Maak een selectie

502 van 502

   

Moeder van twee zonen, waarvan de oudste uit huis geplaatst is, en de jongste onder toezicht is gesteld, klaagt over twee gezinsvoogden wegens slechte samenwerking, slechte communicatie en gebrek aan vertrouwen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en geoordeeld in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. D.J. Markx, voorzitter,
mr. A.R.O. Mooy, lid-jurist,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S. Ephraim, lid-beroepsgenoot,
E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen:
[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde-a en [beklaagde]: hierna te noemen beklaagde-b.

Als gemachtigde van beklaagden is opgetreden mr. W. van Hulten.

1 Het verloop van de procedure

Op 2 april 2015 heeft het College het klachtschrift d.d. 2 april 2015 ontvangen. Per email d.d. 28 april 2015 is onderzocht of er een mogelijkheid bestaat tot bemiddeling. Op 27 mei 2015 hebben partijen bericht gekregen dat er geen bemiddelingsgesprek komt omdat partijen verschillende voorwaarden stellen aan een gesprek. Per email d.d. 4 juni 2015 wordt aan beklaagde-a en beklaagde-b verweer gevraagd. Op 24 juni 2015 heeft het College het verweerschrift d.d. 22 juni 2015 ontvangen. Klaagster ontvangt een afschrift. Het College besluit dat het wenselijk is om partijen in zitting bijeen te horen en verzoekt partijen om op 25 augustus 2015 daartoe te verschijnen. De hoorzitting vindt plaats in aanwezigheid van partijen. De vertrouwenspersoon van klaagster, de gemachtigde en de teamleider van beklaagde-a en beklaagde-b zijn als toehoorder aanwezig. Het College heeft in het raadkameroverleg aansluitend aan de hoorzitting een beslissing genomen.

2 De ontvankelijkheid van de klacht

Het College stelt vast dat het onderhavige klachtschrift voldoet aan de vereisten gesteld door art. 10 lid 1 sub a en lid 4, art. 11 en art. 12 van het Tuchtreglement. Beklaagde-a is geregistreerd sinds [datum] 2013. Beklaagde-b is sinds [datum] 2013 geregistreerd. Het klachtschrift is derhalve ontvankelijk.

3 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Klaagster heeft twee zonen. De viertienjarige zoon van klaagster, [oudste zoon], is onder toezicht gesteld en in januari 2015 uit huis geplaatst. De twaalfjarige zoon van klaagster, [jongste zoon] is onder toezicht gesteld. De gezinsvoogdij voor [oudste zoon] en [jongste zoon] wordt namens [gecertificeerde instelling] hierna te noemen: de GI, uitgevoerd door beklaagde-a en beklaagde-b. Beklaagde-a en -b zijn van oktober 2014 tot en met juni 2015 gezinsvoogden van [oudste zoon] en [jongste zoon].

4 De klachten

Klaagster verwijt beklaagde-a samengevat het volgende.

De teamleider weigert een andere gezinsvoogd in het gezin te zetten aangezien de GI intern al veel wisselingen heeft gehad in zeven maanden tijd.
Beklaagde-a weigert na een uithuisplaatsing (uhp) een onderzoek te starten naar de voorwaarden voor een terugplaatsing. Beklaagde-a bespreekt met de ouder die geen gezag heeft een traject terwijl klaagster als gezaghebbende ouder niet wordt geïnformeerd.

Beklaagde-a is intimiderend en bedreigend in haar houding naar [oudste zoon]. Beklaagde-a frustreert de samenwerking en alleen de beleving van beklaagde wordt gevolgd ook al is deze aantoonbaar niet waar. Beklaagde-a negeert de advocaat. Er is niemand die dit machtsmisbruik een halt toeroept. Beklaagde-a negeert alles inclusief de beschikking van de rechter. Beklaagde-a beroept zich op het recht om klaagster buiten spel te zetten sinds de uhp en de ondertoezichtstelling (ots). [oudste zoon] lijdt heel erg en mishandeling wordt getolereerd door beklaagde-a.

Klaagster verwijt beklaagde-b samengevat het volgende.

Na wisselingen vanuit de GI is beklaagde-b bij het gezin betrokken. Beklaagde-b doet er alles aan om het gezin van klaagster stuk te maken. De werkelijkheid en waarheid worden genegeerd. Klaagster kan aantonen dat haar beleving niet de werkelijkheid is die wordt genegeerd. Een onderzoek wordt gestart om [jongste zoon] uit huis te plaatsen. Alle hulp die klaagster zelfstandig aanvraagt wordt aan de kant geschoven. De rechter heeft in de beschikking ots opgenomen dat moet worden samengewerkt en dat er ondersteuning is in het vrijwillig kader. Beklaagde-b moet onderzoeken of dit kan. Een samenwerking met Beklaagde-b is niet mogelijk. Als klaagster iets zegt, wordt met een spoed-uhp gedreigd. [jongste zoon] is bang en getraumatiseerd.

Ter zitting heeft klaagster haar klacht verduidelijkt en toegespitst op het navolgende. Klaagster heeft geen vertrouwen in beklaagde-a en beklaagde-b. Daarnaast is klaagster van mening dat zij niet goed is geïnformeerd over de plaatsing van [oudste zoon] in instelling [instelling].

Klaagster heeft geen informatie gekregen over [oudste zoon] en beklaagde-a heeft geen contact met klaagster opgenomen. Afspraken over de samenwerking worden gemaakt en vervolgens niet nagekomen.

5 Het verweer

Beklaagde-a en -b voeren met betrekking tot de bovenbeschreven klacht kort samengevat het volgende aan.

Beklaagden voeren in gezamenlijkheid verweer. In deze casus hebben beklaagden voortdurend in gemeenschappelijkheid opgetreden. Voor het College van Toezicht is dit verweer te lezen als een identiek verweer van beklaagden.

Vanuit de GI is intern besloten dat er twee gezinsvoogden moesten worden aangesteld vanwege de complexe voorgeschiedenis met samenwerkingsproblemen tussen klaagster en hulpverlenings-en jeugdzorginstanties. Beklaagden ervaren deze vorm van samenwerking als heel prettig en een verrijking van de kwaliteit van hun werkzaamheden als gezinsvoogden.

De wisselingen vanuit de GI en het besluit om geen andere gezinsvoogd in te zetten zijn instellingsbesluiten. Deze besluiten hebben geen betrekking op het handelen van beklaagde-a en -b.

Het is lastig voor beklaagden om te reageren op de opmerking van klaagster dat de gezinsvoogd er alles aan doet om het gezin stuk te maken. Het is een subjectieve opmerking en beklaagden begrijpen niet goed wat klaagster hiermee bedoelt. Beklaagden hebben te allen tijde geprobeerd om met klaagster samen te werken. Er is meerdere malen met klaagster gesproken over wederzijdse verwachtingen. Beklaagden reageren op vragen van klaagster en nemen klaagster serieus door samen naar oplossingen te kijken. In samenspraak met klaagster is haar netwerk ingeschakeld bij spanningen thuis.

Beklaagden menen dat zij hebben gekeken naar het belang van [oudste zoon] en [jongste zoon]. Vanuit deze belangen zijn beslissingen genomen die een positieve ontwikkeling voor de kinderen bewerkstelligen. De beslissingen zijn door beklaagden in gezamenlijkheid met een gedragswetenschapper, hun werkbegeleider en andere collega’s, in multidisciplinair overleg genomen. Alle informatie die bekend is over de kinderen is aangedragen in deze casuïstiek, net als de beschikkingen van de rechtbank en de informatie van de Raad voor de Kinderbescherming. Ook de teamleider is nauw betrokken en inhoudelijk op de hoogte. Bovenstaande werkwijze is toegepast om beklaagden te toetsen op hun handelen. Beklaagden kunnen op deze wijze beslissingen nemen over [oudste zoon] en [jongste zoon]. Deze beslissingen zijn niet gebaseerd op belevingswerelden als individuen maar op afwegingen omtrent de belangen van de kinderen.

Beklaagden hebben op alle mogelijke manieren geprobeerd om zicht te krijgen op de thuissituatie. Klaagster geeft geen toestemming aan instanties om beklaagden informatie te geven over de thuissituatie van [oudste zoon] en [jongste zoon]. Daarnaast geeft klaagster geen toestemming aan beklaagden om gezamenlijk in gesprek te gaan met [jongste zoon]. Besloten is om een psychologisch onderzoek bij klaagster thuis te starten zodat er zicht komt op de ontwikkeling van [jongste zoon] en duidelijk wordt wat hij nodig heeft om zich optimaal te ontwikkelen. Dit onderzoek is noodzakelijk om uitvoering te geven aan de ots en is niet bedoeld om [jongste zoon] uit huis te plaatsen. Beklaagden verwijzen naar bijlage 1 bij het verweerschrift. Klaagster werkt niet mee aan dit psychologisch onderzoek waardoor het onderzoek niet is gestart.

Beklaagde-a en –b hebben hulp aan klaagster niet stopgezet of aan de kant geschoven. Beklaagden zijn niet bij machte om dit te doen en hebben ook geen contact gehad met hulpverlening die klaagster heeft ingeschakeld. Mogelijk refereert klaagster aan het ‘Yes we can’ traject dat zij had geregeld voor [oudste zoon]. De rechter heeft echter een machtiging gesloten plaatsing afgegeven.

Het is beklaagde-a en –b niet gelukt om de samenwerking op gang te brengen. Volgens beklaagde-a en –b speelt de persoonlijke problematiek van klaagster een belangrijke rol. Klaagster laat een patroon zien van hulp vragen maar vervolgens geen hulp aannemen. [oudste zoon] is op verzoek van klaagster meerdere malen uit huis geplaatst. De meeste uithuisplaatsingen zijn samen met klaagster voorbereid en klaagster gaf hier toestemming voor. Daarna keurde klaagster de uithuisplaatsing af. [oudste zoon] is veertien jaar oud en is al twaalf keer uit huis geplaatst. Veel hulpinstanties zijn betrokken bij klaagster en [oudste zoon] en [jongste zoon]. Alle voorgaande keren dat [oudste zoon] uit huis is geplaatst, is actief gewerkt aan terugplaatsing en herstel van de opvoedingssituatie bij klaagster thuis of behoud van de thuisplaatsing. Tot op heden is het niet gelukt om een veilige en stabiele thuissituatie voor [oudste zoon] te creëren. Beklaagden voelen verantwoordelijkheid vanuit de functie als gezinsvoogd en als geregistreerde jeugdzorgwerkers die de beroepscode hebben ondertekend. Deze verantwoordelijkheid houdt in dat het woonperspectief voor [oudste zoon] helder, duurzaam en stabiel is. Het patroon van aantrekken en afstoten, is schadelijk voor kinderen. Het is niet gelukt om de opvoedingssituatie zo te wijzigen dat deze tegemoet komt aan de ontwikkeling van [oudste zoon].
Bij beklaagden is bekend dat [jongste zoon] moeite heeft om zijn emoties op een goede manier te uiten en last heeft van de gevolgen die typisch zijn voor een posttraumatische stress-stoornis.

De kinderrechter heeft ter zitting op 21 januari 2015 gesteld dat de GI zich meer dient te richten op het belang van de kinderen en minder op de samenwerking met klaagster.

Beklaagden respecteren klaagster als mens en als moeder die vecht voor haar kinderen en betreuren het dat het niet gelukt is om een samenwerking te realiseren waarbij de behoeften en belangen van de kinderen centraal konden staan.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

Het College wijst er voorts op dat het geen waarheidsvinding bedrijft. Indien bij een klachtonderdeel de feitelijke gang van zaken in redelijkheid niet kan worden vastgesteld, kan het College geen inhoudelijk oordeel geven en zal het College het klachtonderdeel ongegrond verklaren.

De teammanager heeft ter zitting de werkwijze kort toegelicht; elke gezinsvoogd is verantwoordelijk voor een kind vanwege de complexiteit en de continuïteit. Beklaagde sub a is verantwoordelijk voor [oudste zoon], beklaagde sub b is verantwoordelijk voor [jongste zoon]. De gezinsvoogden treden altijd gezamenlijk op en zijn derhalve inwisselbaar zodat de continuïteit is gewaarborgd.
Het College stelt op basis van de toelichting van de teammanager vast dat de gezinsvoogden inwisselbaar zijn. Dit houdt in dat beklaagde sub a en beklaagde sub b aan te spreken zijn voor zowel handelen met betrekking tot [oudste zoon] als [jongste zoon].

Klaagster geeft in haar klacht in zijn algemeenheid te kennen dat zij geen vertrouwen heeft in beklaagden.
Klaagster heeft desgevraagd ter zitting nader toegelicht dat zij beklaagden verwijt haar niet geïnformeerd te hebben over de plaatsing van [oudste zoon] en het verdere verblijf in instelling [instelling]. Daarnaast worden volgens klaagster afspraken niet nagekomen.

Het College overweegt het volgende.

Klaagster is niet geïnformeerd over de plaatsing van haar [oudste zoon] in instelling [instelling].
Beklaagde-a heeft geen contact met klaagster opgenomen. Klaagster vraagt zich af wat er voor samenwerking is.

Het College is op basis van de stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat beklaagde-a en beklaagde-b voldoende hebben aangetoond dat zij de samenwerking met klaagster hebben nagestreefd en dat zij hebben gehandeld vanuit het belang van [oudste zoon] en [jongste zoon].
Onweersproken door klaagster is gebleven dat zij geen toestemming geeft bij andere personen of instanties te informeren naar klaagsters situatie en dat eenmaal gegeven instemming van klaagster meestal vóór de uitvoering weer wordt ingetrokken en voorts dat het niet aan beklaagden is klaagster te informeren over het verloop van het verblijf van [oudste zoon] in [instelling] maar aan die instelling.

Het College overweegt voorts dat ook de rechtbank in de beschikking van 21 januari 2015 vast stelt dat de samenwerking tussen beklaagde en klaagster niet van de grond is gekomen. De rechtbank geeft aan beklaagden de opdracht zich te richten op de problematiek en hulpvragen van [oudste zoon].

In deze beschikking leest het College ook dat beklaagde-a en b desnoods zonder overeenstemming met klaagster dienen voort te gaan zodat snel duidelijkheid komt over de mogelijkheden en de in te zetten hulpverlening voor [oudste zoon].

Het College stelt vast dat beklaagde-a en beklaagde-b gehandeld hebben zoals het een zorgvuldig handelend gezinsvoogd betaamt.

Klaagster geeft te kennen dat afspraken over de samenwerking niet door beklaagden worden nagekomen.
Zo stelt klaagster dat beklaagden geen contact hebben opgenomen met de behandelaar van [jongste zoon]. Beklaagde-a en beklaagde-b hebben ter zitting aangevoerd dat zij niet op de hoogte waren van de betreffende behandelaar. Klaagster heeft dit niet weersproken. Nu de feiten die ten grondslag liggen aan dit klachtonderdeel niet zijn komen vast te staan, is dit klachtonderdeel ongegrond.

Klaagster heeft haar overige klachten niet verder onderbouwd in het klachtschrift of ter zitting.
Het College is van oordeel dat bovengenoemde omstandigheden leiden tot de slotsom dat de klacht niet gegrond is. Het College wijst de klacht dan ook in alle onderdelen af.

7 Uitspraak

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende uitspraak:

verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan 14 oktober 2015 door het College van Toezicht.

Mevrouw mr. D. Markx, voorzitter

Mevrouw mr. A.C. Veerman, secretaris