Maak een selectie

727 van 727

   

Het College van Beroep handhaaft de eerder opgelegde maatregel, ondanks het deels gegronde beroep, vanwege de ernst van de aan de gezinsvoogd verwijtbare feiten.

Samenstelling van het College van Beroep SKJ
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden in de volgende samenstelling:

mr. P. A. J. Th. van Teeffelen, voorzitter;
mr. A. P. van der Linden;
mevrouw J. Blaauw;
W. Scholtus,
W. Veldhuis, leden.

1 Verloop van de procedure tot aan het beroep

Bij klaagschrift van 17 juli 2014 heeft mevrouw B. bij het College van Toezicht van de NVMW (hierna: CvT NVMW) een klacht ingediend over mevrouw A., jeugdzorgwerker bij [instelling]. Bij brief van 25 augustus 2014 heeft mevrouw A. gereageerd op de door mevrouw B. ingediende klachten van 17 juli 2014. Bij brieven van 8 oktober 2014 en 5 november 2014 hebben partijen hun repliek en dupliek ingediend. Op 13 november 2014 ontving het CvT NVMW een aanvullend dupliek van mevrouw A.
Het klaagschrift, verweerschrift en re- en dupliek van partijen zijn behandeld tijdens een hoorzitting op 29 januari 2015. Het CvT NVMW heeft op 4 maart 2015 uitspraak gedaan. Het CvT NVMW oordeelde de klachtonderdelen I en II gegrond, en heeft de maatregel van waarschuwing opgelegd. De klachtonderdelen III tot en met V zijn ongegrond verklaard.
Mevrouw A. is van deze beslissing in hoger beroep gegaan.

2 Ontvankelijkheid van het beroepschrift en van het beroep

Het beroepschrift is binnengekomen op 28 april 2015, dat wil zeggen binnen de daarvoor gestelde termijn na de dag van verzending van de uitspraak van het CvT NVMW. Het bevat de noodzakelijke gegevens en de gronden van het beroep.
Het College van Beroep SKJ is door de ministeriële erkenning van SKJ per 17 november 2014 bevoegd om klachten in beroep tegen jeugdzorgwerkers te behandelen, voor zover de registratie van de in beroep betrokken jeugdzorgwerker dateert van voor of vanaf 17 november 2014. De registratie van mevrouw A. in het register SKJ dateert van [datum] 2013.
Het College van Beroep SKJ is derhalve ontvankelijk in het beroep.
Het College van Beroep SKJ verklaart het beroepschrift ontvankelijk.

3 De procedure in beroep

Bij beroepschrift van 24 april 2015, door het College van Beroep SKJ ontvangen op 28 april 2015, heeft gemachtigde van mevrouw A. beroep aangetekend tegen de uitspraak van het CvT NVMW. Bij brief van 21 mei 2015, door het College van Beroep SKJ ontvangen op 22 mei 2015 heeft gemachtigde van mevrouw B. gereageerd op het beroepschrift.
Het beroepschrift en het verweer in beroep worden geacht te zijn ingelast in deze procedure.
De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2015 in aanwezigheid van mevrouw A. en mevrouw B. en hun gemachtigden.

4 De feiten

Het College van Beroep SKJ neemt hier de feiten over, zoals deze zijn gepresenteerd door het CvT NVMW in de bestreden uitspraak en gaat daarbij ook uit van de jongste ontwikkelingen, zoals die in de procedure in hoger beroep zijn gebleken.
Op 19 december 2004 is C. geboren als zoon van mevrouw B. C. staat sinds 1 april 2011 onder toezicht van de [instelling]. Mevrouw B. en de vader van C. zijn gescheiden. Na de scheiding is mevrouw B. bij haar moeder en broer gaan wonen. Sinds 6 december 2013 is C. op grond van een rechterlijke machtiging uit huis geplaatst bij zorginstelling M. Hij verblijft het ene weekend bij zijn moeder, mevrouw B., en het andere weekend bij zijn vader. Bij beschikking van de rechtbank […] van 14 juli 2014 is de uithuisplaatsing van C. bij zorginstelling M. verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 1 april 2015. Mevrouw A. was sinds juli 2012 als contactpersoon namens de [instelling] belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van C. en de begeleiding van de omgangsregeling. Per 1 januari 2015 diende de [instelling] als kinderbeschermingsinstelling gecertificeerd te zijn. Omdat de [instelling] niet tijdig in het bezit kwam van het benodigde certificaat, is de [gecertificeerde instelling] (tijdelijk) benoemd tot gecertificeerde instelling, die met de uitvoering van de onderhavige ondertoezichtstelling belast is. Een collega van mevrouw A., D., is gedetacheerd bij de [gecertificeerde instelling]. D. is vervolgens de ondertoezichtstelling gaan uitvoeren. Tot op heden is dit nog het geval, zodat mevrouw A. vanaf 1 januari 2015 niet meer als gezinsvoogd betrokken is bij de onderhavige zaak. C. verblijft nog steeds met een rechterlijke machtiging in de zorginstelling M. Indien de verstandhouding tussen mevrouw B. en de vader van C. onverminderd slecht blijft, wordt binnen het kader van de ondertoezichtstelling overwogen om C. te plaatsen in een gezinshuis van zorginstelling M.

5 De grieven en de beoordeling

Voorop moet worden gesteld, dat mevrouw A. als gezinsvoogd binnen het kader van de uitgesproken ondertoezichtstelling te maken heeft met twee ouders, die gewikkeld zijn in een problematische echtscheiding. Bij een dergelijke scheiding bestaat het gevaar dat de verhoudingen tussen de ouders zo gepolariseerd raken, dat niet alleen het kind in kwestie door de ontstane machtsstrijd ernstig in de knel komt maar dat het ook uiterst moeilijk voor de gezinsvoogd wordt om naar beide kanten toe neutraal en objectief te blijven en als zodanig over te komen.
In de schriftelijke reactie van mevrouw A. in eerste aanleg schrijft zij in dit verband “De partijdigheid die moeder “voelt”, kan ik niet bij haar wegnemen. Mogelijk dat deze ook is voortgevloeid uit, en versterkt is door de vele zittingen die hebben plaatsgevonden, waarbij moeder en ik steeds als twee partijen tegenover elkaar stonden.“ Volgens het College van Beroep SKJ vergt dit type werkzaamheden het uiterste van de professionaliteit van de gezinsvoogd. Daarom wordt in de praktijk regelmatig gewerkt met twee gezinsvoogden, een in het bijzonder voor de vader en een in het bijzonder voor de moeder.
Het College van Beroep SKJ gaat thans over tot een bespreking van de vijf grieven, die mevrouw A. tegen de bestreden uitspraak heeft aangevoerd.

5.1

De eerste grief richt zich tegen de omstandigheid dat mevrouw A. door het CvT NVMW niet meer in de gelegenheid is gesteld om enige dagen voor de mondelinge behandeling de beschikking van het gerechtshof […] van 15 januari 2015 in het geding te brengen. In het Tuchtreglement (TR) van de NVMW staat volgens mevrouw A. niets over de (on)mogelijkheid tot het indienen van aanvullende stukken. Bij dupliek was deze beschikking door het hof nog niet gewezen. Het CvT NVMA had bij indiening nog vier werkdagen om de betreffende zeven pagina’s te lezen en mevrouw B. was al enkele weken bekend met deze uitspraak.
Mevrouw B. heeft gewezen op de regeling van artikel 21 lid 2 van het Tuchtreglement (TR) van SKJ.
Het College van Beroep SKJ is echter van oordeel dat deze laatste regeling nog niet van toepassing was bij de procedure in eerste aanleg. Mevrouw A. heeft terecht gesteld dat het TR van de NVMW niet voorziet in een regeling voor de onderhavige situatie. Het College van Beroep SKJ is van mening dat het CvT NVMW dit aanvullende stuk had kunnen toelaten. Hoe het ook zij, de procedure in hoger beroep biedt de mogelijkheid om procedurele fouten hetzij gemaakt door het college van toezicht hetzij door een van partijen te herstellen. Het College van Beroep SKJ zal de betreffende beschikking dan ook deel laten uitmaken van de processtukken.

5.2

Een tweede processuele complicatie is gelegen in de omstandigheid, dat bij de processtukken in hoger beroep is opgenomen een nieuwe klacht van feitelijke aard van de zijde van mevrouw B., die in het verlengde ligt van de onderhavige klachten. Het College van Beroep SKJ heeft zich bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld, dat als deze klacht wordt doorgezet deze inhoudelijk niet in de behandeling van het hoger beroep mag worden betrokken. Als de klacht echter formeel wordt ingetrokken, kan de inhoud van de klacht als een relevante nieuwe omstandigheid worden betrokken bij de behandeling van het hoger beroep.
Na schorsing heeft mevrouw B. er voor gekozen om deze nieuwe klacht te handhaven, zodat die door het College van Toezicht SKJ nader zal worden beoordeeld en in de onderhavige procedure in hoger beroep buiten beschouwing dient te blijven.

5.3

De tweede, vierde en vijfde grief, die betrekking hebben op vermoedens van grensoverschrijdend gedrag c.q. seksueel misbruik zal het College van Beroep SKJ tezamen behandelen.

De vierde en vijfde grief hebben betrekking op het feit, dat het CvT NVMW mevrouw A. verwijt aanwijzingen van -wat wordt genoemd- seksueel misbruik niet eerst met mevrouw B. te hebben besproken, alvorens dit op te nemen in een processtuk en in het dossier van C. en alvorens dit te bespreken op een zitting bij de rechter.

De tweede grief richt zich met name tegen de (dis)kwalificatie, die gelegen is in een zinsnede voorkomend in een processtuk van de [instelling] (verweerschrift in de procedure bij het gerechtshof […]) , die luidt “ook is bij de [instelling] bekend dat zijn inwonende oom, homoseksueel en travestiet is.” Volgens het college wordt deze uitspraak in dat processtuk zonder meer gekoppeld aan vermeend grensoverschrijdend seksueel gedrag van C., waarbij het CvT NVMW vaststelt dat mevrouw A. partijdig optreedt en haar neutraliteit en respect jegens mevrouw B. schendt door zonder meer dergelijke uitspraken en vermoedens van de vader van C. over te nemen.

Mevrouw A. is van oordeel dat deze koppeling door haar niet is gemaakt, immers heeft zij enkele zinnen daarvoor in het betreffende processtuk vermeld, dat verder onderzocht moet worden waar dit gedrag van de minderjarige vandaan komt. Volgens mevrouw A. liet C. niet alleen bij vader grensoverschrijdend seksueel gedrag zien, maar ook bij instelling H. (2012), bij zorginstelling M. (2014), bij de Raad voor de Kinderbescherming (2011), bij spelobservatie te zorginstelling M. (2010) en bij de muziekleraar. Aan het feit dat de oom van C. homoseksueel en travestiet zou zijn, heeft mevrouw A. voorts geen waardeoordeel gehecht.

In het verkort proces-verbaal van het gerechtshof […] van 13 mei 2014 staat omtrent deze kwestie echter het navolgende vermeld:

“Ter terechtzitting is aan de orde het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank […] van 31 maart 2014.

Advocaat van de moeder: Wat is de bedoeling van de [instelling] met de zin in het verweerschrift dat oom E. homoseksueel is en travestiet?

Mevrouw A.: Ik ken hem. Ik heb de informatie via via. De vader heeft al jarenlang signalen aangegeven. De [instelling] kan het niet hardmaken. Ik heb de informatie van de vader.

De voorzitter: Het is een beetje moeizaam om dit zo in het verweerschrift op te nemen. Wat moet het hof met die informatie? De moeder wil het doel weten.

Mevrouw A.: Wij krijgen informatie van instelling H., van instelling M. en van de vorige school. Ergens moet het gedrag van C. vandaan komen.

De voorzitter: Heeft de stichting de indruk dat dit gedrag van thuis afkomt; dat het gedrag van C. daarmee te maken heeft?

Mevrouw A.: “ja“

Naar het oordeel van het College van Beroep SKJ gaat van het vermelden van het feit, dat de oom van C. homoseksueel en travestiet is zonder meer de suggestie uit dat dit relevant is in de context van het grensoverschrijdend seksueel gedrag van C. Zo vermeldt mevrouw A. in het zelfde processtuk “ook is bij de [instelling] bekend dat de minderjarige met zijn oom regelmatig mannendagen had. Over de inhoud van deze mannendagen mocht de minderjarige nooit met anderen praten. De [instelling] neemt dit gedrag van de minderjarige zeer serieus.” Volgens mevrouw B. hebben deze “mannendagen” in feite betrekking op een gezellig contact tussen oom en C., zoals samen een ijsje eten of een bezoek aan de Efteling.

Dat het wel degelijk de bedoeling van mevrouw A. is geweest om een link te leggen tussen het homoseksueel en travestiet zijn van de oom en het grensoverschrijdend seksueel gedrag van C. blijkt uit het verloop van de ondervraging van mevrouw A. door het gerechtshof […], zoals in de vorige overweging letterlijk geciteerd.

Het College van Beroep SKJ is van mening dat er uiterst zorgvuldig en weloverwogen dient te worden omgegaan met het presenteren en uitspreken van dergelijke vermoedens op het terrein van seksueel gedrag van derden in relatie tot het onder toezicht gestelde kind, en dienen dergelijke vermoedens nadat ze zijn opgekomen zo spoedig mogelijk in het kader van een onderzoek onderbouwd te worden, en dienen –al dan niet door tussenkomst van deskundigen- conclusies te worden getrokken die dergelijke vermoedens bevestigen of ontzenuwen.

Het navolgende is hierbij van belang. Ongeveer gelijktijdig met dit incident is in mei 2014 een uitvoerig diagnostisch verslag uitgebracht door een gedragswetenschapper van zorginstelling M., waarbij juist een van de vragen was of er bij C. overschrijdend gedrag te zien is en waar dat door veroorzaakt wordt. Binnen die vraagstelling wordt een aantal voorbeelden genoemd, zoals op een ander kind gaan liggen en er niet af willen, een ander kind kusjes willen geven terwijl dat kind het niet wil, erg gericht zijn op verliefdheid, handtastelijk zijn en seksueel getinte grapjes. Het door mevrouw A. kennelijk beoogde onderzoek heeft binnen het kader van dit diagnostisch onderzoek niet plaats gevonden. Wel worden daarin voorbeelden genoemd op de groep en op school, waarbij C. fysiek te dichtbij is gekomen bij zowel volwassenen als kinderen, zoals dat C. op een ander kind is gaan liggen en niet daar vanaf wil komen. In het rapport wordt gesproken over een zorgelijke ontwikkeling van C., die duidelijk behandeling nodig heeft. Of de oorzaken van dit gedrag van C. te maken hebben met de thuissituatie wordt verder in dit rapport niet besproken.

In de opvatting van het College van Beroep SKJ kan het dan niet zo zijn, dat in rapportages en processtukken van de stichting het vermoeden jegens de oom van C. toch een eigen leven gaat leiden, waarbij het gevaar bestaat dat gemakkelijk wordt aangenomen dat de oom wel degene zal zijn die oorzaak is van het vermeende seksueel grensoverschrijdende gedrag van C. De omstandigheid, die onweersproken is gebleven, dat mevrouw B. eerst op zitting bij het hof werd geconfronteerd met bedoeld vermoeden, maakt dit alles nog schrijnender.
Het College van Beroep SKJ komt tot de slotsom, dat de vierde, vijfde alsmede de tweede grief falen.

5.4

De derde grief van mevrouw A. richt zich tegen een ander voorbeeld van een volgens het CvT NVMW kwalificerende uitspraak “mevrouw B. wil het liefst alles betreffende de opvoeding en verzorging van haar zoon C. naar haar hand zetten.” Volgens het CvT NVMW getuigt dit van te weinig respect jegens de persoon van de ouder, met zijn eigen verantwoordelijkheid en opvoedingsvisie.

Volgens mevrouw A. heeft moeder in dit opzicht nu juist grenzen overschreden door geen rekening te houden met de vader, die zij tot 2011 buiten beeld heeft weten te houden, moeder moet samenwerken met vader hetgeen stroef verloopt, moeder kan zich niet vinden in de uithuisplaatsing van C., zij bewandelt alle wegen om C. weer bij haar te laten wonen, op internet staat de oproep “Breng C. Thuis” en mevrouw B. lijkt niet te beseffen dat deze plaatsing op internet juist schade kan toebrengen aan C. etc .

Het College van Beroep SKJ acht genoemde uitspraak niet in alle opzichten gelukkig. Gelet op de ingetreden polarisatie in de verhoudingen zou het wellicht beter zijn geweest als mevrouw A. had volstaan met een opsomming van feitelijkheden, die zij in het gedrag van mevrouw B. constateert, maar deze kwalificatie acht het College van Beroep SKJ van een geheel andere orde dan het onderwerp van grieven 2, 4 en 5. In zoverre treft deze grief doel.

5.5

De zesde grief komt op tegen het oordeel van het CvT NVMW dat mevrouw A. tekort zou zijn geschoten in professionaliteit doordat zij het (opnieuw) voeren van een eerste gesprek met mevrouw B. of het mislukken van een poging daartoe volledig bij mevrouw B. legt, nadat bemiddelingsgesprekken in het bijzijn van de teamleider van mevrouw A. en vertrouwenspersonen van mevrouw B. en de vader van C. niet tot een verbetering van de communicatie tussen partijen hebben geleid.

Het College van Beroep SKJ constateert vooreerst, dat er sinds oktober 2014 binnen het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van C. geen besprekingen hebben plaatsgevonden, waaraan mevrouw B. heeft kunnen deelnemen en waarin het te voeren beleid van [instelling] of de zorginstelling expliciet aan de orde is gekomen. Op basis van hetgeen mevrouw A. tijdens de hoorzitting naar voren heeft gebracht, heeft zij het College van Beroep SKJ er niet van kunnen overtuigen dat zij er alles aan gedaan heeft om moeder en haar netwerk naar behoren te informeren op basis waarvan bedoelde besluiten zijn genomen. Tijdens de hoorzitting geeft mevrouw A. aan dat wanneer een zorgaanbieder betrokken is, de gezinsvoogd meer op de achtergrond aanwezig is. In het onderhavige geval is deze keus niet voor de hand liggend geweest. Juist bij complexe zaken is het van belang dat de gezinsvoogd de regie neemt en de tijd neemt om ouders en het netwerk zorgvuldig te informeren op basis waarvan besluiten genomen zijn. Bij gelegenheid van de hoorzitting heeft mevrouw A. niet adequaat uiteen kunnen zetten wat zij concreet gedaan heeft om de betrokkenen op een verantwoorde wijze te informeren of te bevragen over zaken die spelen, waarbij te denken valt aan de vermoedens richting misbruik, een duidelijk perspectief voor de jeugdige, een duidelijk plan van aanpak etc. Het feit dat de ondertoezichtstelling vanaf 1 januari 2015 tijdelijk is overgedragen aan de [gecertificeerde instelling] brengt verder met zich mee dat mevrouw A. alleen voor de periode van oktober 2014 tot 1 januari 2015 verantwoordelijk is voor de uitvoering van het beleid in het kader van de ondertoezichtstelling.

Het College van Beroep SKJ heeft reeds in de aanvang van de rechtsoverwegingen opgemerkt, dat het veel van de vaardigheden van een gezinsvoogd vergt om goed te werk te gaan in een problematische scheiding. Mevrouw A. heeft zelf opgemerkt, dat door alle procedures rond de uithuisplaatsing van C. mevrouw B. haar is gaan zien als partijdig en als tegenpartij. Na alle incidenten, waarvan er enige hier zijn besproken, komt er naar het inzicht van het College van Beroep SKJ ook een einde aan de professionaliteit van een individuele beroepsuitoefenaar en dient de gecertificeerde instelling in te grijpen. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is van de zijde van mevrouw A. ter sprake gebracht, dat het in het voornemen van de [instelling] ligt om in de ondertoezichtstelling twee gezinsvoogden aan te wijzen, waarbij het College van Beroep SKJ opmerkt dat het is aan te bevelen dat er twee nieuwe gezinsvoogdijwerkers worden aangesteld.
Grief zes slaagt aldus ten dele.

6 Uitspraak College van Beroep SKJ

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende uitspraak.
De grieven 1 en 3 slagen en grief 6 slaagt gedeeltelijk. De grieven 2, 4 en 5 falen. De ernst van de feiten, die ten grondslag liggen aan de grieven 2, 4 en 5, is echter zodanig, dat het College van Beroep SKJ de door het CvT NVMW opgelegde maatregel van een waarschuwing handhaaft.

Uitspraak aldus gedaan op 16 juli 2015 in de genoemde samenstelling.

Mr. P.A.J.Th. van Teeffelen

Voorzitter

Mevrouw mr C. Abbing

Secretaris