Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen jeugdzorgwerker over het gebrekkig informeren van klager en het niet vragen van toestemming over het aangaan van een gesprek met de dochter van klager.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en geoordeeld in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mevrouw D. de Gelder, lid-beroepsgenoot,
E.A. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N. Jacobs.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door

De heer A., hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen

mevrouw B., hierna te noemen: beklaagde.
Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mr. [gemachtigde].

1 Het verloop van de procedure

Op 27 april 2015 ontvangt het College een klachtschrift d.d. 27 april 2015 met elf bijlagen. Per brief d.d. 23 juli 2015 wordt aan beklaagde verweer gevraagd. Beklaagde verzoekt op 14 augustus 2015 uitstel voor het indienen van het verweerschrift. Het College verleent uitstel tot 28 augustus 2015. Op 26 augustus 2015 ontvangt het College het verweerschrift d.d. 24 augustus 2015. Het College besluit dat een hoorzitting wenselijk is. Partijen worden op 9 oktober 2015 opgeroepen om op 15 december 2015 voor een hoorzitting te verschijnen.

Op 6 december 2015 stuurt klager een reactie met twee bijlagen op het verweerschrift. Het College besluit om de producties niet aan het dossier toe te voegen.

De hoorzitting vindt plaats in aanwezigheid van klager en van beklaagde en haar gemachtigde.

Het College heeft in het raadkameroverleg aansluitend aan de hoorzitting uitspraak gedaan.

2 De ontvankelijkheid van de klacht en de bevoegdheid van het College

Het College stelt vast dat het klachtschrift voldoet aan de vereisten gesteld door art. 10 lid 1 sub a en lid 4, art. 11 en art. 12 van het Tuchtreglement. Het klachtschrift is derhalve ontvankelijk.
Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013. Het College is derhalve bevoegd om het handelen van beklaagde te beoordelen.

3 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Klager heeft een dochter, F. Klager is gescheiden van de moeder van F. F. woont bij moeder, ouders hebben gezamenlijk gezag.
In maart 2014, F. is dan 12,5 jaar benadert moeder beklaagde. Zij vertelt dat F. een gesprek wil hebben met beklaagde. Beklaagde is, ter uitvoering van de onder toezichtstelling van F. van 18 oktober 2006 tot en met 30 januari 2008, opgetreden als gezinsvoogd voor F. Het gesprek vindt plaats op 24 april 2014, bij F. thuis. Klager verzoekt beklaagde met een brief d.d. 28 april 2014 om hem over de inhoud van het gesprek te informeren. Beklaagde antwoordt met een brief d.d. 5 augustus 2014.

4 De klachten

De klachten luiden, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt.

4.1 Beklaagde heeft nagelaten om klager, ouder belast met gezag, voorafgaand te informeren over het verzoek van F. en zij heeft nagelaten om klager toestemming te vragen voor het aangaan van het gesprek. Dit is een schending van art. 1D, 2E, 2F, 2G en 2M van de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker, hierna te noemen: de Beroepscode.

4.2 Beklaagde had moeten verifiëren of het verzoek de wens van F. was of enkel de wens van moeder. Dit is een schending van art. 1D en 3N van de Beroepscode (Bc).

4.3 Beklaagde heeft op eigen houtje gehandeld terwijl zij voorafgaand collegiaal had moeten overleggen. Dit is een schending van art. 1D en 3N Bc.

4.4 Beklaagde had van het gesprek met F. aantekeningen moeten maken. Aan klagers verzoek om een verslag te overleggen heeft zij niet voldaan. Dit is in strijd met art. 1D, 2F en 2M Bc.

4.5 Beklaagde heeft nagelaten maatregelen te treffen voor het geval F. na het gesprek nazorg nodig zou hebben. Dit is een schending van art. 1D en 2I Bc.

4.6 Beklaagde heeft zich in het verleden onvoorwaardelijk achter het verhaal van de moeder van F. geschaard. Zij heeft destijds het negatieve beeld dat moeder bij F. van klager schetste bevestigd. Beklaagde is, zes jaar nadat zij door de kinderrechter ‘van de zaak is gehaald’, opnieuw met F. in gesprek gegaan, zonder bij andere hulpverleners te verifiëren wat zich in de tussengelegen periode heeft afgespeeld, met het doel om bij F. het destijds negatieve beeld van klager te herbevestigen, wat de bedoeling van F’s moeder was. Aan dat doel heeft beklaagde zonder enige tegenwerping of nader onderzoek haar medewerking verleend.
Dit is een schending van art. 1D en 2H.

Ter zitting verklaart klager dat de moeder van F. klager destijds heeft beschuldigd van seksueel misbruik van F. Beklaagde heeft zich, zo is destijds vastgesteld, onvoldoende onpartijdig jegens klager gedragen. Beklaagde had moeten begrijpen dat zij, gezien de geschiedenis die zij met klager heeft, nu juist niet het gesprek met F. had moeten voeren.
Klager is van mening dat het gesprek achter zijn rug om heeft plaatsgevonden. Beklaagde had moeten toetsen of de door F. gegeven reden voor het gesprek – zij wilde nog een keer spreken met hulpverleners die in de tijd van de onder toezichtstelling bij haar betrokken waren – de werkelijke reden was.
Hij vraagt zich af wat er op tegen was om hem te informeren.
Klager kan, nu er niets van de inhoud van het gesprek is vastgelegd, alleen maar gissen naar de inhoud ervan.

5 Het verweer

Het verweer luidt, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt.

5.1 F. heeft zelf om het gesprek gevraagd. Om die reden behoefde beklaagde geen toestemming aan klager voor het voeren van dit gesprek te vragen.

5.2 Beklaagde had geen reden om te twijfelen aan het zelfstandige verzoek van F. Ook in het gesprek met F. is niet gebleken dat dit gesprek door de moeder van F. is geregisseerd. Beklaagde kan klager niet volgen in zijn aanname dat zij contact had moeten opnemen met andere hulpverleners om te verifiëren of het verzoek wel van F. zelf kwam.

5.3 Aangeklaagde heeft overleg gehad met haar leidinggevende en er is sprake geweest van intervisie en intercollegiaal overleg. Van geheel ‘op eigen houtje’ werken is derhalve geen sprake geweest.

5.4 Beklaagde heeft geen aantekeningen gemaakt van het gesprek met F. Er is derhalve ook geen gespreksverslag gemaakt. Het komt vaker voor dat kinderen om informatie vragen bij het Regiecentrum en dan wordt er evenmin iets vastgelegd.
Klager is, op zijn verzoek, geïnformeerd over de grote lijnen van het gesprek van het gesprek met F.

5.5 Beklaagde heeft het verzoek van F. en de eventuele consequenties ervan voor F. in intervisie besproken. Ook in het gesprek is aan beklaagde niet gebleken dat nazorg voor F. nodig was.

5.6 In dit klachtonderdeel wordt geklaagd over feiten die zich hebben voorgedaan in een periode die ligt voordat beklaagde was geregistreerd.

Ter zitting verklaart beklaagde als volgt.
De instelling moet passend belang hechten aan de mening van het kind. Dit volgt uit art. 12 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind en uit art. 377b boek 1 BW. Beklaagdes instelling heeft het beleid dat kinderen die om gesprek vragen nadat de betrokkenheid van de instelling is geëindigd, dergelijke nazorg dienen te krijgen en dat van een dergelijk gesprek niets wordt vastgelegd. Met moeder is afgesproken dat F. zelf om het gesprek diende te vragen. F. is mondig en capabel. Zij zei dat ze durfde te bellen omdat ze op dat moment geen contact met klager had. Zij wilde een gesprek zonder haar moeder en zonder haar vader. Zij gaf aan welke vragen zij had. Als reden voor het gesprek gaf zij op dat zij nog een keer vis-à-vis wilde spreken met hulpverleners die zich destijds met haar hadden bezig gehouden. Beklaagde heeft het verzoek ingebracht in intervisie en meerdere keren besproken met haar leidinggevende en met de jurist omdat ze het een lastig verzoek vond. Klager meent dat de onder toezichtstelling wegens onvoldoende onpartijdigheid bij beklaagde en bij de instelling is weggehaald. Beklaagde en de instelling hadden daarover een andere mening. Beklaagde heeft overwogen dat het de onvrede van klager kon opwekken als zij op het verzoek van F. zou ingaan. Beklaagde heeft gemeend aan het verzoek van F. tegemoet te moeten komen omdat zij een mondig kind is en aangaf zich op dat moment vrij te voelen om haar vragen te stellen. Beklaagde heeft gemeend dat zij F. in een loyaliteitsconflict zou brengen als zij klager op de hoogte zou stellen dat zij een gesprek zou voeren met F. Beklaagde geeft desgevraagd aan dat zij een volgende keer, wanneer een kind om een nazorggesprek vraagt, opnieuw het instellingsbeleid zou volgen. Zij zou de interne consultatie anders doen, namelijk bij de consulterend juristen. Zij heeft de verkregen adviezen gevolgd, het verleden meegewogen en besloten om F., die altijd zei dat niemand naar haar wilde luisteren, te spreken.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professionals aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.
Bij de tuchtrechtelijke toetsing van het professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
Het College wijst er op dat indien bij een klachtonderdeel de feitelijke gang van zaken in redelijkheid niet kan worden vastgesteld, het College geen inhoudelijk oordeel kan geven, hetgeen tot gevolg zal hebben dat het College het klachtonderdeel niet gegrond zal kunnen verklaren.
Het College vat de klachten als volgt samen en baseert zich op de stukken en op dat wat ter zitting door partijen is verklaard.

6.1 Beklaagde had klager, als ouder belast met gezag, voorafgaand moeten informeren over het verzoek van F. en zij had klager om toestemming moeten vragen voor het aangaan van het gesprek.
Het College overweegt als volgt.
De Beroepscode verlangt enerzijds van de jeugdzorgwerker dat deze bevordert dat de jeugdige cliënt tot zijn recht komt in zijn opvoeding en ontwikkeling. Anderzijds verlangt de Beroepscode dat de jeugdzorgwerker de persoon van de ouder respecteert. Beklaagde diende derhalve in haar overwegingen om aan het verzoek van F. gehoor te geven evenzeer haar beroepsethische verplichtingen jegens klager te betrekken. Zij had uit de feiten en de omstandigheden die golden in de periode dat zij als gezinsvoogd optrad, niet alleen die moeten meewegen die als belangen aan de zijde van F. gelding hebben, maar ook die welke als belangen aan de zijde van klager gelding hebben.
Beklaagde heeft ter zitting aan het College onvoldoende duidelijk kunnen maken welke belangen zij aan de zijde van klager onderscheidde, welk gewicht zij daaraan toekende en waarom het belang van F. voor haar de doorslag heeft gegeven. Het College heeft van beklaagde niet gehoord of zij heeft onderzocht of een andere, minder ingrijpende oplossing denkbaar was – een oplossing waarin rekening houden met het belang van klager niet in de weg zou staan aan het belang van de minderjarige – en of zij de mogelijke gevolgen van de door haar gemaakte keuze voor klager een plaats heeft gegeven in haar afwegingen.

Het College beoordeelt het klachtonderdeel, opgevat als hiervoor beschreven, als gegrond.

6.2 In dit onderdeel stelt klager dat beklaagde had moeten verifiëren of het verzoek de wens van F. was of enkel de wens van moeder.
Het College stelt vast dat beklaagde de klacht in dit onderdeel gemotiveerd weerlegt door het volgende in te brengen.
Beklaagde stelde als voorwaarde dat het verzoek door F. zelf moest worden gedaan; zij ervoer F. als mondig en capabel bij het uiten van haar verzoek; het gebeurt vaker dat kinderen om een dergelijk nagesprek vragen.

Het College beoordeelt klachtonderdeel II derhalve als ongegrond.

6.3 In dit onderdeel stelt klaagster dat beklaagde op eigen houtje heeft gehandeld terwijl zij voorafgaand collegiaal had moeten overleggen.
Het College stelt vast dat beklaagde de klacht in dit onderdeel gemotiveerd weerlegt door het volgende in te brengen.
Beklaagde heeft over het verzoek van F. voorafgaand intern collega’s, de jurist en haar leidinggevende geconsulteerd.

Het College beoordeelt klachtonderdeel III derhalve als ongegrond.

6.4 In dit onderdeel stelt klager dat beklaagde van het gesprek met F. aantekeningen had moeten maken zodat zij desgevraagd door klager een verslag had kunnen overleggen.
Het College stelt vast dat klager zijn klacht niet onderbouwt.
Het College vat de klacht van klager op als een klacht dat beklaagde geen verantwoording voor haar handelen kon afleggen door het ontbreken van schriftelijke documentatie van haar handelen. Het College stelt vast dat beklaagde klager op zijn verzoek heeft geïnformeerd over het feit dat een gesprek had plaatsgevonden en over de hoofdlijnen van de inhoud daarvan.

Het College beoordeelt klachtonderdeel V, opgevat als hiervoor beschreven, derhalve als ongegrond.

6.5 Beklaagde heeft nagelaten maatregelen te treffen voor het geval F. na het gesprek nazorg nodig zou hebben.
Het College stelt vast dat beklaagde de klacht in dit onderdeel gemotiveerd weerlegt door het volgende in te brengen.
Beklaagde heeft F. tijdens het uiten van het verzoek en tijdens het voeren van het gesprek als mondig en capabel ervaren. Zij heeft de eventuele consequenties van het voeren van een dergelijk gesprek voor F. in intervisie besproken. Tijdens het gesprek is aan beklaagde niet gebleken dat nazorg voor F. nodig was.

Het College beoordeelt klachtonderdeel V derhalve als ongegrond.

6.6 Beklaagde is met F. in gesprek gegaan met het doel om bij F. het negatieve beeld van klager te herbevestigen, wat de bedoeling van F’s moeder was.
Het College stelt vast dat klager aan de moeder van F. een doel voor het gesprek van F. met beklaagde toeschrijft. Nog daargelaten dat het College de stelling van klager niet kan toetsen, het College is tot toetsing van het handelen van derden in deze procedure niet bevoegd.
Het College stelt vast dat beklaagde de klacht, voor zover inhoudende dat zij bij F. het negatieve beeld over klager wilde herbevestigen, gemotiveerd weerlegt door het volgende in te brengen.
Beklaagde heeft aan het verzoek van een jeugdige, te weten dat deze nog een keer wilde spreken met een hulpverlener die een aantal jaren geleden bij haar betrokken is geweest, willen voldoen. Kinderen die onder toezicht hebben gestaan plegen dit vaker te vragen. In het IVRK en in het BW is vastgelegd dat jeugdigen op hun verzoek gehoord dienen te worden. Zij heeft het gesprek met F., die aangaf dat er nooit naar haar geluisterd werd, daarom willen aangaan.
Het College beoordeelt klachtonderdeel VI derhalve als ongegrond.

7 Uitspraak

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende uitspraak.

Het College verklaart klachtonderdeel I gegrond en klachtonderdeel II, III, IV, V en VI ongegrond.

Het College legt aan beklaagde als maatregel een waarschuwing op.

Aldus gedaan de 15de december 2015 door het College van Toezicht.
De beslissing is verzonden op 9 februari 2016.

Mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter

Mevrouw mr. N. Jacobs, secretaris