Maak een selectie

552 van 552

   
College van Toezicht
22/06/2021
Gedeeltelijk gegrond - Geen maatregel
Open
College van Toezicht
14/06/2021
Gedeeltelijk gegrond - Waarschuwing
Open
College van Toezicht
14/06/2021
Gedeeltelijk gegrond - Waarschuwing
Open
College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.020B

Een jeugdbeschermer heeft zich voldoende ingespannen om een vader te informeren en zijn vragen te beantwoorden. De opgelegde maatregel van waarschuwing wordt ingetrokken.

De jeugdprofessional en de vader zijn in beroep gegaan tegen een beslissing van het College van Toezicht. Het College van Toezicht heeft de acht klachtonderdelen deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

In de samenvatting wordt ingegaan op het beroep van de jeugdprofessional tegen klachtonderdeel 4. In dit klachtonderdeel wordt de jeugdprofessional verweten dat zij de vragen van de vader over de – in zijn ogen – beperkte contactregeling niet heeft beantwoord. Het College van Toezicht heeft dit klachtonderdeel gegrond verklaard onder andere omdat de jeugdprofessional het besluit van de GI om het contact tussen de dochter en de vader te beperken niet nader schriftelijk heeft onderbouwd en toegelicht.

De jeugdprofessional gaat tegen deze overweging in beroep. De jeugdprofessional vraagt zich af wat er aan communicatie nog meer van haar had kunnen worden verwacht en langs welke meetlat haar handelen is gelegd. Het College van Beroep overweegt dat het per situatie verschillend kan zijn wanneer een jeugdprofessional betrokkenen voldoende heeft geïnformeerd. Het College van Beroep stelt echter wel vast dat het schriftelijk onderbouwen van de beslissing om het contact te beperken geen deel uitmaakt van het klachtonderdeel zoals de vader dit heeft geformuleerd. Het College van Toezicht heeft hiermee ten onrechte het klachtonderdeel zelfstandig heeft uitgebreid waardoor het College van Beroep van oordeel is dat op dit punt de beslissing moet worden vernietigd.

Anders dan het College van Toezicht is het College van Beroep daarnaast van oordeel dat de jeugdprofessional de vader voldoende heeft geïnformeerd. Hierbij heeft het College van Beroep oog voor de veelheid aan correspondentie tussen partijen. Het College van Beroep is van oordeel dat de jeugdprofessional zich voldoende heeft ingespannen om de vader te informeren en waar mogelijk zijn vragen te beantwoorden.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 21.221Ta

Het College vraagt verweer op voor één klachtonderdeel. In de andere drie klachtonderdelen is de moeder niet-ontvankelijk verklaard.

De voorzitter van het College van Toezicht kan in een tussenbeslissing een klager op grond van artikel 7.7 van het Tuchtreglement, versie 1.4 (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk verklaren in de klacht. Voor de ontvankelijke klachtonderdelen wordt dan verweer bij de jeugdprofessional opgevraagd. Tegen een tussenbeslissing als deze staat geen beroep open.

De kinderen van de moeder zijn onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. De moeder heeft een klacht ingediend tegen een jeugdprofessional die betrokken is als gedragswetenschapper. De moeder klaagt in klachtonderdeel 1 dat de jeugdprofessional zich niet heeft voorgesteld en zij er middels een CC e-mailbericht achter is gekomen dat de jeugdprofessional de betrokken jeugdbeschermers als gedragswetenschapper ondersteunt. Dit klachtonderdeel heeft de moeder onderbouwd met relevante bijlagen. Wat betreft dit klachtonderdeel wordt verweer bij de jeugdprofessional opgevraagd.

De voorzitter constateert dat klachtonderdelen 2 en 3 niet zien op het handelen van de jeugdprofessional, maar van de betrokken jeugdbeschermers. De moeder wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in deze klachtonderdelen (artikel 7.7 sub b van het Tuchtreglement). Wat betreft klachtonderdeel 4 oordeelt de voorzitter dat de moeder heeft nagelaten om een bijlage toe te voegen die betrekking heeft op de klacht. Hierdoor kan klachtonderdeel 4 onvoldoende inhoudelijk getoetst worden. Op grond van artikel 7.7 sub a van het Tuchtreglement wordt de moeder niet-ontvankelijk verklaard in de klacht.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.425Ta

Een jeugdbeschermer heeft nagelaten een ‘pas op de plaats’ te maken bij een verzoek tot (spoed)uithuisplaatsing. Het is onvoldoende vast komen te staan dat de veiligheid van de zoon (met behulp van het netwerk) niet voldoende gewaarborgd was voor nog in ieder geval een etmaal.

Klager is de moeder van een zoon die is geboren in 2017. De zoon is toen hij vier maanden oud was met een spoedmachtiging uit huis geplaatst. De moeder dient een klacht in tegen de jeugdprofessional die betrokken is geweest bij deze uithuisplaatsing en verwijt haar dat zij met betrekking tot deze uithuisplaatsing onzorgvuldig heeft gehandeld.

Het College heeft de klacht deels gegrond verklaard. Het is het College gebleken dat de jeugdprofessional, ondanks de ambivalente houding van moeder tegenover de hulpverlening, heeft geprobeerd met de moeder afspraken te maken en met haar in gesprek te blijven. Het is het College echter ook gebleken dat er uiteindelijk sprake is geweest van een omslagpunt. Dit omslagpunt vindt plaats tijdens het gesprek bij de moeder thuis waar de jeugdprofessional de RvdK vraagt de kinderrechter te verzoeken voorlopige kinderbeschermingsmaatregelen uit te spreken. Volgens het College wordt tijdens dit gesprek echter voldaan aan de gestelde 24/7 bodemeis en was de moeder nog bezig om de betreffende hulp te organiseren. Het is voor het College onvoldoende vast komen te staan dat de veiligheid van de zoon (met behulp van het netwerk) niet voldoende gewaarborgd was voor nog in ieder geval een etmaal. Het College is dan ook van oordeel dat de beslissing van de jeugdprofessional om een verzoek te doen tot (spoed)uithuisplaatsing van de zoon prematuur was. De jeugdprofessional had een ‘pas op de plaats’ moeten maken. Dit had haar de mogelijkheid gegeven om bijvoorbeeld een groot overleg te organiseren, waarbij ook het netwerk betrokken was, om zo de mogelijkheden te onderzoeken en bespreken. Doordat de jeugdprofessional heeft nagelaten deze ‘pas op de plaats’ te maken heeft zij niet in lijn gehandeld met artikel A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) en artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugd- en gezinsprofessional en de richtlijn Crisisplaatsing. Het College is van oordeel dat de klacht in zoverre dan ook gegrond is. Voor het overige is het College van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Het College ziet ondanks dat de klacht gedeeltelijk gegrond is, onvoldoende aanleiding om aan de jeugdprofessional een tuchtrechtelijke maatregel op te leggen. Hierbij overweegt het College dat de jeugdprofessional een korte periode betrokken is geweest, er niet eerder een tuchtklacht tegen haar is ingediend, de ambivalente houding van de moeder in het proces en dat het College ook heeft geconcludeerd dat meerdere stappen door de jeugdprofessional wel zorgvuldig zijn genomen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.412Ta

Een contextueel systeemtherapeut heeft onvoldoende oog gehad voor de neutrale en onpartijdige positie die zij in het kader van een (reeds afgesloten) traject van ouderschapsbemiddeling dient in te nemen en is onzorgvuldig geweest in de informatieverstrekking met betrekking tot de opgestelde evaluatierapportage.

Een moeder van een minderjarige dochter heeft een klacht, bestaande uit drie klachtonderdelen, ingediend tegen de jeugdprofessional, werkzaam als contextueel systeemtherapeut. In het kader van een ondertoezichtstelling heeft de betrokken jeugdbeschermer van de GI de moeder en haar ex-partner (de vader) aangemeld voor een traject van ouderschapsbemiddeling. De ouderschapsbemiddeling is gezamenlijk uitgevoerd door de jeugdprofessional en haar collega, tevens beklaagde in zaaknummer 20.412Tb. Deze samenvatting richt zich op klachtonderdelen 1 en 2, die door het College gegrond zijn verklaard.

In klachtonderdeel 1 wordt de jeugdprofessional verweten dat zij zich onvoldoende neutraal heeft opgesteld, in het bijzonder ten aanzien van een e-mail die zij, na het stopzetten van de ouderschapsbemiddeling door moeder, aan de advocaat van de vader heeft gestuurd. In de e-mail aan de advocaat van de vader laat de jeugdprofessional zich op een positieve wijze uit over de vader en schrijft zij dat zij de communicatie vanuit de moeder als zeer moeizaam heeft ervaren. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional buiten de strijd tussen de ouders had moeten blijven, juist nu zij in het kader van ouderschapsbemiddeling bij de ouders betrokken is geweest. Bovendien had de moeder al meerdere signalen gegeven dat zij de neutraliteit van de jeugdprofessional in twijfel trok en bleek uit het verzoek van de advocaat van de vader expliciet dat zij de vader bijstond in het kader van de gerechtelijke procedure omtrent de zorgregeling van de dochter. De jeugdprofessional had zich dienen te realiseren dat haar reactie mogelijk bij een rechter terecht zou komen en dat met haar e-mail bij de moeder de indruk zou kunnen ontstaan dat zij de vader ondersteunde in de gerechtelijke procedure tegen de moeder.

In klachtonderdeel 2 wordt de jeugdprofessional verweten dat zij de moeder vooraf niet in de gelegenheid heeft gesteld inhoudelijk te reageren op de evaluatierapportage, die zij op verzoek van de GI heeft opgesteld. De jeugdprofessional heeft erkend dat zij de moeder vooraf niet in de gelegenheid heeft gesteld op de evaluatierapportage te reageren. Het College oordeelt dat het tot de verantwoordelijkheid van een jeugdprofessional behoort om ouders concreet te wijzen op opgestelde rapportages en hen de gelegenheid te bieden daarop te kunnen reageren en (feitelijkheden) te corrigeren. De jeugdprofessional heeft onvoldoende blijk gegeven van de invloed van de evaluatierapportage voor de betrokkenen. De omstandigheid dat de aanvullingen van de moeder achteraf (door de betrokken jeugdbeschermer van de GI) zijn toegevoegd aan de evaluatierapportage doet daar niet aan af.

Gelet op de getoonde reflectie gaat het College er vanuit dat de jeugdprofessional lering heeft getrokken uit de casus en dat de onderhavige beslissing bijdraagt aan de verdere bewustwording van de jeugdprofessional over haar rol en positie, ook wanneer een hulpverleningstraject al afgesloten is. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.412Tb

Een contextueel systeemtherapeut heeft onvoldoende oog gehad voor de neutrale en onpartijdige positie die zij in het kader van een (reeds afgesloten) traject van ouderschapsbemiddeling dient in te nemen en is onzorgvuldig geweest in de informatieverstrekking met betrekking tot de opgestelde evaluatierapportage.

Een moeder van een minderjarige dochter heeft een klacht, bestaande uit drie klachtonderdelen, ingediend tegen de jeugdprofessional, werkzaam als contextueel systeemtherapeut. In het kader van een ondertoezichtstelling heeft de betrokken jeugdbeschermer van de GI de moeder en haar ex-partner (de vader) aangemeld voor een traject van ouderschapsbemiddeling. De ouderschapsbemiddeling is gezamenlijk uitgevoerd door de jeugdprofessional en haar collega, tevens beklaagde in zaaknummer 20.412Ta. Deze samenvatting richt zich op klachtonderdelen 1 en 2, die door het College gegrond zijn verklaard.

In klachtonderdeel 1 wordt de jeugdprofessional verweten dat zij zich onvoldoende neutraal heeft opgesteld, in het bijzonder ten aanzien van een e-mail die zij, na het stopzetten van de ouderschapsbemiddeling door moeder, aan de advocaat van de vader heeft gestuurd. In de e-mail aan de advocaat van de vader laat de jeugdprofessional zich op een positieve wijze uit over de vader en schrijft zij dat zij de communicatie vanuit de moeder als zeer moeizaam heeft ervaren. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional buiten de strijd tussen de ouders had moeten blijven, juist nu zij in het kader van ouderschapsbemiddeling bij de ouders betrokken is geweest. Bovendien had de moeder al meerdere signalen gegeven dat zij de neutraliteit van de jeugdprofessional in twijfel trok en bleek uit het verzoek van de advocaat van de vader expliciet dat zij de vader bijstond in het kader van de gerechtelijke procedure omtrent de zorgregeling van de dochter. De jeugdprofessional had zich dienen te realiseren dat haar reactie mogelijk bij een rechter terecht zou komen en dat met haar e-mail bij de moeder de indruk zou kunnen ontstaan dat zij de vader ondersteunde in de gerechtelijke procedure tegen de moeder.

In klachtonderdeel 2 wordt de jeugdprofessional verweten dat zij de moeder vooraf niet in de gelegenheid heeft gesteld inhoudelijk te reageren op de evaluatierapportage, die zij op verzoek van de GI heeft opgesteld. De jeugdprofessional heeft erkend dat zij de moeder vooraf niet in de gelegenheid heeft gesteld op de evaluatierapportage te reageren. Het College oordeelt dat het tot de verantwoordelijkheid van een jeugdprofessional behoort om ouders concreet te wijzen op opgestelde rapportages en hen de gelegenheid te bieden daarop te kunnen reageren en (feitelijkheden) te corrigeren. De jeugdprofessional heeft onvoldoende blijk gegeven van de invloed van de evaluatierapportage voor de betrokkenen. De omstandigheid dat de aanvullingen van de moeder achteraf (door de betrokken jeugdbeschermer van de GI) zijn toegevoegd aan de evaluatierapportage doet daar niet aan af.

Gelet op de getoonde reflectie gaat het College er vanuit dat de jeugdprofessional lering heeft getrokken uit de casus en dat de onderhavige beslissing bijdraagt aan de verdere bewustwording van de jeugdprofessional over haar rol en positie, ook wanneer een hulpverleningstraject al afgesloten is. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.202Ta

Een jeugdbeschermer wordt onder meer verweten dat hij onbevoegd heeft gediagnosticeerd dat sprake was van een loyaliteitsconflict en dat hij onvoldoende neutraal was tussen de ouders

Een vader van drie minderjarige kinderen is in 2015 gescheiden van de moeder van de kinderen. In september 2015 heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht gesteld.  De vader heeft samen en zijn partner een klacht ingediend tegen de jeugdbeschermer, die sinds 2017 namens de GI belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het College van Toezicht (hierna te noemen: het College) heeft de klacht in alle vier de onderdelen ongegrond verklaard.

De vader en zijn partner verwijten de jeugdprofessional allereerst dat hij onbevoegd heeft gediagnosticeerd dat sprake was van een loyaliteitsconflict. De jeugdprofessional heeft betwist dat hij heeft gediagnosticeerd. In dit kader heeft het College vastgesteld dat de jeugdprofessional een gedragsbeschrijving heeft gegeven in combinatie met andere relevante omstandigheden, zoals een complexe scheiding, waartoe hij is gekomen in overleg met onder meer de gedragswetenschapper van de GI. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional met dit handelen niet de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening heeft overschreden. Hierbij overweegt het College dat als een jeugdprofessional een loyaliteitsconflict constateert (in afstemming met onder meer de gedragswetenschapper van de GI), dit niet betekent dat dit kan worden uitgelegd als een diagnose die wordt gesteld.

Tevens hebben de vader en zijn partner de jeugdprofessional verweten dat hij de zorgen van de vader niet serieus neemt, dat hij geen oog heeft voor de jongste zoon en dat hij onvoldoende neutraal is tussen de ouders. In dit kader is het College van oordeel dat de jeugdprofessional de zorgen van de vader serieus heeft genomen en dat hij heeft gehandeld in lijn met de Beroepscode. Tevens is het College is van oordeel dat de jeugdprofessional blijk heeft gegeven oog te hebben voor de jongste zoon met zijn handelen als regievoerder en met de door hem genomen stappen. Wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional niet neutraal was tussen de ouders, onderstreept het College dat het belang van de kinderen een eerste overweging vormt, maar merkt daarbij in het algemeen op dat jeugdprofessionals zich moeten realiseren dat andere belangen ook in overweging dienen te worden genomen. In dit specifieke geval had de jeugdprofessional bijvoorbeeld aan de vader een uitgebreidere toelichting kunnen geven waarom geen schriftelijke aanwijzing aan de moeder werd gegeven. Hoewel het handelen van de jeugdprofessional op dit specifieke punt beter had gekund, is hij gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.246Ta

Een pleegzorgwerker klaagt over de samenwerkingsrelatie met een jeugdbeschermer. Het College acht het zorgelijk dat de samenwerking tussen pleegzorgwerkers en jeugdbeschermers in een systeem van ketensamenwerking kennelijk een veelvoorkomend probleem is. Het College geeft een signaal af aan jeugdprofessionals en organisaties om problemen in de samenwerkingsrelatie in een vroeg stadium te herkennen en zorg te dragen voor verbetering.

Een pleegzorgwerker dient een klacht in, die bestaat uit twee klachtonderdelen, over een jeugdbeschermer waarmee zij samen heeft gewerkt in een casus. Het College verklaart beide klachtonderdelen gegrond.

Het College is het gebleken dat de partijen ten tijde van de samenwerking een andere visie hadden op wat (het meest) in het belang van een jeugdige was in het contact met zijn moeder. Het College acht het zorgelijk dat daardoor uiteindelijk sprake is geweest van een dusdanig verstoorde samenwerkingsrelatie dat de jeugdbeschermer het (inhoudelijk) contact met de pleegzorgwerker uit de weg is gegaan en de jeugdbeschermer het pleeggezin heeft aangemeld bij een andere pleegzorgaanbieder zonder de pleegzorgwerker (en de pleegouders) hierbij te betrekken. Daarnaast heeft de jeugdbeschermer onvoldoende gereflecteerd op haar handelen. Omdat al in eerdere tuchtrechtelijke procedure aan de jeugdbeschermer de maatregel van waarschuwing is opgelegd, ziet het College aanleiding de maatregel van berisping op te leggen, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

Omdat partijen tijdens de mondelinge behandeling kenbaar hebben gemaakt dat problemen in de samenwerking tussen pleegzorgwerkers en jeugdbeschermers in de dagelijkse praktijk regelmatig voorkomen, heeft het College aanleiding gezien hierover iets op te merken in de beslissing.
Het College acht het zorgelijk dat dit schijnbaar een veelvoorkomend probleem is in een systeem dat op ketensamenwerking is gebaseerd. Het College ziet daarom aanleiding een signaal te geven aan jeugdprofessionals en organisaties om problemen in de samenwerkingsrelatie in een vroeg stadium te herkennen en zorg te dragen voor verbetering.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.019B

Het beroep van een moeder slaagt niet. Alhoewel het beter was geweest als de jeugdprofessional in de briefrapportage duidelijk had vermeld welke bronnen zij had geraadpleegd en uit welk jaar deze informatie kwam, heeft de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Het College van Beroep benadrukt dat een jeugdprofessional zich goed bewust dient te zijn van de impact van hetgeen hij of zij rapporteert, omdat rapportages langdurige en mogelijk ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de betrokkenen. Het is daarbij van belang dat een onderscheid wordt gemaakt tussen harde en zachte gegevens.

Een moeder dient een klacht in tegen de jeugdbeschermer die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over haar twee zoons. De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij in een aan de rechtbank verstuurde briefrapportage ten onrechte heeft gesuggereerd dat bij de moeder sprake is van psychische problematiek en dat zij de kinderen bij hun school opzoekt. Het College van Toezicht heeft de klacht van de moeder ongegrond verklaard.

De moeder is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht. Het College van Beroep overweegt dat jeugdprofessionals bij de verslaglegging tot op zekere hoogte een eigen professionele vrijheid hebben in het kiezen van de formuleringen. Het College van Beroep benadrukt dat een jeugdprofessional zich daarbij goed bewust dient te zijn van de impact van hetgeen hij of zij rapporteert, omdat rapportages langdurige en mogelijk ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de betrokkenen. De Richtlijn ‘Feiten volledig en naar waarheid aanvoeren’ (Bijlage I bij Privacyreglement gecertificeerde instelling), hierna te noemen: de Richtlijn, geeft jeugdprofessionals op dit punt handvatten. In de Richtlijn is onder meer omschreven dat het van belang is dat uit een rapportage duidelijk blijkt wat de feiten zijn, of alle betrokkenen het wel of niet eens zijn met deze feiten en dat het duidelijk moet zijn of het om een mening, visie of een vermoeden gaat. Dit wordt in de Richtlijn ook wel het maken van een onderscheid tussen harde en zachte gegevens genoemd. Daarnaast dient kenbaar te zijn wat de bron van de informatie is, hoe actueel de gegevens zijn en wat de reactie van de cliënt is op de informatie. Indien in rapportages informatie is opgenomen waarvan op een later moment blijkt dat deze niet juist is, dient dit bovendien duidelijk kenbaar te zijn in het dossier en dient de onjuiste informatie niet verder te worden verwerkt. Het College van Beroep sluit zich aan bij het oordeel van het College van Toezicht dat het beter was geweest als de jeugdprofessional in de briefrapportage duidelijk had vermeld welke bronnen zij had geraadpleegd en uit welk jaar deze informatie kwam. De verzamelde feiten, gebeurtenissen en omstandigheden zijn op die manier objectiveerbaar en daarmee geeft de rapportage een zo waarheidsgetrouw mogelijk beeld van de situatie van de jeugdige(n), de ouders en andere betrokkenen. Dat de jeugdprofessional het anders of beter had kunnen doen, maakt in de visie van het College van Beroep echter nog niet dat haar een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het beroep van de moede slaagt niet en het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.133Ta

Het College verklaart de klacht deels gegrond, maar houdt rekening met de eerder opgelegde maatregel van berisping en ziet af van het opleggen van een (nog) zwaardere tuchtrechtelijke maatregel aan de jeugdbeschermer.

De vader dient opnieuw een klacht in tegen een jeugdbeschermer die bij het gezinssysteem van de vader betrokken is geweest. De klachtonderdelen 1,2 en 4 zijn ongegrond. Klachtonderdeel 3 is deels gegrond verklaard.

In klachtonderdeel 3 verwijt de vader de jeugdprofessional dat zij niet heeft gereflecteerd en het vertrouwen van de vader in de jeugdzorg heeft geschaad. Aanleiding voor dit klachtonderdeel is onder andere een begeleidend e-mailbericht dat de jeugdprofessional naar de vader heeft gestuurd bij een gerectificeerd gezinsplan. De vader was een kort geding procedure gestart om een passage uit een gezinsplan te (laten) verwijderen. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het gezinsplan aangepast moet worden en dat er een passage met betrekking tot een uitgevoerd TTT-onderzoek bij de dochter uit het plan moest worden verwijderd. De jeugdprofessional heeft aan dit vonnis uitvoering gegeven. Het College is echter van oordeel dat de jeugdprofessional ten aanzien van het  begeleidende e-mailbericht aan de ouders bij dit gerectificeerde gezinsplan tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij, ondanks de inhoud van het vonnis in kort geding, in dit e-mailbericht is blijven volharden in wat zij van het ziekenhuis zou hebben gehoord. Het College acht dit in het licht van de gevoerde kort geding procedure ongepast en onzorgvuldig. De jeugdprofessional heeft hiermee onvoldoende de grenzen van haar expertise (h)erkend, wat een schending oplevert van artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode. Daarnaast heeft de jeugdprofessional hiermee het vertrouwen van de vader in de jeugdzorg (verder) geschaad. Dit levert een schending op van artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode.

Gelet op de deels gegrondverklaring heeft het College beoordeeld of er aan de jeugdprofessional een tuchtrechtelijke maatregel wordt opgelegd en, zo ja, welke. Hierbij neemt het College in overweging dat de vader eerder een klacht heeft ingediend en dat naar aanleiding daarvan aan de jeugdprofessional de maatregel van berisping is opgelegd, zonder openbaarmaking van deze maatregel. Het College houdt rekening met deze voorafgaand (deels) gegrond verklaarde klacht, in zoverre dat dat het College overweegt dat er reeds een zware tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Het College is van oordeel dat een (nog) zwaardere tuchtmaatregel niet op zijn plaats is. Hierbij overweegt het College dat is gebleken dat de jeugdprofessional zich de procedure(s) heeft aangetrokken. Daarnaast heeft zij tijdens de mondelinge behandeling van de klacht overtuigend toegelicht lering te hebben getrokken uit de zaak. Ook heeft het College oog voor de ingewikkelde context en de vele details in de zaak. Omdat de jeugdprofessional overtuigend heeft gereflecteerd op haar handelen en dit handelen met betrekking tot de diverse klachtonderdelen helder heeft toegelicht, ziet het College geen aanleiding op bovenop de reeds opgelegde maatregel van berisping, een (deels) beroepsbeperkende maatregel op te leggen of de reeds opgelegde maatregel van berisping openbaar te maken.