Maak een selectie

727 van 727

   

Jeugdzorgwerker heeft het KSCD-rapport naar het hof gestuurd zonder de uitspraak van het CvT van het NIP. Dit komt in strijd met de normen en waarden van het beroep van jeugdzorgwerker.

Het College van Beroep, hierna te noemen: het College, is samengesteld als volgt:

mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter;
mr. A.P. van der Linden, lid-jurist;
mevrouw J.E. Blaauw-Glas;
heer W. Scholtus;
heer W. Veldhuis, leden-beroepsgenoten.
Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent het ingediende beroep door:
Mevrouw A., hierna te noemen: A.,

tegen

Mevrouw B., hierna te noemen: B.
Zij is bijgestaan door mevrouw mr. S., hierna te noemen: S..

Beiden zijn werkzaam bij Stichting Jeugdbescherming […], hierna te vermelden als JB […].

1 Het verloop van de procedure tot aan het beroep

1.1 Bij klaagschrift van 14 juli 2014 heeft A. bij het College van Toezicht NVMW, hierna ook
te noemen: het CvT, klachten ingediend over B.

1.2 Op 29 augustus 2014 heeft B. verweer ingediend.

1.3 Op 28 oktober 2014 en 12 januari 2015 hebben partijen repliek en dupliek ingediend.

1.4 Alle stukken zijn besproken op de hoorzitting van het CvT op 18 maart 2015, in aanwezigheid van partijen. B. is toen bijgestaan door mevrouw [gemachtigde], jurist bij JB (….).

1.5 Het CvT heeft op 15 april 2015 uitspraak gedaan. De klachtonderdelen I, II, III zijn allen ongegrond verklaard.

1.6 A. is tegen deze uitspraak in beroep gegaan.

2 De procedure in beroep

2.1 Bij beroepschrift van 8 juni 2015, door het College ontvangen op 10 juni 2015, is A. in beroep gegaan tegen de uitspraak van het CvT van 15 april 2015. Op 17 juni 2015 heeft A. een aantal ontbrekende bijlagen gestuurd. Deze zijn door het College ontvangen op 22 juni 2015. Op 16 juli 2015 heeft A. via de e-mail wederom een aantal bijlagen aan het beroepschrift toegevoegd.

2.2 Bij verweerschrift van 3 november 2015, door het College ontvangen op 6 november 2015, heeft B. zich verweerd.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 april 2016. Bij die behandeling is B. in de gelegenheid gesteld om naar aanleiding van vragen van het College schriftelijk aanvullende stukken in het geding te brengen. Bij brief van 3 mei 2016, bij SKJ ingekomen op 4 mei 2016, heeft B. bedoelde bescheiden in het geding gebracht.

2.4 Het College heeft bepaald dat op 7 juni 2016 schriftelijk zal worden beslist.

2.5 Het College heeft voorts kennis genomen van alle stukken en bijlagen, die door partijen in eerste aanleg als in beroep zijn overgelegd en beschouwt deze als ingelast.

3 De ontvankelijkheid van het beroepschrift en de bevoegdheid van het College

3.1 Het beroepschrift is binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak van het CvT ingediend. Het bevat de noodzakelijke gegevens en de gronden van het beroep. Het beroep is aldus ontvankelijk.

3.2 Het verweerschrift is eveneens tijdig ingediend en bevat de gronden van het verweer.

3.3 Het College is door de ministeriële erkenning van SKJ per 17 november 2014 bevoegd om klachten in beroep tegen bij SKJ geregistreerde jeugdzorgwerkers te behandelen.

3.4 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de klachten, heeft het CvT in de bestreden uitspraak als volgt beslist:
“Aangeklaagde heeft een voorlopige registratie in de kamer maatschappelijk werk van Beroepsregister van Agogisch en Maatschappelijk Werkers/BAMw voor de periode [datum] 2011 tot en met [datum] 2015. De klachten van klager die betrekking hebben op het handelen of nalaten van aangeklaagde in de periode tot 1 januari 2014 zullen daarom worden getoetst aan de Beroepscode voor de maatschappelijk werker. De klachten van klager die betrekking hebben op het handelen of nalaten van aangeklaagde in de periode vanaf 1 januari 2014 zullen worden getoetst aan de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker.”

3.5 B. heeft in haar verweer in hoger beroep onder punt 7 naar voren gebracht, dat op
1 januari 2014 de registratie van jeugdzorgwerkers bij BAMw/NVMW is geschied en dat jeugdzorgwerkers na ondertekening van de Beroepscode voor de jeugdzorgwerkers vanaf dat tijdstip onder het tuchtrecht vallen. B. is van mening, dat het College dit tijdbestek in ogenschouw dient te nemen bij de beoordeling van de klachten van A. die op de tijd van voor 1 januari 2014 zien, waarmede B. kennelijk bedoelt dat klachten van vóór 1 januari 2014 buiten beschouwing dienen te blijven.

3.6 Met B. is het College van oordeel, dat het in de onderhavige zaak onbevoegd is een oordeel uit te spreken over klachten daterend uit de periode van [datum] 2011 tot [datum] 2014, in welke periode B. stond ingeschreven in de kamer maatschappelijk werk van het BAMw register. Het College is dan ook uitsluitend bevoegd kennis te nemen van klachten, die dateren van na 1 januari 2014.

4 De feiten

4.1 A. is de moeder van zoon K., hierna te noemen: K., geboren op [datum] 2004.

4.2 Bij beschikking van de [rechtbank] van 15 februari 2010 is K. op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, verder de Raad, onder toezicht gesteld van JB[…]. K. is vervolgens uit huis geplaatst in een pleeggezin.

4.3 De ondertoezichtstelling (ots) en uithuisplaatsing (uhp) van K. zijn hierna verlengd.

4.4 Op 14 februari 2014 heeft de Raad een verzoek tot ontheffing van de moeder uit het ouderlijk gezag ingediend bij de [rechtbank].
Bij beschikking van de [rechtbank] van 19 juni 2014 is die ontheffing uitgesproken.
Bij beschikking van 19 november 2014 heeft het [gerechtshof] de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

4.5 B. is sinds september 2011 als jeugdbeschermer belast met de uitvoering van de ots van K. en na de ontheffing met de uitvoering van de voogdij en in het bijzonder met de begeleiding van de omgangsregeling tussen moeder en zoon.

4.6 Nadat deze enige tijd gestopt is, is er vanaf september 2015 weer omgang tussen moeder en zoon. Sinds enige tijd vindt deze begeleiding niet meer plaats door B., maar is daarvoor een andere jeugdbeschermer aangesteld.

4.7 A. heeft aantijgingen gedaan jegens B. op Twitter. In de brief van 3 mei 2016 verklaart B. eenmaal op 15 juli 2014 tegen A. aangifte te hebben gedaan wegens smaad en laster en nadien nog eenmaal wegens (levens)bedreiging.
De strafrechter heeft A. op 5 januari 2016 een onvoorwaardelijke taakstraf opgelegd van 40 uur. Volgens A. is de uitvoering van die taakstraf uitgesteld door de reclassering.

5 De beroepsgronden, het verweer en het oordeel van het College

5.1 Cluster 1: heeft betrekking op de klachten van A., dat er (bewust) onjuiste informatie staat in het dossier van haar en haar zoon.
A. verwijt B. met name dat zij klachten, die door andere instanties (waaronder het Nederlands Instituut van Psychologen, verder NIP) gegrond waren verklaard, heeft genegeerd en onjuiste informatie over A. en haar zoon heeft opgenomen in indicatiebesluiten en in de diverse plannen van aanpak.
De kinderrechter heeft in de lezing van A. in april 2011 aan de toenmalige gezinsvoogd van A. verzocht om onjuistheden in het dossier van A. te corrigeren, zulks naar aanleiding van de gegrond verklaarde klachten van A. jegens de Raad. De toenmalige gezinsvoogd heeft deze correctie grotendeels uitgevoerd.
B., die als jeugdbeschermer vervolgens betrokken raakte bij het gezin van A., zou volgens A. deze gecorrigeerde gegevens weer hebben herschreven in het nadeel van de zoon van A. en op basis van onjuiste informatie.
A. heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat het CvT alle bewijsstukken die zij had aangevoerd, heeft genegeerd en haar klachten ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Uit de bewijsstukken blijkt volgens haar dat eerder gecorrigeerde stukken door B. wel degelijk opnieuw zijn teruggedraaid en dat plannen van aanpak en indicatiebesluiten met daarin de gestelde onjuistheden verspreid zijn onder instellingen en belanghebbenden.

5.2 Het CvT kwam tot het oordeel, dat de feitelijke gang van zaken evenals de door A. gestelde onjuistheden in het dossier niet of onvoldoende zijn komen vast te staan. Wat daarvan zij, naar het oordeel van het College heeft dit klachtonderdeel zich voornamelijk afgespeeld voor
1 januari 2014, over welke periode het College niet bevoegd is te oordelen.
Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep, heeft deze kwestie zich toegespitst op een kwestie, die zich wel heeft afgespeeld na 1 januari 2014.
Vast staat dat door, of namens B. onder andere het rapport van het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (KSCD) van 1 november 2010 naar het [gerechtshof] is gestuurd als een van de stukken, die zouden dienen voor de zitting van het hof op 2 oktober 2014. Op die zitting diende het hoger beroep tegen de door de rechtbank uitgesproken ontheffing van moeder van het ouderlijk gezag.

5.3 Over de voorgeschiedenis van het KSCD-rapport kan het navolgende worden vermeld.
In juli 2010 had JB […] in opdracht van de kinderrechter aan het KSCD gevraagd onderzoek te doen naar K., alsmede naar K’s opvoedingsbehoeften en de opvoedkundige mogelijkheden van A. Het ging hier om een ambulant psychodiagnostisch onderzoek in een forensisch kader. Van het onderzoek is een rapport opgemaakt, gedateerd 1 november 2010. Als conclusie vermeldde dit rapport dat bij K. sprake was van de Stoornis van Asperger.

Naar aanleiding van dit rapport heeft A. een klacht ingediend bij het College van Toezicht van het NIP. Door A. is de uitspraak van het College van Toezicht van het NIP d.d. 11 september 2013 overgelegd, waaruit blijkt dat naar het oordeel van dat College de aangeklaagde kinder- en jeugdpsycholoog nagelaten had om op transparante wijze in het rapport te onderbouwen hoe zij tot de diagnose Stoornis van Asperger is gekomen. De betreffende psycholoog had volgens het oordeel van het College eveneens onvoldoende onderbouwd waarom zij bij het stellen van de diagnose met betrekking tot K. informatie van de kant van A. buiten beschouwing had gelaten. Op deze onderdelen oordeelde het College de klacht gegrond en legde de psycholoog de maatregel van waarschuwing op.

5.4 Zoals hiervoor vermeld is vast komen te staan, dat het KSCD-rapport van 1 november 2010 door of vanwege B. naar de griffie van het [gerechtshof] is gestuurd.
Eveneens is vast komen te staan dat B. ten tijde van het insturen van dit rapport op de hoogte was van het bestaan van de uitspraak van het College van Toezicht van het NIP van 11 september 2013.

5.5 Over de exacte gang van zaken heeft het College van Beroep aan partijen vragen gesteld bij gelegenheid van de mondelinge behandeling. B. heeft in haar brief van 3 mei 2016 hierop als volgt geantwoord: “De vraag met betrekking tot de toezending van het NIP-rapport aan het gerechtshof kunnen wij beantwoorden door aan te geven dat dit rapport niet door ons is opgestuurd naar het gerechtshof aangezien mevrouw (bedoeld is : A.) dat zelf al had gedaan. Ter zitting hebben we daarop gereageerd naar het gerechtshof.”
Het College begrijpt hieruit, dat door of namens B. aanvankelijk het KSCD-rapport naar het hof was gestuurd zonder de uitspraak van het College van Toezicht van het NIP en dat A. heeft ingegrepen door zelf bedoelde uitspraak naar het hof te zenden. Kennelijk zijn hierover door het hof nog vragen gesteld ter zitting, waarop een en ander door A. en B. nader is toegelicht.

5.6 Naar het oordeel van het College van Beroep van SKJ komt deze werkwijze, waarbij door B. het KSCD-rapport naar het hof is gestuurd zonder de uitspraak van het College van Toezicht van het NIP van 11 september 2013 mee te sturen, althans zonder tenminste de uitslag van die uitspraak te vermelden, in strijd met de waarden en normen van het beroep van jeugdzorgwerker. De omstandigheid, dat volgens informatie van de zijde van B. door de aangeklaagde psycholoog inmiddels beroep was ingesteld tegen de onderhavige uitspraak, maakt dit oordeel niet anders. De klacht van A. is voor wat betreft dit onderdeel dus gegrond.

5.7 Cluster 2: heeft betrekking op de stelling van A., dat zij niet betrokken zou zijn geweest bij de totstandkoming van de indicatiebesluiten en de plannen van aanpak.
De indicatiebesluiten en de plannen van aanpak zouden door B. op subjectieve wijze zijn opgesteld, zonder daarbij de achtergrondinformatie over de gezinsgeschiedenis te betrekken en zonder rekening te houden met het functioneren van K. bij A. thuis.
Ten onrechte zou A. bij het opstellen van deze stukken niet zijn ingeschakeld.
Volgens B. heeft zij steeds getracht om in samenspraak met A. bedoelde stukken op te stellen. Dat dit steeds niet lukte is te wijten aan omstandigheden, die voor rekening van A. kwamen.

5.8 Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep spitste het debat zich toe op het geschilpunt of B. wel oproepen naar A. had gestuurd, waarin zij A. uitnodigde om plannen van aanpak met haar te bespreken. In de discussie ging het om de plannen van aanpak van de jaren 2012, 2013 en 2014.
B. stelde dat het voor haar betrekkelijk eenvoudig zou zijn om deze stukken op te diepen uit het dossier en deze alsnog te overleggen. Ofschoon de discussie ook betrekking had op de jaren 2012 en 2013, heeft het College niettemin B. toegelaten om bewijsstukken te overleggen.

In haar brief van 3 mei 2016 vermeldt B. dat de uitnodiging in 2012 telefonisch is gebeurd, zoals blijkt uit een briefwisseling met A., die als bijlage 1 bij die brief is overgelegd.
De uitnodiging in 2013 aan A. is gedaan op 14 november 2013 in de vorm van een uitnodiging voor het drie maandelijks gesprek waarin ook het plan van aanpak aan de orde zou komen. Deze afspraak is op verzoek van A. eerst verzet naar 2 januari 2014 en is toen niet doorgegaan omdat A. een fax stuurde dat ze niet aanwezig kon zijn. Daarop is door B. op 2 januari 2014 een brief gestuurd met de informatie die ze met A. wilde bespreken.
De uitnodiging in 2014 is kennelijk niet expliciet benoemd als uitnodiging voor de bespreking van het plan van aanpak van dat jaar, maar aangeduid als uitnodiging voor beleidsbespreking.

Naar het oordeel van het College is A. telkens voldoende opgeroepen om de desbetreffende plannen van aanpak te bespreken en is dit klachtonderdeel dus ongegrond.

5.9 Cluster 3: houdt de klacht in dat A. haar zoon sinds 18 december 2013 niet (meer) heeft mogen zien.
Zoals onder de feiten staat vermeld, is sinds september 2015 de omgang weer op gang gekomen. Aanvankelijk was sprake van telefonisch contact tussen moeder en zoon, B. heeft zich ondanks de aantijgingen, die A. op Twitter had gedaan, ingespannen om weer een normaal begeleid contact tot stand te brengen tussen moeder en zoon en dat is ook gerealiseerd.
Deze kwestie is bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep uitvoerig besproken.
Het College heeft bepaald waardering voor de wijze waarop B. vorm heeft gegeven aan het zoveel mogelijk normaliseren van het contact tussen moeder en zoon.
Dit klachtonderdeel is dus ongegrond.

5.10 Het College heeft zich tenslotte verbaasd over de opmerking van het CvT (in de extra overwegingen ten overvloede), waarin een tekort aan professionele autonomie bij B. gesuggereerd wordt. Na het ongegrond verklaren van alle drie de klachten door het CvT, ontbreekt iedere motivering voor dit oordeel.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de conclusie dat klachtonderdeel 1 gegrond is en de klachtonderdelen 2 en 3 ongegrond.
Het College ziet onvoldoende aanleiding om naast de gegrondverklaring van klachtonderdeel 1 een maatregel op te leggen. Als redenen daartoe kunnen worden aangevoerd, dat de door B. gemaakte fout snel is hersteld, zij het niet door toedoen van B. en dat het overige optreden van B. in een gecompliceerde ondertoezichtstelling c.q. voogdijzaak naar het oordeel van het College bepaald waardering verdient.

De bestreden beslissing van het CvT (van de toenmalige NVMW) wordt vernietigd voor wat betreft klachtonderdeel 1 en blijft in stand voor wat betreft de klachtonderdelen 2 en 3.

Aldus gedaan op 7 juni 2016 in de genoemde samenstelling.

Mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, Voorzitter
Mevrouw mr. E.C. Abbing, Secretaris