklaart beklaagde desgevraagd dat hij vaak gesproken heeft met klaagster over de intentie van [de GI]. Het is in het belang van [oudste zoon] en [jongste zoon] dat klaagster de plaatsing van [oudste zoon] en [jongste zoon] bij de ex-partner van klaagster aanvaardt en niet opnieuw de strijd aangaat. Klaagster heeft kwaliteiten als moeder en de bezoeken verlopen goed. Er zijn echter signalen dat klaagster [oudste zoon] en [jongste zoon] belast door haar frustraties bij [oudste zoon] en [jongste zoon] neer te leggen.
De scholen hebben hun zorgen geuit over de ontwikkeling van de kinderen en niet over de veiligheid van de kinderen.

Als e-mails missen, biedt beklaagde hiervoor excuses aan. Beklaagde heeft niet bewust e-mails niet bijgevoegd.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Het College wijst er verder op dat gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor [datum] 2013, de registratiedatum van beklaagde, niet tuchtrechtelijk kunnen worden getoetst. Deze gebeurtenissen worden dan ook niet betrokken bij de beoordeling van de klacht.

Het College wijst er voorts op dat het indien bij een klachtonderdeel de feitelijke gang van zaken in redelijkheid niet kan worden vastgesteld, het College geen inhoudelijk oordeel kan geven hetgeen tot gevolg zal hebben dat het klachtonderdeel ongegrond zal worden verklaard.

I

Het eerste klachtonderdeel luidt kort samengevat en zakelijk weergegeven dat de kinderen van klaagster bang zijn voor beklaagde, de kinderen van beklaagde bij vader moeten wonen terwijl zij aangeven dat zij bij moeder willen wonen en beklaagde te druk is met zijn telefoon.

Het College kan op basis van de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting in redelijkheid niet vaststellen dat de kinderen van klaagster bang zijn voor beklaagde. Het College kan met betrekking tot dit klachtonderdeel dan ook geen inhoudelijk oordeel geven.

Beklaagde heeft in het verweerschrift gesteld dat het besluit dat [oudste zoon] en [jongste zoon] bij de ex-partner van klaagster wonen een zorgvuldig besluit is dat jaarlijks is getoetst bij de rechtbank. Het College heeft gezien dat in de beschikking van de rechtbank d.d. 10 oktober 2014 en de beschikking van het hof d.d. 19 augustus 2015 het verzoek van klaagster om een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [oudste zoon] en [jongste zoon] is afgewezen. Het College is van oordeel dat deze besluiten van de rechter beklaagde niet kunnen worden aangerekend.

Het College stelt vast dat beklaagde gemotiveerd heeft toegelicht waarom hij zich afzijdig houdt tijdens de begeleide bezoeken.

Het College stelt verder vast dat beklaagde klaagster had kunnen uitleggen waarom hij zich afzijdig houdt tijdens de begeleide bezoeken. Beklaagde is hiermee echter naar het oordeel van het College niet buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening getreden.

Het College zal het klachtonderdeel ongegrond verklaren.

II

Het tweede klachtonderdeel luidt kort samengevat en zakelijk weergegeven, dat de kinderen van klaagster moeten liegen van beklaagde en dat klaagster geen informatie krijgt over de kinderen van klaagster omdat vader geen toestemming geeft na overleg met beklaagde.

Het College overweegt dat op basis van de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting niet in redelijkheid kan worden vastgesteld dat beklaagde [oudste zoon] en [jongste zoon] heeft verplicht om te liegen. Het College kan met betrekking tot dit klachtonderdeel dan ook geen inhoudelijk oordeel geven.

Het College is van oordeel dat noch uit de stukken noch uit hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat klaagster geen informatie van beklaagde krijgt en school klaagster niet informeert.
Het College leest onder meer in de e-mail van beklaagde d.d. 28 mei 2015 dat beklaagde klaagster heeft geïnformeerd over de zorgen die school heeft over de ontwikkeling van [jongste zoon] en dat een persoonlijk onderzoek gewenst is om hier meer zicht op te krijgen zodat passende begeleiding kan worden ingezet. Beklaagde schrijft in de betreffende e-mail dat school klaagster heeft geïnformeerd. Klaagster heeft de e-mail van beklaagde beantwoord en heeft bevestigd dat zij gesproken heeft met school. Het College is van oordeel dat hiermee niet gezegd kan worden dat beklaagde klaagster niet heeft geïnformeerd en dat school geen informatie aan klaagster geeft.

Het College zal het klachtonderdeel ongegrond verklaren.

III

Het derde klachtonderdeel luidt kort samengevat en zakelijk weergegeven dat beklaagde niet werkt in het belang van de kinderen en de mdo’s heeft afgeblazen en dat beklaagde niets doet met de zorgen van school en de psychiater. Het College overweegt dat beklaagde zowel in zijn e-mails aan klaagster als tijdens de mondelinge behandeling het belang van [oudste zoon] en [jongste zoon] heeft uitgedragen. Het College stelt vast dat uit de stukken blijkt dat veel mdo’s zijn verplaatst en dat zowel beklaagde als klaagster afspraken hebben afgezegd. Daarnaast is gebleken dat de vertrouwenspersoon van klaagster in een e-mail van 14 januari 2014 heeft geschreven dat klaagster telefonisch niet meer te bereiken zal zijn, dat het contact uitsluitend per e-mail plaatsvindt en dat de mdo’s zijn opgeschort. Het College is van oordeel dat het afblazen van de mdo’s niet voornamelijk beklaagde valt aan te rekenen.

Het College vindt het van belang dat beklaagde in zijn professionaliteit van jeugdzorgwerker uit respect voor klaagster ook in een complexe situatie als deze blijft werken aan een goede samenwerking en communicatie met klaagster. Deze norm is vastgelegd in artikel E van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het College overweegt dat persoonlijke communicatie tussen beklaagde en klaagster van belang is om een acceptatieproces van klaagster op gang te kunnen brengen. Het contact tussen beklaagde en klaagster blijft bestaan omdat klaagster moet worden geïnformeerd over [oudste zoon] en [jongste zoon] en moeder blijft van [oudste zoon] en [jongste zoon]. Ook kan beklaagde door het naleven van onder meer deze beroepsnorm het vertrouwen in de jeugdzorg bevorderen (artikel D Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker).

Het College is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat beklaagde met zijn handelen buiten de grenzen van een bekwame beroepsuitoefening is getreden doordat hij zich onvoldoende aan de normen van bovenvermelde artikelen heeft gehouden.

Het College heeft op basis van de stukken niet kunnen vaststellen dat er signalen vanuit school zijn die betrekking hebben op de veiligheid van de kinderen. Het College stelt vast dat de stukken in het dossier over de school van [oudste zoon] en [jongste zoon] betrekking hebben op vraagstukken over de ontwikkeling van de kinderen en een verklaring van problemen die zich in het functioneren van D. op school voordoen.
Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij in zijn e-mail van 30 januari 2015 bij het versturen van het Plan van Aanpak de veiligheid van [oudste zoon] en [jongste zoon] het cijfer 5 heeft gegeven. Beklaagde heeft dit cijfer gegeven vanwege de strijd tussen klaagster en haar ex-partner. Dit is volgens beklaagde van invloed op de psychische veiligheid van [oudste zoon] en [jongste zoon] en niet omdat de fysieke veiligheid van [oudste zoon] en [jongste zoon] in het geding is.

Het College stelt vast dat uit de e-mail d.d. 17 december 2013 niet blijkt dat klaagster de schuld krijgt van het loopoor. In de e-mail staat dat het loopoor diverse oorzaken kan hebben. Het College is van oordeel dat deze e-mail geen klachtwaardig handelen van beklaagde bevat.

Het College zal het klachtonderdeel ongegrond verklaren.

7 Beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– klachtonderdelen I, II en III zijn ongegrond.

Aldus gedaan de 12e november 2015 en op 7 januari 2016 door het College van Toezicht aan partijen toegezonden.

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter

Mevrouw mr. A.C. Veerman, secretaris