Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdzorgwerker wordt machtsmisbruik verweten, dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt en niet in het belang van de dochter heeft gehandeld.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en geoordeeld in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. D.J. Markx, voorzitter,
mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,
E.A.J. Ouwerkerk, lid-beroepsgenoot.
Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N. Jacobs.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

mevrouw A., hierna te noemen: klaagster, ingediende klacht tegen:

de heer B., hierna te noemen: aangeklaagde.

Als gemachtigde van klaagster is opgetreden de heer C., rechtskundig adviseur.
Als gemachtigde van aangeklaagde is opgetreden mevrouw D., advocaat.

1 Het verloop van de procedure

Op 28 januari 2015 ontvangt het College een klachtschrift d.d. 19 december 2014 met een bijlage. Per brief d.d. 19 februari 2015 wordt aan aangeklaagde verweer gevraagd. Aangeklaagde verzoekt op 4 maart 2015 gemotiveerd uitstel voor het indienen van het verweerschrift met twee maanden. Het College verleent uitstel tot 16 april 2015. Op 13 april 2015 ontvangt het College het verweerschrift d.d. 13 april 2015. Het College besluit dat een hoorzitting wenselijk is. Omdat partijen verhinderd zijn op 21 mei en opnieuw verhinderd zijn op 8 juni 2015 wordt de hoorzitting verplaatst naar 25 juni 2015. Beklaagde wordt op 26 mei 2015 verzocht om op 25 juni 2015 te verschijnen voor de hoorzitting. Op 3 juni 2015 wordt aan gemachtigde van klaagster met diens instemming per e-mail een afschrift gestuurd van het verweer en wordt meegedeeld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 25 juni 2015. Op 7 juni 2015 ontvangt het College een aanvullende productie van beklaagde. Aan gemachtigde van klaagster wordt op het door gemachtigde opgegeven en gebruikte e-mailadres op 12 juni 2015 een afschrift van de aanvullende productie gestuurd. Op 12 juni 2015 wordt op verzoek van gemachtigde van klaagster nogmaals een afschrift van het verweer per e-mail toegestuurd. Op 22 juni 2015 wordt aan gemachtigde van klaagster verzocht om een ander e-mailadres op te geven omdat de server van het door gemachtigde van klaagster gebruikte e-mailadres de e-mails niet blijkt te ontvangen. Op 23 juni 2015 wordt het verweer en de aanvullende productie van beklaagde ook per post aan gemachtigde van klaagster toegestuurd.

Klaagster en haar gemachtigde verschijnen ter zitting. Gemachtigde van klaagster verlangt uitstel van de zitting omdat hij en klaagster pas kort voor de hoorzitting kennis hebben kunnen nemen van het verweer en de aanvullende productie. Het College stelt ter zitting vast dat gemachtigde van klaagster daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het verweer en van de aanvullende productie en besluit dat klaagster niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad wanneer de zitting doorgang vindt. De hoorzitting vindt vervolgens doorgang in aanwezigheid van klaagster en haar gemachtigde en van aangeklaagde en zijn gemachtigde.

Het College heeft in het raadkameroverleg aansluitend aan de hoorzitting een beslissing genomen.
Op 20 augustus 2015 bericht het College aan partijen dat de termijn voor het uitbrengen van de beslissing wordt verlengd tot 17 september 2015.

2 De ontvankelijkheid van de klacht en de bevoegdheid van het College

Het College stelt vast dat het klachtschrift voldoet aan de vereisten gesteld door art. 10 lid 1 sub a en lid 4, art. 11 en art. 12 van het Tuchtreglement.
Het College stelt vast dat beklaagde per [datum] 2013 in het register van SKJ is geregistreerd en dat zijn registratie ook na 11 december 2014 – de datum waarop het dienstverband van beklaagde met Bureau Jeugdzorg X. eindigde – nog voort duurt.

Het College acht het klachtschrift ontvankelijk en acht zich bevoegd om het handelen van aangeklaagde te beoordelen.

3 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Klaagster is moeder van S., geboren in mei 1999. S. is in mei 2015 zestien jaar geworden. Zij verblijft sinds haar tweede levensjaar in een pleeggezin. Zij heeft een licht verstandelijke beperking en gedragsproblematiek.
Klaagster is in 2005 ontheven van het gezag en de voogdij berust sindsdien bij BJz X.
Beklaagde heeft de voogdij van 1 maart 2009 tot 11 december 2014 namens de voogdijinstelling uitgevoerd. Het dienstverband van beklaagde met BJz X is per die datum geëindigd.

4 De klachten

Gemachtigde van klaagster beroept zich ter zitting op de ongeldigheid van het verweerschrift omdat dit niet door beklaagde is ondertekend.

Het College stelt vast dat beklaagde ter zitting heeft verklaard dat het verweerschrift door hem is opgesteld en binnen de verlengde termijn voor verweer tijdig is ingediend.

Het College stelt vast dat het reglement geen andere voorwaarden stelt aan het verweerschrift dan dat het binnen een bepaalde termijn moet worden ingediend.

Het College besluit dat er geen reden is om het verweerschrift in deze procedure buiten beschouwing te laten. Het College betrekt het verweerschrift derhalve in de beoordeling van de klachten.

Klaagsters grieven richten zich op de inhoud van een brief die beklaagde op 11 december 2014 aan klaagster stuurde. In deze brief informeert beklaagde klaagster onder meer dat een andere gezinsvoogd per die datum de voogdij van S. zal uitvoeren omdat per dezelfde datum het contract van beklaagde met BJz X eindigt.
Klaagster verwijt beklaagde, samengevat, het volgende.

4.1

De brief spreekt van bezoekregelingen. Er zijn echter geen mondelinge of schriftelijke afspraken gemaakt door beklaagde met klaagster over bezoeken van klaagster aan S. De brief is dus bedrieglijk en verstrekt onware en onjuiste gegevens aan de plaatsvervanger van beklaagde.

4.2

Beklaagde heeft maar één bezoek per jaar bepaald en geregeld, terwijl S. meer bezoeken van klaagster wil. Dit is in strijd met het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK) dat bepaalt dat een kind recht heeft op bezoeken van zijn ouders en het is in strijd met beroepswaarden zoals neergelegd in de beroepscode van de jeugdzorgwerker.

4.3

Tijdens het laatste bezoek, van 28 april 2014, zijn er geen afspraken gemaakt. Dat er nogal wat zaken ‘niet volgens afspraak’ zijn gegaan is derhalve onjuist.
Tijdens dit bezoek heeft klaagster geen briefjes bij het snoepgoed voor S. gestopt. Dit is een leugen.
Tijdens dit bezoek vergeet beklaagde om de bioscoopkaartjes die klaagster hem heeft gegeven voor S. aan S. te geven.
Met het verzoek van S. om geïnformeerd te worden over haar rechten was beklaagde het niet eens. Dit is strijdig met de beroepscode want het is strijdig met het IVRK.

4.4

Het handelen van beklaagde is machtsmisbruik en niet conform de beroepswaarden. Het heeft klaagster en S. geschaad in persoon en in ‘family life’.
Klaagster en S. wensen te worden gehoord. Klaagster wenst dat aan beklaagde, omdat hij zich schuldig maakt aan list, leugens en bedrog, een strafrechtelijke sanctie wordt opgelegd en dat hij wordt geschrapt uit het register, met een verbod om gedurende vijf jaar als jeugdzorgwerker werkzaam te zijn.
Klaagster verzoekt het College om te bepalen dat er regelmatig bezoeken en contacten tussen klaagster en S. zullen plaatsvinden, uit te voeren door BJz X, waarbij S. het recht heeft om van klaagster informatie te ontvangen.

5 Het verweer

Beklaagde voert met betrekking tot de bovenbeschreven klachtonderdelen het volgende aan.
Klaagster stelt klachten te hebben over ‘al’ het werken en handelen van beklaagde. Blijkens het klachtschrift zien de klachten echter op het laatste half jaar van 2014, dat is afgesloten met de brief van 11 december 2014 van beklaagde.
Het heeft beklaagde verbaasd en gegriefd dat klaagster zulke ernstige beschuldigingen uit zonder deze te onderbouwen. Beklaagde heeft de samenwerking met klaagster niet als onprettig ervaren. Wel was het vaak moeilijk om klaagster te bereiken. Beklaagde licht dit hierna verder toe.

5.1

In 2009 zijn, nadat er zes jaar geen contact was geweest tussen klaagster en S., op initiatief van beklaagde en op grond van de herziene visie op voogdij, de aanzet tot en afspraken over begeleide bezoeken van klaagster aan S. opgestart. Vanaf 2009 vond via beklaagde tussen klaagster en S. correspondentie plaats. Op 8 juni 2011 vond het eerste bezoek plaats van klaagster aan S., begeleid door beklaagde en de pleegzorgwerker. Beklaagde heeft door de jaren heen steeds contact met moeder gezocht over begeleid bezoek, hij heeft haar daarin ondersteund door haar een aantal keren op te halen en terug te brengen en door de bezoeken zo te begeleiden dat het contact zo succesvol en plezierig mogelijk verliep.

De afspraken vonden vooral telefonisch en in face to face contact plaats omdat de ervaring had geleerd dat klaagster nauwelijks op brieven reageerde en omdat zij had aangegeven liever telefonisch te willen worden benaderd. In de jaren 2011 tot 2014 heeft dit ook goed gewerkt. Hoewel klaagster ook telefonisch vaak moeilijk bereikbaar bleek, lukte het met volharding wel om moeder te bereiken. Dit was voldoende om het belang van S., die er behoefte aan had om te weten wie haar moeder is, te waarborgen.

Er is intensief samengewerkt door beklaagde met de therapeut, de pleegzorgwerker en pleegouders om het begeleid contact tussen klaagster en S. zo vorm te geven dat dit S. ondersteunde bij het verkrijgen van een zo gezond mogelijk ontwikkelingsperspectief.
Beklaagde verwerpt derhalve de stelling dat er geen afspraken, mondeling of schriftelijk, zijn gemaakt over de bezoeken. Er zijn mondeling meermalen afspraken gemaakt.

5.2

Aan klaagster is diverse malen telefonisch, face to face en met een brief uitgelegd dat het doel van de bezoeken is dat S. zich een beeld gaat vormen van klaagster. Er is uitgelegd waarom het niet in haar belang is om een bezoekregeling te hebben met klaagster met als doel een band op te bouwen. Klaagster is geïnformeerd over het langdurige proces dat het opbouwen van een eerste contact met haar dochter vraagt en er is oog geweest voor de pijn die dit bij klaagster oproept.

S. is een angstig meisje dat een zeer specifiek opvoedklimaat vraagt. Beklaagde heeft in de uitvoering van de voogdij samengewerkt met de pleegzorg en met de behandelinstellingen. Hij heeft de zaak regelmatig besproken in het team, met de teammanager en met de gedragswetenschapper van BJz X.

Het verhogen van de frequentie van de bezoeken draagt niet bij aan het verminderen van de angst van S. of van haar gedragsproblemen. Na de bezoeken van klaagster vertoont S. terugval in haar gedrag en terugval in haar angsten. Beklaagde, BJz X, de therapeut en pleegouders zijn niettemin van mening dat de bezoeken van klaagster bijdragen aan S’ beeld van zichzelf, wie zij is en hoe dingen in haar leven zijn gelopen.
Beklaagde is van mening dat de wijze waarop de bezoeken zijn vormgegeven niet in strijd is met het IVRK noch met de beroepscode.

5.3

Beklaagde herkent de grieven in dit onderdeel niet.
De informatie over de briefjes bij het snoep wordt door pleegouders en door S. bevestigd. Beklaagde heeft klaagster hierover willen benaderen maar ondanks diverse pogingen van zijn kant is dit niet gelukt.
Beklaagde is in de stellige overtuiging dat hij met moeder overeenstemming had om de bioscoopkaartjes om te ruilen omdat ze anders voor S. niet meer bruikbaar waren. Klaagster heeft beklaagde bedankt en er later ook geen klachten over geuit.

Dat S. aan klaagster zou hebben gevraagd om meer bezoek en een afspraak met de rechter is nieuw voor beklaagde. S. heeft daarover noch tegenover beklaagde noch tegenover pleegouders uiting aan gegeven.
Beklaagde herkent zich niet in de verwijten dat hij list, leugens en bedrog zou hebben gehanteerd. Op de momenten dat klaagster wantrouwen liet blijken en aangaf dat er door BJz X werd gelogen is beklaagde met haar in gesprek gegaan om het vertrouwen te herstellen in het belang van het contact tussen haar en S. Dat dit geen duurzaam resultaat heeft gehad is erg jammer omdat beklaagde door het eindigen van zijn dienstverband geen gelegenheid meer heeft om daarover met klaagster in contact te komen.

5.4

Er is al lange tijd geen sprake meer van family life tussen S. en klaagster. Dit vloeit voort uit de beslissing van de rechter. S. groeit op in een pleeggezin en heeft daar family life. Beklaagde begrijpt dat dit een pijnlijke constatering is voor klaagster en dat het voor haar moeilijk is te verdragen dat haar dochter niet bij haar kan opgroeien. Beklaagde realiseert zich dat S. is geschaad in haar persoon, getuige de problemen waarmee zij al vele jaren kampt. Dit is echter geen gevolg van handelen van beklaagde.

S. en pleegouders zijn op de hoogte van de klacht. Uit overleg met de huidige voogdijwerker is beklaagde gebleken dat het horen van S. een fors appèl op haar loyaliteit zal doen en dat het haar zal ontregelen en terugval in haar gedrag zal bewerkstelligen. Beklaagde bepleit daarom dat het S. bespaard zal worden dat zij in deze procedure wordt gehoord.
Als het College over de omgangsregeling en de informatie aan S. aanbevelingen doet zal beklaagde deze onder de aandacht brengen van BJz X en de huidige voogd van S.

Beklaagde heeft naar eer en geweten gewerkt. Beklaagde kan zijn professionele houding verantwoorden volgens de beroepscode.

6 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van het professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame en redelijk zorgvuldige beroepsuitoefening rekening houdend met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Het College wijst er voorts op dat het geen waarheidsvinding bedrijft. Indien bij een klachtonderdeel de feitelijke gang van zaken in redelijkheid niet kan worden vastgesteld kan het College geen inhoudelijk oordeel geven en zal het College het klachtonderdeel ongegrond verklaren.

Het College toetst aan de algemene tuchtnorm. Het College toetst niet aan het IVRK noch aan het Wetboek van Strafrecht.

Het College besluit dat klaagster niet ontvankelijk is in haar verzoek dat S. wordt gehoord aangezien klaagster als juridisch ouder niet de bevoegdheid heeft om voor S. een dergelijk verzoek te doen. Het College wijst het verzoek derhalve af.
Er is ook overigens geen grond waarop het College zou moeten afwegen om S. te horen, nu een verzoek van S., inmiddels 16 jaar, om gehoord te worden aan het College niet bekend is geworden, en nu evenmin een dergelijk verzoek van de pleegouders namens S. aan het College is voorgelegd.

Het College vat de klachten als volgt samen en baseert zich op de stukken en op hetgeen ter zitting door partijen is verklaard.

6.1

In dit onderdeel stelt klaagster, samengevat, dat beklaagde in de brief ten onrechte spreekt over afspraken door hem gemaakt met klaagster over bezoekregelingen van klaagster en S. en dat door de brief derhalve onjuiste gegevens aan de plaatsvervanger van beklaagde worden verstrekt.
Het College stelt vast dat beklaagde op dit onderdeel gemotiveerd verweer voert.
Beklaagde is in 2009, nadat er zes jaar geen contact was geweest tussen klaagster en S., een traject gestart waarmee hij beoogde dat herstel van contact tussen klaagster en S. tot stand zou kunnen komen. Vanaf 2009 vond via beklaagde tussen klaagster en S. correspondentie plaats. Op 8 juni 2011 vond het eerste bezoek plaats van klaagster aan S. en daarna tot en met 2014 eenmaal per jaar. Beklaagde heeft door de jaren heen steeds contact met moeder gezocht waarbij de afspraken vooral telefonisch en in face to face contact plaatsvonden, onder meer omdat klaagster had aangegeven liever telefonisch te willen worden benaderd.
Het klachtonderdeel inhoudende dat er geen afspraken over de bezoeken zijn gemaakt is derhalve ongegrond.

6.2

In dit onderdeel verwijt klaagster beklaagde dat hij maar één bezoek per jaar heeft bepaald en geregeld, terwijl S. meer bezoeken van klaagster wil. Klaagster acht dit in strijd met het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK) en in strijd met beroepswaarden zoals neergelegd in de beroepscode van de jeugdzorgwerker.
Het College stelt vast dat beklaagde op dit onderdeel gemotiveerd verweer voert.
Het College stelt vast dat beklaagde meermaals aan klaagster heeft uitgelegd dat het doel van de bezoeken is dat S. zich een beeld kan vormen van klaagster. Er is uitgelegd waarom het niet in het belang van S. is om een bezoekregeling te hebben met klaagster met als doel een band op te bouwen. Klaagster is geïnformeerd over het langdurige proces dat het opbouwen van een eerste contact met haar dochter vraagt.
Beklaagde heeft, in aanmerking nemende de capaciteiten en de problematiek van S., in redelijkheid kunnen oordelen dat het verhogen van de frequentie van de bezoeken niet zou bijdragen aan het ontwikkelingsperspectief van S.
Het klachtonderdeel, inhoudende dat de wijze waarop de bezoekregeling is vormgegeven in strijd is met beroepswaarden, is derhalve ongegrond.

6.3

In dit onderdeel stelt klaagster dat de zinsnede in de brief van 11 december 2014, inhoudende dat er nogal wat zaken ‘niet volgens afspraak’ zijn gegaan, onjuist is omdat er tijdens het omgangsbezoek van 28 april 2014 in het geheel geen afspraken zijn gemaakt.
Het College leest de zin anders. Beklaagde refereert aan handelen van klaagster tijdens het omgangsbezoek van 21 april 2014 en geeft aan dat dit niet conform afspraken is die voor een goed verloop van de omgang door hem met klaagster zijn gemaakt. Dit onderdeel van klachtonderdeel 3 mist derhalve doel en is daarom ongegrond.
Klaagster bestrijdt in klachtonderdeel 3 voorts dat zij briefjes bij het snoepgoed heeft gestopt en zij verwijt beklaagde dat hij vergat om de bioscoopbonnen aan S. te geven.
Het College kan de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de briefjes in het snoepgoed en de bioscoopbonnen niet vaststellen. Het College verklaart deze onderdelen van klachtonderdeel 3 derhalve ongegrond.
Klaagster verwijt beklaagde in klachtonderdeel 3 voorts dat hij het niet eens was met het verzoek van S. om geïnformeerd te worden over haar rechten, en dat beklaagde aldus handelde in strijd met het IVRK en met de beroepscode.

Het College stelt vast dat beklaagde op dit onderdeel verweer voert door te verklaren dat S. noch tegenover hem noch tegenover haar pleegouders aan een dergelijk verzoek uiting heeft gegeven. Het College kan de feitelijke gang van zaken op dit onderdeel echter niet vaststellen en verklaart dit onderdeel van klachtonderdeel 3 derhalve ongegrond.
Klaagster verwijt beklaagde in klachtonderdeel 3 tot slot dat hij list, leugens en bedrog zou hebben gehanteerd.
Het College stelt vast dat beklaagde op dit onderdeel gemotiveerd verweer voert.
Beklaagde is op de momenten dat klaagster wantrouwen liet blijken over BJz X met haar in gesprek gegaan om het vertrouwen te herstellen, in het belang van het contact tussen haar en S. Aan het College zijn voorts geen feiten of omstandigheden bekend geworden op grond waarvan vastgesteld zou moeten worden dat beklaagde zich aan list, leugens en bedrog schuldig heeft gemaakt.
Dit onderdeel van klachtonderdeel 3 is derhalve ongegrond.

6.4

In dit onderdeel verwijt klaagster aan beklaagde dat hij misbruik maakte van macht en niet handelde conform de beroepswaarden en dat dit klaagster en S. heeft geschaad in persoon en in ‘family life’.
Het College stelt vast dat klaagster de verwijten in dit onderdeel niet onderbouwt en dat beklaagde op dit onderdeel gemotiveerd verweer voert.
Het College stelt vast dat S. opgroeit in een pleeggezin omdat zij door gebeurtenissen in haar vroege leven in haar persoonlijke ontwikkeling is geschaad. Zij verblijft sinds haar tweede levensjaar in het pleeggezin omdat BJz X en de rechter van mening zijn dat dit aan S. een beter perspectief biedt voor haar ontwikkeling dan verblijf bij klaagster. Er is derhalve al lange tijd geen sprake meer van family life tussen S. en klaagster. Het College stelt vast dat dit geen gevolg is van handelen van beklaagde maar een gevolg van de uitvoering die door BJz X en beklaagde wordt gegeven aan de beschikkingen van de rechter. Het verwijt, voor zover inhoudende dat beklaagde aldus misbruik maakte van macht, is derhalve ongegrond.
Er zijn aan het College voorts geen feiten of omstandigheden bekend die het oordeel noodzaken dat beklaagde klaagster in haar persoon heeft geschaad.

Het klachtonderdeel, inhoudende dat beklaagde met zijn handelen misbruik van macht maakte en klaagster en S. heeft geschaad in persoon en in family life, is derhalve op alle onderdelen ongegrond.

Samenvattend overweegt het College als volgt.

Het College stelt vast dat beklaagde heeft gehandeld vanuit een visie op voogdij en vanuit de visie dat het in het belang van S. is om een beeld te hebben van haar moeder en van de wijze waarop dingen in haar leven zijn gelopen. Beklaagde heeft aldus handelend beoogd bij te dragen aan een zo gezond mogelijk ontwikkelingsperspectief van S.
Beklaagde heeft oog gehad voor de pijn die het gemis van family life met S. bij klaagster oproept. Op de momenten dat klaagster wantrouwen liet blijken is beklaagde met haar in gesprek gegaan om het vertrouwen te herstellen in het belang van het contact tussen haar en S.
Het College stelt vast dat beklaagde aldus handelend heeft gehandeld zoals het een zorgvuldig handelend jeugdzorgwerker betaamt.

7 Uitspraak

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende uitspraak.

Het College verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan de 25e juni 2015 door het College van Toezicht en verzonden op 17 september 2015.

Mevrouw mr. D.J. Markx, voorzitter

Mevrouw mr. N. Jacobs, secretaris