Maak een selectie

727 van 727

   

Gezinsvoogd dient een verzoek in tot herziening. Het verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het feit dat er in eerste instantie geen maatregel is opgelegd. 

Het College van Beroep SKJ, hierna te noemen: het College, heeft op 10 maart 2015 uitspraak gedaan in beroep tegen de uitspraak van het College van Toezicht (CvT) van de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers (NVMW) van 24 oktober 2014.

Appellant in beroep was de heer A.

Verweerder in beroep was de heer B.

Het College heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en geoordeeld in de volgende samenstelling:

Mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter;
Mr. A.P. van der Linden,
Mevrouw drs. S.J. Ephraïm,
Mevrouw drs. D. de Gelder,
E.A.J. Ouwerkerk, leden.

1 Beslissing College SKJ

Het College heeft -voorzover voor deze uitspraak van belang en kort samengevat- het volgende overwogen en beslist over het door de heer A. ingediende beroep.

2 Overwegingen College SKJ

De klachten 1 en 3 zijn terecht voorgedragen. Deze klachten hebben betrekking op de verstrekking van gegevens aan de heer A. Volgens klacht 1 weigert de heer B. te reageren op verzoeken van de heer A. om kenbaar te maken welke gegevens en informatie hij met betrekking tot de heer A. in de dossiers van zijn vier kinderen registreert. In klacht 3 beklaagt de heer A. zich over het feit, dat als door de heer B. daadwerkelijk een plan van aanpak is gemaakt hij daaruit geen informatie krijgt over de gegevens, die op zijn persoon betrekking hebben. Op basis van de Wet Bescherming Persoonsgegevens heeft het College geoordeeld dat het beroep van de heer A. met betrekking tot deze klachten slaagt. Inmiddels is echter door de heer B. -naar het College heeft begrepen- voldoende tegemoet gekomen aan de door de heer A. terecht gedane verzoeken tot verstrekking van gegevens.

3 Uitspraak College SKJ

Het College is na bovenstaande overwegingen tot de volgende uitspraak gekomen.
De klachten 1 en 3 slagen, de overige klachten falen.
Aangezien de heer B. nog voor het indienen van het beroepschrift voldoende tegemoet is gekomen aan de door de heer A. terecht gedane verzoeken, ten grondslag liggend aan de klachten 1 en 3, heeft het College afgezien van oplegging van enige maatregel.

4 Verzoek tot herziening

Op 13 april 2015, door SKJ ontvangen op 8 mei 2015, heeft de heer B. een klacht ingediend over de afhandeling van het hoger beroep in de onderhavige zaak. Het College beschouwt deze klacht feitelijk als een verzoek tot herziening van een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke beslissing conform artikel 39 lid 1 Tuchtreglement (TR) SKJ.
Artikel 39 lid 1 luidt: Herziening van een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke beslissing is mogelijk op verzoek van degene aan wie een maatregel is opgelegd, indien omstandigheden blijken die naar ernstig vermoeden tot een andere beslissing zouden hebben geleid, indien zij bekend waren geweest ten tijde van de beslissing waarvan herziening wordt gevraagd.

Over het verzoek tot herziening wordt conform artikel 39 lid 1 TR geoordeeld door het College dat de beslissing waarvan herziening wordt gevraagd, heeft genomen. De samenstelling van het College is in de aanhef van deze uitspraak weergegeven.

De heer B. stelt dat de heer A. zijn verzoek persoonlijke informatie te krijgen niet, zoals te doen gebruikelijk, bij hem als gezinsvoogd, maar bij de (voormalige) stichting Bureau Jeugdzorg […], heeft ingediend. Dat dit verzoek niet direct bij hem terecht is gekomen, heeft hij ook uitdrukkelijk aangegeven in zijn eerdere verweerschrift. De heer B. is van mening dat hem niet datgene verweten kan worden waarvan hij geen kennis draagt, en wat bij de organisatie ligt. Hem wordt dat echter wel door het College op persoonlijke/professionele titel verweten. De klachten 1 en 3 dienen naar de mening van de heer B. dan ook te falen, omdat hij ten onrechte verantwoordelijk wordt gehouden voor iets waar hij geen weet van had, en dat ook niet kon hebben.

5 Overwegingen College SKJ

Uit eerdergenoemd artikel 39 lid 1 TR volgt dat een verzoek tot herziening alleen mogelijk is, als aan degene die om herziening verzoekt een maatregel is opgelegd. In de uitspraak d.d. 10 maart 2015 heeft het College juist afgezien van het opleggen van een maatregel, aangezien de heer B. nog voor het indienen van het beroepschrift voldoende tegemoet is gekomen aan de door de heer A. terecht gedane verzoeken. Het vorenstaande betekent, dat de heer B. in zijn verzoek tot herziening niet anders dan niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

Ten overvloede hecht het College eraan om het volgende nog aan te geven. Door het College zijn de stukken die door partijen zijn aangeleverd zo gelezen, dat de heer B. in de gehele periode waarop de klachten betrekking hadden voor de heer A. de contactpersoon bij de stichting Bureau Jeugdzorg […] is geweest. Door het College is geen bijzondere betekenis gehecht aan zijn stelling dat bepaalde verzoeken van de heer A. niet rechtstreeks aan hem zijn gericht. Daarbij is het College er veronderstellende wijze vanuit gegaan, dat deze schriftelijke verzoeken gericht waren aan de stichting Bureau Jeugdzorg […]. In een later stadium heeft de heer B. kennelijk uitgezocht hoe een en ander in het werk is gegaan en heeft hij deze verzoeken alsnog gehonoreerd. Dat deze omissie op die wijze is rechtgezet, heeft er in de uitspraak toe geleid, dat het College aanleiding zag af te zien van enige maatregel.

6 Uitspraak College SKJ

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende uitspraak.

Het verzoek tot herziening van de heer B. is niet-ontvankelijk, nu aan hem geen maatregel is opgelegd.

Uitspraak aldus gedaan op 16 juli 2015 in de genoemde samenstelling.

Mr. P.A.J.Th. van Teeffelen      Mevrouw mr. C. Abbing
Voorzitter                                      Secretaris