Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdzorgwerker heeft ter zitting onvoldoende blijk gegeven van reflectie op haar aandeel in de werkrelatie met klaagster. Er wordt door het CvT geen maatregel opgelegd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en geoordeeld in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mevrouw mr. H.C.A. Wintgens, lid-jurist,
mevrouw D. de Gelder, lid-beroepsgenoot,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S. Ephraïm, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N. Jacobs.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

Mevrouw B., hierna te noemen: ‘klaagster’, ingediende klachten tegen:

mevrouw C., geregistreerd per [datum] 2013, hierna te noemen ‘beklaagde’.

1 Het verloop van de procedure

Op 16 april 2015 ontvangt het College het klachtschrift. Het College besluit dat het klachtschrift ontvankelijk is.
Aan beklaagde wordt op 1 september 2015 verzocht om verweer te leveren. Op 14 september 2015 ontvangt het College het verweerschrift d.d. 14 september 2015.
Het College acht mondelinge behandeling van de zaak wenselijk en besluit ingevolge art. 19 lid 2 Tr dat een openbare zitting zal plaatsvinden. Partijen worden opgeroepen om voor een zitting te verschijnen op 12 november 2015. Beklaagde bericht het College op 27 oktober 2015 dat zij aanwezig zal zijn met haar teamleider. Klaagster bericht het College op 10 november 2015 dat zij verhinderd is. De hoorzitting wordt verplaatst naar maandag 30 november 2015. Op zaterdag 28 november 2015 stuurt klaagster aan het College bericht dat zij niet zal verschijnen. De hoorzitting vindt plaats op 30 november 2015 in aanwezigheid van beklaagde. Het College heeft in het raadkameroverleg aansluitend aan de hoorzitting een beslissing genomen.

2 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Klaagster heeft uit een ontbonden relatie met dhr. X. een dochter, A. woont bij klaagster, klaagster heeft eenhoofdig gezag. Veilig Thuis ontvangt op 11 december 2014 van de politie een melding over huiselijk geweld dat de dag daarvoor in de woning van klaagster heeft plaatsgevonden. A. is getuige geweest van het geweld.
Beklaagde, ten tijde van de melding werkzaam bij BJz […] en vanaf [datum] 2015 werkzaam bij Veilig Thuis, onderzoekt de melding en voert onder meer op 16 april 2015 een gesprek met klaagster.
Klaagster is niet tevreden over het handelen van beklaagde en dient dezelfde dag haar klacht in.

3 De klachten

De klachten van klaagster luiden als volgt.

3.1 Beklaagde heeft in het gesprek van 16 april 2015 alleen maar gesproken over de rechten van dhr. X.

3.2 Beklaagde heeft gegevens die niet kloppen en vond het niet relevant dat ook de andere (volwassen) dochter van klaagster haar vader al acht jaar niet wil zien.

3.3 Beklaagde chanteerde klaagster door te dreigen met drastische stappen als klaagster niet akkoord zou gaan met opvoedkundige hulp.

3.4 Beklaagde dwingt A. om haar vader te bezoeken terwijl A. dit niet wil.

3.5 Beklaagde heeft een ‘speciale’ omgang met dhr. X.

4 Het verweer

Beklaagde voert het volgende aan.

Beklaagde heeft in het gesprek van 16 april 2015 alleen maar gesproken over de rechten van dhr. X.

4.1 De rechten van dhr. X. zijn ter sprake gekomen maar hebben maar een klein onderdeel van het gesprek uitgemaakt. Beklaagde heeft de informatie toegelicht die Veilig Thuis over de positie van dhr. X. aan klaagster heeft gegeven. Zij heeft verteld dat ook een vader zonder gezag het recht en de plicht heeft om omgang te hebben met zijn kind. Zij heeft het belang benadrukt van contact tussen A. en haar vader. Beklaagde heeft aangegeven dat zij ten aanzien van de opvattingen van ouders over contact van A. met haar vader beoogt om een neutrale positie in te nemen.
In het gesprek is aan bod gekomen het werk van klaagster, het incident dat leidde tot de melding, de impact op A. van dit incident en van andere incidenten tussen ouders, de wijze waarop klaagster zich uitlaat over dhr. X. tegenover A., hoe A. volgens klaagster aankijkt tegen contact met haar vader en de impact die het heeft op A. dat zij geen contact heeft met haar vader.
Beklaagde heeft gevraagd hoe het met A. ging volgens klaagster en zij heeft gevraagd welke oplossing klaagster zag voor de situatie.

Beklaagde heeft gegevens die niet kloppen en vond het niet relevant dat ook de andere (volwassen) dochter van klaagster haar vader al acht jaar niet wil zien.

4.2 Beklaagde heeft met klaagster de van de huisarts en van de school verkregen informatie besproken. Beklaagde heeft klaagster gezegd dat zij de opmerkingen die klaagster maakte over de informatie van de huisarts in het dossier zou opnemen. Dit heeft beklaagde ook gedaan.
Beklaagde heeft klaagster verteld dat de melding betrekking heeft op de escalatie tussen klaagster en dhr. X. en dat het onderzoek zich daarom in eerste instantie op de relatie van klaagster en dhr. X. richt en niet op de relatie van dhr. X. en zijn andere dochter. Daarmee heeft beklaagde de informatie niet als niet relevant bestempeld. Op het moment van het gesprek was er bovendien geen nadere informatie omdat klaagster niet aangaf om welke reden er geen contact is tussen vader en de andere dochter. Beklaagde heeft zich in het gesprek daarom gericht op de zorgen die er over de situatie van A. door Veilig Thuis werden gemeld.

Beklaagde chanteerde klaagster door te dreigen met drastische stappen als klaagster niet akkoord zou gaan met opvoedkundige hulp.

4.3 Klaagster wil dat het dossier wordt gesloten. Tijdens het onderzoek heeft er een aantal overleggen plaatsgevonden met de gedragswetenschapper van Veilig Thuis. Veilig Thuis is van mening dat er zorgen zijn met betrekking tot A. en dat hulp noodzakelijk is. Veilig Thuis schat in dat bij uitblijven van hulp de veiligheid van A. in het geding komt. Beklaagde heeft met klaagster besproken dat Veilig Thuis de situatie gezien de verschillende risicofactoren onvoldoende vond om af te kunnen sluiten en dat, als ouders niet met hulpverlening akkoord zouden gaan, er dan door Veilig Thuis geen andere mogelijkheid werd gezien om te overleggen met de Raad voor de Kinderbescherming. Beklaagde beoogde aldus transparantie te bieden over het proces.
Beklaagde en klaagster hebben afgesproken dat klaagster op 20 april 2015, enkele dagen na het gesprek, zou laten weten wel of niet akkoord te gaan met hulpverlening.
Op 21 april 2015 heeft beklaagde contact met klaagster gezocht omdat klaagster nog geen contact met beklaagde had opgenomen.

Beklaagde dwingt A. om haar vader te bezoeken terwijl A. dit niet wil.

4.4 Aan klaagster is verteld dat het resultaat van het inzetten van de hulp niet zou zijn dat A. op bezoek zou moeten bij dhr. X. maar om er voor te zorgen dat A. zich goed kan ontwikkelen en duidelijkheid krijgt over het wel of niet hebben van contact met haar vader en als dat er zou komen hoe het er uit zou zien. Dat A. op bezoek zou moeten bij haar vader is niet aan de orde geweest.

Beklaagde heeft een ‘speciale’ omgang met dhr. X.

4.5 Beklaagde heeft klaagster en dhr. X. gelijkwaardig behandeld en zij is in het contact met hen beiden neutraal geweest. Veilig Thuis stelt het doel, zoals opgenomen in art. 1A van de Beroepscode van de Jeugdzorgwerker, om de jeugdige tot zijn recht te laten komen voorop en beklaagde heeft vanuit dat doel gehandeld.

Ter zitting verklaart beklaagde dat zij zich kan voorstellen dat klaagster zich in een hoek gedrukt voelde maar dat beklaagde en Veilig Thuis zich zorgen maakten over de veiligheid van A. Deze zorgen namen in de periode dat beklaagde betrokken was niet af. Het dossier sluiten, zoals klaagster wilde, vonden beklaagde en Veilig Thuis geen optie. Zij vonden, in het belang van A., inzetten van hulpverlening in het gezin noodzakelijk. Dit heeft beklaagde aan klaagster geprobeerd uit te leggen.
Beklaagde onderkent, enerzijds, gezien ook de gegrondverklaring van het klachtonderdeel met vergelijkbare grief in de klachtprocedure bij BJz[…], dat het beter zou zijn geweest om klaagster niet in een en het zelfde gesprek hulpverlening te adviseren én een raadsonderzoek voor te houden als klaagster de hulp niet zou accepteren. Beklaagde meent anderzijds dat het onvoldoende duidelijk voor klaagster zou zijn geweest als zij deze boodschap in twee instanties zou hebben gegeven. Klaagster had in het gesprek van 12/01/15 immers al gezegd dat hulp niet nodig was. Beklaagde heeft in het eerste contact met klaagster uitgelegd wat Veilig Thuis is, welke taken het heeft, welke werkwijze ouders kunnen verwachten en welke besluiten kunnen worden genomen.
Op de vraag hoe beklaagde heeft getoetst of deze informatie bij klaagster doordrong, verklaart beklaagde dat zij klaagster heeft gezegd dat haar verhaal ook belangrijk was en heeft zij klaagster haar woord laten doen.
Op 12/01/15 heeft beklaagde met A. gesproken en kort met klaagster. Klaagster vond verdere gesprekken van beklaagde met A. niet nodig. Beklaagde heeft gezegd dat zij meer gesprekken met A. wél nodig vond. Op de vraag of zij dit schriftelijk aan klaagster heeft bevestigd en toegelicht, antwoordt beklaagde dat zij dat niet heeft gedaan. Zij heeft aan klaagster gezegd dat, als de informatie compleet was en er intern overleg zou zijn geweest, er teruggekoppeld zou worden aan klaagster. Beklaagde had het idee dat klaagster deze informatie weliswaar begreep maar ook de mening had gevormd dat A. geen contact met haar vader moest hebben.
Op de vraag wat beklaagde hiermee heeft gedaan, antwoordt beklaagde dat zij over dit standpunt van klaagster met haar heeft gesproken op 16/04/15. Zij heeft toen niet gezegd dat er omgang tussen A. en haar vader moest zijn. Zij heeft wel gezegd dat de veiligheid van A. gewaarborgd moest zijn.
Op de vraag wat klaagster bewogen kan hebben om op de dag van het gesprek nog een klacht in te dienen bij dit College antwoordt beklaagde dat zij veronderstelt dat klaagster verlies van controle als opvoeder ervoer.
Op de vraag wat beklaagde inzet om een ouder in zo’n situatie te overtuigen antwoordt beklaagde dat zij heeft benoemd dat er concrete zorgen zijn en dat Veilig Thuis en zij in het belang van de veiligheid van A. moeten handelen. In dit gesprek is bij beklaagde het inzicht gekomen dat klaagster waarschijnlijk niet zou meewerken aan de doelen van Veilig Thuis. Zij heeft met de gedragswetenschapper van BJz[…] overlegd en met deze besloten dat zij in het gesprek van 16/04/15 de bemoeienis van de Raad voor de Kinderbescherming zou voorhouden aan klaagster. Zij heeft klaagster een aantal dagen tijd gegeven om tot een besluit te komen en zij heeft klaagster zelf gebeld omdat klaagster op de afgesproken dag – 20/04/15 – niet had gebeld naar beklaagde.
Nadat klaagster haar klacht had ingediend heeft beklaagde contact met klaagster opgenomen om te onderzoeken of bemiddeling mogelijk was. Klaagster wilde echter geen contact. Zij had geen vertrouwen in bemiddeling.
Op de vraag hoe beklaagde heeft geprobeerd om klaagster te overtuigen van het gezamenlijke belang van de veiligheid van A. antwoordt beklaagde dat klaagster daarover niets heeft aangegeven. Beklaagde heeft gezocht naar gemeenschappelijkheid maar toen klaagster eenmaal het besluit had genomen dat hulpverlening niet nodig was en dat contact tussen A. en haar vader niet wenselijk was – terwijl A. tegen Veilig Thuis had gezegd wél contact met haar vader te willen hebben – werd het vinden van die gemeenschappelijkheid wel heel moeilijk.
Beklaagde vond het moeilijk om met klaagster te spreken over het door de huisarts gestelde beneden gemiddeld verstandelijk vermogen van klaagster. In een volgend geval zal beklaagde aan de huisarts die een dergelijke bevinding geeft een toelichting vragen.
Beklaagde heeft regelmatig bij klaagster getoetst of zij de informatie begreep en er mee kon instemmen. Beklaagde heeft ervaren dat klaagster eerst het een zei, en later het ander. Als beklaagde dus uitging van begrip en toestemming op een bepaald punt, werd dat later door klaagster weer tegengesproken.
Klaagster meende dat A. het meest veilig was bij klaagster. Beklaagde en Veilig Thuis zijn van mening dat de veiligheid van A. onvoldoende gewaarborgd is bij klaagster. Beklaagde heeft daarom op 16/04/15 aan klaagster voorgehouden dat opvoedondersteuning noodzakelijk is. Zij heeft verteld dat er dan iemand meerdere keren bij klaagster en A. thuis zou komen en dat dit geen gezinsvoogdij is. Zij heeft geprobeerd aan klaagster uit te leggen dat de opvoedondersteuning zou plaatsvinden in het kader van huiselijk geweld en de rol van beide ouders daarbij.
Beklaagde stelt vast dat zij een en ander niet heeft kunnen overbrengen aan klaagster.

5 De beoordeling van de klachten

Het College wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van het professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening rekening houdend met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Het College overweegt met betrekking tot de klachtonderdelen als volgt.

5.1 Beklaagde heeft in het gesprek van 16 april 2015 alleen maar gesproken over de rechten van dhr. X.

Het College stelt vast dat beklaagde dit klachtonderdeel gemotiveerd weerlegt. Beklaagde heeft blijkens het verweerschrift gesproken over de informatie die was verkregen van school en van de huisarts, over haar contact met de juridische helpdesk van BJz[…], over de doelen van Veilig Thuis en over het recht en de plicht van de vader van A. om met A. omgang te hebben. Volgens beklaagde hebben de rechten van de vader van A. een klein deel uitgemaakt van het gesprek.
Het College ziet geen feiten of omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat het in het gesprek alleen maar over de rechten van de vader van A. is gegaan.
Klachtonderdeel I beoordeelt het College derhalve als ongegrond.

5.2 Beklaagde heeft gegevens die niet kloppen en vond het niet relevant dat ook de andere (volwassen) dochter van klaagster haar vader al acht jaar niet wil zien.
Het College stelt vast dat beklaagde de opmerkingen die klaagster in het dossier opgenomen wilde zien aan het dossier heeft toegevoegd.
Het College stelt vast dat beklaagde de grief, inhoudende dat zij de relatie van klaagsters andere dochter met de vader van A. niet relevant vond, gemotiveerd weerlegt. Beklaagde heeft aan klaagster uitgelegd dat de veiligheid van A. in de relatie met haar vader het onderwerp van zorg voor Veilig Thuis is en niet de kwaliteit van de relatie van de andere dochter van klaagster met haar vader.
Klachtonderdeel II beoordeelt het College derhalve als ongegrond.

5.3 Beklaagde chanteerde klaagster door te dreigen met drastische stappen als klaagster niet akkoord zou gaan met opvoedkundige hulp.
Het College overweegt dat een jeugdprofessional dient te reflecteren op de vaardigheden van haar cliënt en op haar eigen vaardigheden opdat samenwerking zo goed mogelijk tot stand komt.
Het College stelt het volgende vast.
Uit de opgave van data waarop beklaagde met klaagster contact heeft gehad blijkt dat beklaagde informatie heeft verzameld en dat zij een en ander heeft besproken met de gedragswetenschapper van Veilig Thuis. Niet blijkt daaruit dat zij klaagster in de verschillende fases van afweging en besluitvorming heeft betrokken. Evenmin blijkt daaruit dat zij in haar eerste gesprek met klaagster heeft uitgelegd hoe het traject vanuit Veilig Thuis er uit zou zien en wat in het uiterste geval de consequenties zouden kunnen zijn.
Beklaagde heeft aan klaagster niet duidelijk kunnen maken dat Veilig Thuis zowel voor het belang van de jeugdige staat als voor dat van diens ouders.
Het College overweegt dat beklaagde nadrukkelijker, bijvoorbeeld schriftelijk, en tussentijds, had moeten vastleggen en jegens klaagster had moeten bevestigen wat met klaagster was besproken en afgesproken. In het geval van klaagster klemt dit temeer, nu beklaagde op grond van informatie van de huisarts er rekening mee diende te houden dat beklaagde meer dan gemiddeld moeite zou kunnen hebben met het verwerken van aangeboden informatie.
Het College stelt vast dat beklaagde ter zitting onvoldoende blijk heeft gegeven van reflectie op haar aandeel in de werkrelatie met klaagster.
Het College stelt vast dat beklaagde desgevraagd ter zitting niet tot uitdrukking heeft kunnen brengen op welke wijzen zij heeft geprobeerd te bewerkstelligen dat er tussen haar en het gezin een meerzijdig partijdige werkrelatie tot stand zou komen.
Klachtonderdeel III, opgevat als hiervoor beschreven, beoordeelt het College derhalve als gegrond.

5.4 Beklaagde dwingt A. om haar vader te bezoeken terwijl A. dit niet wil.
Het College stelt vast dat beklaagde op dit onderdeel gemotiveerd verweer voert. Het College stelt vast dat beklaagde aan klaagster heeft uitgelegd wat de juridische positie van een vader zonder gezag is als het gaat om omgang met zijn kind.
Klachtonderdeel IV beoordeelt het College derhalve als ongegrond.

5.5 Beklaagde heeft een ‘speciale’ omgang met dhr. X.
Het College stelt vast dat beklaagde dit onderdeel niet onderbouwt. Het College ziet overigens geen feiten of omstandigheden op grond waarvan het moet oordelen dat beklaagde zich jegens dhr. X. niet neutraal of partijdig opstelde.
Klachtonderdeel V beoordeelt het College derhalve als ongegrond.

Samenvattend overweegt het College als volgt.
Het College stelt vast dat beklaagde op de hiervoor besproken punten in klachtonderdeel III tekort is geschoten en dat klaagster ervoor heeft gekozen haar klacht niet toe te lichten.
Omdat het College door die omstandigheid de gevolgen van de schending van de norm niet voldoende heeft kunnen wegen ziet het College af van het opleggen van een maatregel.

6 Uitspraak

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende uitspraak.

Het College verklaart klachtonderdeel I, II, IV en V ongegrond.
Het College verklaart klachtonderdeel III gegrond, zonder oplegging van een maatregel.

Aldus gedaan de 25ste januari 2016 door het College van Toezicht.

Mevrouw mr. E. M. Jacquemijns, voorzitter

Mevrouw mr. N. Jacobs, secretaris