Maak een selectie

502 van 502

   

De jeugdprofessional is er niet in geslaagd om te leren van complexe en moeilijke zaken waarin haar handelen en neutraliteit op de proef worden gesteld.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en geoordeeld in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E. Jacquemijns, voorzitter
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S. Ephraïm, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde.

Als gemachtigde van klaagster is opgetreden mr. C.A.M.J.M. Joosten.

Als gemachtigde van beklaagde is opgetreden mr. P.S. Ling.

1 Het verloop van de procedure

Op 23 maart 2015 heeft het College een klachtschrift d.d. 23 maart 2015 ontvangen.
Per brief d.d. 3 april 2015 wordt aan beklaagde verweer gevraagd. Op 24 april 2015 heeft het College het verweerschrift d.d. 24 april 2015 ontvangen. Klaagster heeft een afschrift ontvangen.

Klaagster heeft op 13 mei 2015 haar klacht aangevuld. Het College heeft op 30 juni 2015 beklaagde in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken op de aanvulling te reageren. Beklaagde heeft op 2 juli 2015 te kennen gegeven geen gebruik te maken van de mogelijkheid om schriftelijk te reageren op de aanvulling van de klacht.

Het College besluit dat het wenselijk is om partijen in zitting bijeen te horen en verzoekt partijen om op 18 september 2015 daartoe te verschijnen.
De hoorzitting vindt plaats in aanwezigheid van klaagster en diens gemachtigde en beklaagde en diens gemachtigde. De heer [naam], broer van klaagster, is toehoorder.

Het College heeft in het raadkameroverleg aansluitend aan de hoorzitting een beslissing genomen.

2 De ontvankelijkheid van de klacht en de bevoegdheid van het College

Het College stelt vast dat het onderhavige klachtschrift voldoet aan de vereisten gesteld door art. 10 lid 1 sub a en lid 4, art. 11 en art. 12 van het Tuchtreglement. Beklaagde is geregistreerd sinds [datum] 2013. Het klachtschrift is derhalve ontvankelijk.

3 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Uit het huwelijk van klaagster en haar echtgenoot is zoon [zoon] geboren. De ouders zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag. [zoon] is sinds 2011 onder toezicht gesteld en sinds december 2013 is [zoon] uit huis geplaatst. De gezinsvoogdij voor [zoon] wordt namens [gecertificeerde instelling], hierna te noemen: de GI, uitgevoerd door beklaagde.

4 De klachten

Klaagster verwijt beklaagde samengevat het volgende.

1

Klaagster heeft ernstige bezwaren tegen de uithuisplaatsing van [zoon]. Deze uithuisplaatsing is in strijd met de zwaarwegende belangen van [zoon] die veel verdriet heeft van de uithuisplaatsing. Klaagster ervaart het contact tussen haar en beklaagde als belastend.
Het College van Toezicht van de NVMW heeft op 4 maart 2015 uitspraak gedaan en daarbij twee van de vier klachten gegrond verklaard en een maatregel van waarschuwing opgelegd.
Na de uitspraak van het College van de NVMW heeft beklaagde geen contact opgenomen met klaagster.

2

De uitspraak van het College van de NVMW was nog geen twee weken oud toen op 18 maart 2015 de verlengingszitting onder toezichtstelling en uithuisplaatsing plaatsvond. Beklaagde maakte opnieuw pas op de zitting melding van een voorval van vermeend seksueel grensoverschrijdend gedrag van [zoon]. Dit voorval is niet met klaagster besproken, wel met vader en het is niet geverifieerd. Beklaagde handelt opnieuw in strijd met artikel G, K en J van de Beroepscode voor Jeugdzorgwerker.
Beklaagde koppelt tijdens de zitting van 18 maart 2015 wederom vermeend seksueel grensoverschrijdend gedrag van [zoon] aan de inwonende broer van klaagster.
Beklaagde zegt letterlijk dat de broer van klaagster homo en travestiet is en dat het van algemene bekendheid is dat travestieten meer met seks bezig zijn en dat beklaagde dit heeft besproken met de gedragsdeskundige. De rechter maant beklaagde op te houden en verwijst naar de uitspraak van het College van de NVMW.
Beklaagde trekt zich niets aan van de uitspraak van het College van Toezicht van de NVMW. Beklaagde is niet leerbaar en is niet van plan om klaagster met respect en neutraal te bejegenen.

3

Beklaagde geeft te kennen dat mevrouw [naam] van Veilig Thuis […] contact met klaagster had moeten opnemen. Klaagster is echter van mening dat beklaagde een vermoeden van seksuele kindermishandeling met beide ouders dient te bespreken. Het College van Toezicht van NVMW heeft hier op gewezen. Beklaagde trekt zich niets aan van deze uitspraak.

4

Beklaagde laat [zoon] geen kind zijn en betrekt hem bij hetgeen er tussen de ouders en de GI speelt.

5 Het verweer

1

Beklaagde merkt op dat het contact tussen beklaagde en klaagster vanaf het begin (juli 2011) al moeizaam verloopt. Er is discussie geweest over de omgang van [zoon] met vader. De GI stelt [zoon] centraal. Vanuit [zoon] wordt bekeken wat [zoon] nodig heeft. Veranderingen in het belang van [zoon] worden door klaagster niet tot nauwelijks geaccepteerd. Dit levert strijd op. Rechters hebben hier al vaak overwegingen aan gewijd in hun beschikkingen. De oorzaak van het moeizame contact tussen beklaagde en klaagster ligt naar de mening van beklaagde dan ook voor een groot deel bij klaagster.
De beslissing om [zoon] uit huis te plaatsen is genomen door een rechter en is meermalen opnieuw voorgelegd aan een rechter. Beklaagde voert de kinderbeschermingsmaatregel ‘slechts’ uit en overlegt hierover regelmatig met haar teamleider en een gedragsdeskundige.
Klaagster stelt dat [zoon] veel verdriet heeft van de uithuisplaatsing. [zoon] laat echter positieve ontwikkelingen zien op alle levensgebieden. [zoon] laat alleen verdriet bij klaagster zien. Het verdriet van klaagster werkt door op [zoon]. Klaagster helpt [zoon] door achter de uithuisplaatsing van [zoon] te staan.

Beklaagde is tegen de uitspraak van het College van de NVMW in beroep gegaan. De uitspraak van het College van Toezicht van de NVMW is nog niet onherroepelijk.
Het is juist dat beklaagde na de uitspraak van 4 maart 2015 geen contact op heeft genomen met klaagster. In deze maand was beklaagde veel afwezig. Op 27 februari 2015 heeft beklaagde ouders een email gestuurd waarin beklaagde de stand van zaken beschrijft rondom de certificering volgens de nieuwe Jeugdwet. Per 1 april 2015 lopen de contacten met beide ouders via de gezinsvoogd van de [naam gecertificeerde instelling] (naam). Op termijn wordt de casus overgedragen naar de GI. Beklaagde fungeert nu als informant.

Beklaagde heeft daarnaast met klaagster per email contact gehad over de onderlinge communicatie. Klaagster wilde het gesprek met beklaagde aangaan na de uitspraak van het College van Toezicht van NVMW. Het geplande overleg op 14 april 2015 is afgezegd door klaagster.

2

Beklaagde weet niet meer wat er letterlijk is gezegd op de zitting. In de herinnering van beklaagde heeft zij enkele nieuwe ontwikkelingen rondom [zoon] benoemd waaronder het vermeende incident met zijn halfzusje en dat beklaagde het vermoeden heeft dat dit gedrag van thuis afkomt.
Beklaagde benadrukt dat dit slechts één aspect van haar vermoeden betreft en licht toe waarom zij vermoedt dat de broer van moeder homoseksueel en travestiet is.
Volgens vader heeft de broer van moeder in het verleden bij de Gay-krant gewerkt. [zoon] heeft in 2012 tegen beklaagde een opmerking gemaakt over een optreden van zijn oom in [land]. Beklaagde heeft op internet gezien dat de oom in 2009 heeft opgetreden in twee travestietenacts in [land]. Beklaagde heeft dit als kennisgeving aangenomen. Het is niet aan haar om daar een waardeoordeel over te vellen. Toen [zoon] meer grensoverschrijdend gedrag vertoonde heeft beklaagde dit als een van de mogelijke oorzaken opgenomen waarbij beklaagde duidelijk heeft aangegeven dat een en ander verder onderzocht moest worden. De instantie hiervoor is instelling [instelling].
Beklaagde wil niet iemand een verwijt maken maar hoopt dat [zoon] met deze kennis beter gecorrigeerd kan worden in zijn gedrag. Het spijt beklaagde dat klaagster en haar broer zich door de uiting van de vermoedens van beklaagde gekwetst voelen. Dit is nooit de intentie van beklaagde geweest.

3

Beklaagde vindt het spijtig dat klaagster niets vernam over de zorgmelding voorafgaand aan de zitting. Als niet was toegezegd door Veilig Thuis dat zij dit met klaagster zou bespreken dan had beklaagde dit uiteraard zelf voorafgaand aan de zitting gedaan. Veilig Thuis heeft klaagster niet geïnformeerd en zegde toe een excuusbrief aan klaagster te sturen.

4

Op 12 maart 2015 hebben de leerkracht van [zoon] en beklaagde telefonisch contact gehad over de uitlatingen van [zoon]. Beklaagde heeft de leerkracht bericht dat zij met [zoon] zou praten om onduidelijkheden bij hem weg te nemen. Beklaagde heeft contact opgenomen met de groepsleiding en heeft afgesproken om de vragen van [zoon] telefonisch te beantwoorden. Beklaagde had op korte termijn geen mogelijkheid om [zoon] te bezoeken bij de zorginstelling. De groepsleidster is bij het telefoongesprek gebleven zodat zij kon inschatten of [zoon] de uitleg van beklaagde daadwerkelijk begreep. De groepsleidster heeft bevestigd dat dit het geval is. Daarna heeft beklaagde op een volwassen toon het telefoongesprek van beklaagde met [zoon] aan beide ouders per email teruggekoppeld.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Overwegingen van het College
Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College wijst er voorts op dat het geen waarheidsvinding bedrijft. Als bij een klachtonderdeel de feitelijke gang van zaken in redelijkheid niet kan worden vastgesteld kan het College geen inhoudelijk oordeel geven en zal het College het klachtonderdeel ongegrond verklaren.

Het College gaat bij de tuchtrechtelijke toetsing van het handelen van beklaagde uit van de volgende feiten: de uitspraak van het College van Toezicht van het NVMW d.d. 4 maart 2015, de uitspraak van het College van Beroep d.d. 16 juli 2015, de klacht- en het verweerschrift en hetgeen besproken is tijdens de mondelinge behandeling ter zitting.

Het College merkt op dat bij het beoordelen van het handelen van beklaagde een onderscheid is tussen het zorgdragen voor het belang van [zoon] en de manier waarop beklaagde omgaat met klaagster.
Het College constateert dat de klacht van klaagster betrekking heeft op de communicatie van beklaagde met klaagster. De volgende artikelen uit de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker spelen hierbij een rol: respect (artikel E) , voorzien van informatie (artikel F) en reflectie (artikel S).

Klaagster en beklaagde geven beiden aan dat het contact moeizaam is. Beklaagde schrijft in haar verweer dat het moeizame contact voor een groot deel bij klaagster ligt.
Het College is van oordeel dat het werk van beklaagde met zich meebrengt dat beklaagde te maken krijgt met ingewikkelde situaties en moeilijke vragen. Het getuigt van professionaliteit van beklaagde om daar goed mee om te gaan.

Beklaagde schrijft in haar verweer dat zij tegen de uitspraak van het College van NVMW d.d. 4 maart 2015 in beroep is gegaan en dat deze uitspraak nog niet onherroepelijk was. Het College is echter van oordeel dat een zitting bij een tuchtcollege bij een beklaagde tot reflectie moet leiden. Wanneer vervolgens in eerste aanleg door het College een waarschuwing wordt opgelegd, wordt beklaagde (professioneel gezien) geacht in staat te zijn te kunnen reflecteren volgens artikel S uit de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Deze norm heeft betrekking op collegiale toetsing en beroepsethische reflectie.

Beklaagde had zichzelf op basis van deze norm na de uitspraak van het College van NVMW meteen de vraag moeten stellen hoe zij omgaat met deze waarschuwing en hoe zij dit bespreekbaar kan maken bij de eigen organisatie.
Het doel van een tuchtrechtelijke waarschuwing is immers reflecteren op het eigen beroepsmatig handelen en de gevolgen van dat handelen in ogenschouw nemen.
Beklaagde gaat door het noemen van een beroepsmogelijkheid willens en wetens voorbij aan het leereffect van de uitspraak van het College van Toezicht van de NVMW.

1

Met betrekking tot het eerste klachtonderdeel.
De klacht in dit onderdeel luidt kort samengevat dat beklaagde na de uitspraak van het College van de NVMW geen contact met klaagster heeft opgenomen.

Het College stelt het volgende vast.
Beklaagde erkent dat zij na de uitspraak van het College van de NVMW geen contact heeft opgenomen met klaagster. Beklaagde heeft uitgelegd dat persoonlijke omstandigheden en vakantie hiervan de oorzaak waren. Daarnaast is er een tijdelijke overdracht geweest van haar werkzaamheden van 1 januari 2015 tot en met 1 april 2015 van [de GI] naar (naam gecertificeerde instelling).

Het College stelt vast dat er een ongelukkige samenloop van omstandigheden is geweest in de maand maart 2015. Het College stelt vast dat beklaagde op 30 januari 2015 klaagster een email heeft gestuurd met een uitnodiging voor een gesprek over de communicatie van beklaagde naar klaagster. Klaagster heeft in een email van 2 februari 2015 te kennen gegeven dat zij eerst de uitspraak van het College van de NVMW af wilde wachten.

Uit de stukken en mondelinge behandeling ter zitting is het College echter niet gebleken dat beklaagde zich na de email van 30 januari 2015 actief heeft ingespannen om een gesprek met klaagster aan te gaan.

Het College is van oordeel dat beklaagde in het licht van de collegiale toetsing en beroepsethische reflectie contact had moeten leggen met klaagster. Het College realiseert zich dat beklaagde in de maand maart 2015 door omstandigheden weinig op kantoor was. Het College onderkent ook dat de zaak tussen 1 januari 2015 en 1 april 2015 is overgedragen aan de (naam gecertificeerde instelling). Dit is echter een tijdelijke overdracht geweest waarbij beklaagde als informant was betrokken. Dit had beklaagde er niet van moeten weerhouden om contact met klaagster te leggen in het licht van de waarschuwing die het College van de NVMW op 4 maart 2015 heeft opgelegd. Na overdracht van de (naam gecertificeerde instelling) aan de GI heeft beklaagde de zaak aan collega’s overgedragen. Het College oordeelt dat deze overdracht eveneens voor beklaagde een moment had moeten zijn om met klaagster een gesprek aan te gaan over de onderlinge communicatie.

Het College overweegt dat een enkele email van beklaagde aan klaagster over de wijze van communiceren niet getuigt van reflectief handelen van beklaagde in haar relatie tot klaagster. Ook in het verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling ter zitting heeft het College geen reflectie bij beklaagde waargenomen.

Het College stelt vast dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld en dat dit handelen in strijd is met artikel S uit de Beroepscode.
Het klachtonderdeel is gegrond.

2

Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel.
De klacht in dit onderdeel luidt samengevat dat beklaagde tijdens de zitting van 18 maart 2015 vermeend seksueel grensoverschrijdend gedrag van [zoon] koppelt aan de inwonende broer van klaagster.

Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling ter zitting te kennen gegeven dat zij het spijtig vindt dat de uitlatingen van beklaagde tijdens de zitting van de rechtbank op 18 maart 2015 een grote impact hadden op klaagster. Beklaagde stelt dat tijdens de mondelinge behandeling beklaagde is gevraagd naar de vermoedens van beklaagde. Beklaagde stelt zich op het standpunt dat deze uitlatingen worden uitvergroot door klaagster.
Het College daarentegen is van oordeel dat beklaagde zelf de nadruk heeft gelegd op de gedane uitlatingen door deze tijdens de zitting van de rechtbank te noemen.

Het College stelt vast dat beklaagde had moeten weten, gezien de uitspraak van het College van de NVMW, dat beklaagde deze uitlatingen niet opnieuw had mogen doen. Beklaagde schendt artikel E uit de Beroepscode: het respect dat klaagster binnen de grenzen van de wet eigen keuzes maakt in de opvoeding en ontwikkeling van [zoon].

Tijdens de zitting is onweersproken en niet weerlegd dat geen verder onderzoek naar het vermeende seksueel grensoverschrijdend gedrag van [zoon] is gedaan. Het College rekent het beklaagde aan dat vermoedens jegens de oom van [zoon] in de rapportages en processtukken blijven staan. Zowel het College van Toezicht van de NVMW als het College van Beroep hebben in hun overwegingen opgenomen dat de uitspraken en belevingen niet of onvoldoende zijn onderbouwd met feiten en objectiveerbare gronden.

Het College stelt vervolgens op basis van de mondelinge behandeling en de stukken vast dat beklaagde heeft gemerkt dat haar uitingen op 18 maart 2015 klaagster hebben aangegrepen. In het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank leest het College dat de zitting is geschorst en dat de rechter beklaagde heeft aangesproken op haar uitlatingen en heeft verwezen naar de uitspraak van het College van NVMW.
Het College van Beroep heeft de waarschuwing gehandhaafd in de uitspraak van 16 juli 2015. Het College van Beroep schrijft in deze uitspraak onder meer dat ‘in rapportages en processtukken van de stichting het vermoeden jegens de oom van [zoon] toch een eigen leven gaat leiden, waarbij het gevaar bestaat dat gemakkelijk wordt aangenomen dat de oom wel degene zal zijn die oorzaak is van het vermeende seksueel grensoverschrijdende gedrag van [zoon].’

Het College heeft beklaagde gevraagd wat de gevolgen zijn van de uitspraak van het College van Beroep op het handelen van beklaagde.
Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling enkel te kennen gegeven dat beklaagde onzeker is geworden. Het College is van oordeel dat collegiale toetsing en beroepsethische reflectie ook van belang zijn wanneer er sprake is van onzekerheid in het beroepsmatig handelen naar aanleiding van een uitspraak van een tuchtcollege.
Beklaagde heeft spijt betuigd tijdens de mondelinge behandeling en in het verweerschrift. Het College heeft echter niet vastgesteld dat beklaagde heeft gereflecteerd op haar handelen.

Het College is van oordeel dat beklaagde geen blijk heeft gegeven van reflectie in de zin van artikel S.

Het College oordeelt dat onder deze gegeven omstandigheden beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Het klachtonderdeel is derhalve gegrond.

3

Met betrekking tot het derde klachtonderdeel.
De klacht in dit onderdeel luidt samengevat dat beklaagde klaagster niet op de hoogte heeft gebracht van de zorgmelding voor de zitting van 18 maart 2015.

Het College is van oordeel dat beklaagde in het licht van een zorgvuldige informatievoorziening en de uitspraak van het College van de NVMW, had moeten nagaan of Veilig Thuis klaagster had ingelicht over de zorgmelding.
Beklaagde heeft niet aangetoond dat zij er alles aan gedaan heeft om klaagster te informeren.

Het College stelt vast dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met artikel F uit de Beroepscode. Het klachtonderdeel is gegrond.

4

Met betrekking tot het vierde klachtonderdeel.
De klacht in dit onderdeel luidt samengevat dat beklaagde [zoon] geen kind laat zijn.

Het College kan op basis van de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting in redelijkheid niet vaststellen hoe het telefoongesprek tussen beklaagde en R. is verlopen. Het College kan met betrekking tot dit klachtonderdeel dan ook geen inhoudelijk oordeel geven.

Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Conclusie

Het College stelt vast dat beklaagde er niet in is geslaagd om te leren van complexe en moeilijke zaken waarin het handelen en de neutraliteit van beklaagde op de proef gesteld wordt.

Het College legt, deze vaststelling en de gegrondverklaring van klachtonderdelen 1, 2 en 3 in overweging nemende, beklaagde een voorwaardelijke schorsing op.

Het College legt beklaagde ter voorkoming van een schorsing op om een LVSC gecertificeerd supervisietraject te volgen met de onderwerpen ‘reflectief handelen’ en ‘omgang met cliënten’.
De schorsing treedt in werking wanneer beklaagde nalaat om aan het bestuur van SKJ binnen zes maanden na de datum van de uitspraak een LVSC gecertificeerd bewijs van deelname te overleggen.

Het College oordeelt dat wenselijk is dat de voorwaardelijke schorsing met een uitvoering bij voorraad wordt opgelegd. Beklaagde heeft immers verwijtbaar gehandeld en het kan de kwaliteit van het handelen van beklaagde bevorderen indien direct tot uitvoering wordt overgegaan.

Het College doet de GI de aanbeveling om zorg te dragen voor een onbevooroordeelde en professionele opvolging van deze casus.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft het College partijen in overweging gegeven om met elkaar om te tafel te zitten en alsnog het gesprek aan te gaan over de communicatie.

7 Uitspraak

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende uitspraak.

Klachtonderdelen 1, 2 en 3 zijn gegrond, klachtonderdeel 4 is ongegrond.

De ernst van de feiten die ten grondslag liggen aan klachtonderdelen 1, 2 en 3 zijn zodanig en het handelen van beklaagde is zodanig verwijtbaar dat het College beklaagde conform artikel 3 lid 1 sub c van het Tuchtreglement een voorwaardelijke schorsing op legt. Deze schorsing treedt in werking gedurende de periode van één jaar wanneer beklaagde nalaat een supervisietraject te volgen en nalaat om binnen zes maanden na de datum van deze uitspraak een LVSC gecertificeerd bewijs van deelname te overleggen.

De opgelegde maatregel is uitvoerbaar bij voorraad. De maatregel zal worden gepubliceerd op een door het Bestuur te bepalen wijze en door toezending van de uitspraak aan de werkgever van beklaagde ter kennis worden gebracht.

Aldus gedaan de 18e september 2015 en door het College van Toezicht toegezonden op 12 november 2015.

Mevrouw mr. E. Jacquemijns, voorzitter

Mevrouw mr. A.C. Veerman, secretaris