Maak een selectie

368 van 368

   
College van Toezicht
27/02/2020
zaaknummer: 19.406Ta
Gedeeltelijk gegrond - Berisping zonder openbaarmaking

De jeugdprofessional heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat de informatie die hij heeft gegeven aan de RvdK niet gebaseerd is op feiten maar op zijn persoonlijke mening. De informatie heeft hij niet gerectificeerd. De jeugdprofessional heeft verder niet gereageerd op e-mails van de gemachtigde van de moeder en heeft te lang gewacht met het afgeven van een schriftelijke aanwijzing.

Beroepscode: D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) | M (Verslaglegging / dossiervorming) | O (Beroepsuitoefening en samenwerking) | Q (Toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep)
Open
College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.018B

Het beroep van een jeugdbeschermer slaagt. Het College van Toezicht heeft ten onrechte op eigen initiatief een klachtonderdeel uitgebreid. De opgelegde maatregel van waarschuwing wordt ingetrokken.

Zowel de jeugdbeschermer als de vader zijn in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht. Het College van Toezicht heeft de klachtonderdelen deels gegrond verklaard en aan de jeugdbeschermer de maatregel van waarschuwing opgelegd.

Het College van Beroep komt tot het oordeel dat het beroep van de jeugdprofessional slaagt.
Het College van Toezicht heeft namelijk ten onrechte een klachtonderdeel toegevoegd c.q. een klachtonderdeel gedestilleerd uit de door de vader aangeleverde toelichting. In dat kader verwijst het College van Beroep naar de beslissing in zaaknummer 17.028B waarin het College van Beroep zich reeds heeft uitgelaten over het ten onrechte uitbreiden van klachtonderdelen en/of klachtonderdelen die zijn gedestilleerd uit een door een klager aangeleverde toelichting. De verantwoordelijkheid om klachten helder te formuleren ligt op grond van artikel 7.5 onder d. van het Tuchtreglement (versie 1.2) bij een klager, al dan niet bijgestaan door een vertrouwenspersoon of een gemachtigde. De omvang van de klachten die ter beoordeling aan de tuchtcolleges voor liggen, dient voor alle betrokkenen, inclusief de tuchtcolleges zelf, helder te zijn. Teneinde de schijn van partijdigheid te voorkomen heeft het College van Toezicht, dan wel het College van Beroep, niet de bevoegdheid om zelf klachten te (her)formuleren en/of te destilleren uit een door een klager aangeleverde toelichting. Gelet op het gegrond verklaarde beroep van de jeugdprofessional trekt het College van Beroep de aan de jeugdprofessional opgelegde maatregel van waarschuwing in.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.158Ta

De door klager ingediende geluidopnames zijn toegelaten tot de procedure. Dat deze opnames slechts enkele delen uit een gesprek beslaan, zoals namens de jeugdbeschermer aangevoerd, is onvoldoende reden om het bewijs uit te sluiten. De jeugdbeschermer heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld omdat hij nagelaten heeft het laatst gewijzigde plan van aanpak als zijnde vastgesteld te communiceren en ook is die versie niet aan de ouders toegestuurd.

De vader van een minderjarige dochter dient acht klachtonderdelen in tegen de jeugdprofessional die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de dochter. De jeugdprofessional wordt onder andere verweten dat hij het advies van Veilig Thuis niet opvolgt, onvoldoende kennis heeft over het voeren van een kindgesprek en onvolledig communiceert rondom het plan van aanpak. De jeugdprofessional heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De ingediende geluidopnames:
De vader heeft zijn klaagschrift onder meer met geluidopnames onderbouwd. Namens de jeugdprofessional is verzocht deze op grond van artikel 8.11 van het Tuchtreglement niet toe te laten tot de procedure. De bijbehorende transcripties beslaan immers maar een zeer beperkt deel uit de gesprekken en zijn daarom niet meer dan een momentopname. Het College overweegt, met verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt, dat het algemene maatschappelijke belang tot waarheidsvinding, en het belang dat partijen hebben om hun stelling in rechte aannemelijk te kunnen maken, in beginsel zwaarder dient te wegen dan het belang van uitsluiting van (onrechtmatig verkregen) bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende (zwaarwegende) omstandigheden, is uitsluiting van bewijs gerechtvaardigd. Hiervan is niet gebleken.

De klachten:
Voor wat betreft het niet opvolgen van het advies van Veilig Thuis (klachtonderdeel 1), is het College van oordeel dat de beschikking van de kinderrechter het uitgangspunt dient te zijn voor het uitvoeren van de ondertoezichtstelling. De jeugdprofessional heeft zich volgens het College ingezet om het daarin voorgestelde traject op te starten. Verder wijst het College erop dat een jeugdprofessional, tot op zekere hoogte, een eigen professionele bevoegdheid heeft om een afweging te maken hoe hij het hulpverleningstraject vormgeeft.

Klachtonderdeel 6 gaat over de voorgestelde locatie van het kindgesprek. De vader stelt dat het moet gaan om een neutrale locatie. In de ‘Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ is opgenomen dat een vertrouwde locatie van belang is. Het College volgt het standpunt van de jeugdprofessional dat voor een dergelijk gesprek geen wettelijke voorschriften bestaan. Een jeugdprofessional dient per jeugdige een afweging te maken en zich ervoor in te zetten dat daarover overeenstemming wordt bereikt (artikel G (overeenstemming/instemming) van de Beroepscode). Als dat uitblijft, is het aan de jeugdprofessional en zijn of haar professionele bevoegdheid om te bepalen waar het kindgesprek plaatsvindt. Een ondertoezichtstelling is immers geen vrijblijvende maatregel en ouders dienen de aanwijzingen van een jeugdprofessional op te volgen.

Klachtonderdeel 7 wordt gedeeltelijk gegrond verklaard omdat gebleken is dat het laatst gewijzigde plan van aanpak niet als zijnde vastgesteld gecommuniceerd is en ook niet aan de ouders toegestuurd is. Artikel F (informatievoorziening) van de Beroepscode is daarmee geschonden. Het College wijst daarbij op artikel 4.1.3, lid 5, van de Jeugdwet, waaruit volgt dat een plan van aanpak vastgesteld dient te worden. Ook wordt erop gewezen dat het definitief vaststellen van het plan van aanpak eraan bijdraagt dat de hulpverlening gestructureerd wordt, hetgeen ten gunste kan komen van het verdere hulpverleningstraject.

Voor het overige worden de klachtonderdelen ongegrond verklaard. Er wordt aan de jeugdprofessional geen maatregel opgelegd.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.004Ta

Tegen een jeugd- en gezinscoach wordt een klacht bestaande uit vier klachtonderdelen ingediend. De voorzitter verklaart twee klachtonderdelen, voor wat betreft het maken van (individuele) afspraken kennelijk ongegrond, en verklaart de moeder in de andere twee klachtonderdelen niet-ontvankelijk.

De jeugdprofessional is als jeugd- en gezinscoach betrokken bij het gezin van de moeder. In het eerste klachtonderdeel verwijt de moeder het de jeugdprofessional dat er geen mogelijkheid is voor een individueel gesprek. Uit de door de moeder overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat de jeugdprofessional in ieder geval twee keer heeft aangeboden om een aparte afspraak bij de moeder thuis te maken. In het tweede klachtonderdeel verwijt de moeder het jeugdprofessional dat het niet lukt om een gezamenlijke afspraak met de vader in te plannen. De voorzitter oordeelt dat er uit de door de moeder overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat de jeugdprofessional het initiatief neemt om een afspraak in te plannen. Tevens heeft de jeugdprofessional de ouders meerdere malen gevraagd om zelf met datavoorstellen te komen. Op het moment dat er een afspraak wordt bevestigd, zegt de moeder de afspraak af en stelt vervolgens een andere datum voor. De voorzitter concludeert dat de jeugdprofessional in de eerste twee klachtonderdelen geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken en verklaart deze klachtonderdelen kennelijk ongegrond.

Uit de toelichting en de onderbouwende stukken bij klachtonderdeel 3 blijkt onvoldoende welke concrete handelingen de jeugdprofessional heeft verricht waardoor er mogelijk sprake kan zijn van een tuchtrechtelijk verwijt. Klachtonderdeel 4 heeft de moeder niet als tuchtrechtelijk verwijt geformuleerd. De voorzitter verklaart de moeder voor wat betreft deze twee klachtonderdelen niet-ontvankelijk in de klacht.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.113Ta

De jeugdprofessional heeft de moeder tijdens een gesprek niet correct bejegend. Ook is het plan van aanpak te laat opgesteld.

Samenvatting:

Klager is de moeder van twee minderjarige kinderen. De jeugdprofessional is in het vrijwillig kader bij het gezin van de moeder betrokken. De klacht heeft betrekking op het gedrag van de jeugdprofessional. Zij is tijdens een bemiddelingsgesprek met de vader en de moeder boos geworden. Ook verwijt de moeder de jeugdprofessional dat zij het plan van Aanpak te laat heeft opgesteld.

Het College overweegt als volgt. Nu de jeugdprofessional heeft erkend dat zij tijdens het gesprek op 19 oktober 2018 de moeder niet correct heeft bejegend, is dit gedeelte van de klacht gegrond. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional in strijd gehandeld met artikel E (respect) en artikel D (vertrouwen in de beroepsgroep) van de Beroepscode. De jeugdprofessional deze casus ingebracht als rollenspel in het team hetgeen getuigt van een professionele opstelling. De jeugdprofessional heeft de correcte stappen genomen door op haar handelen te reflecteren, de moeder schriftelijk excuses aan te bieden en met de moeder een bemiddelingsgesprek te voeren.

Op grond van artikel 4.1.3 lid 5 van de Jeugdwet wordt binnen zes weken een plan opgesteld. Het College is van oordeel dat de periode van januari 2018 tot en met september 2018 voor het opstellen van een gezinsplan te lang is. Een gezinsplan biedt niet alleen voor de moeder maar ook voor de zoon en voor de vader handvatten en structuur aan de hulpverlening voor een in tijd afgebakende periode. Daarnaast hanteert de instelling de werkwijze dat gespreksverslagen en de bevindingen van het team worden verwerkt in het gezinsplan. De verslaglegging heeft niet plaatsgevonden conform de beroepsstandaard zodat artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode is geschonden.

Het College acht het passend en geboden om aan de jeugdprofessional een maatregel van waarschuwing op te leggen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.406Ta

De jeugdprofessional heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat de informatie die hij heeft gegeven aan de RvdK niet gebaseerd is op feiten maar op zijn persoonlijke mening. De informatie heeft hij niet gerectificeerd. De jeugdprofessional heeft verder niet gereageerd op e-mails van de gemachtigde van de moeder en heeft te lang gewacht met het afgeven van een schriftelijke aanwijzing.

De moeder heeft een minderjarige dochter, geboren in de zomer van 2018. De moeder heeft korte tijd na de geboorte van de dochter het Centrum Jeugd en Gezin (hierna: CJG) om hulp gevraagd. Na overleg met de moeder is de dochter tijdelijk in een pleeggezin geplaatst. De moeder heeft één uur per week omgang met de dochter. In januari 2019 heeft het CJG de jeugdprofessional gevraagd om vanuit een [naam traject] in het vrijwillig kader mee te denken over de veiligheid van de dochter. De jeugdprofessional heeft namens de GI, na een gesprek met de moeder, de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) verzocht een verzoek in te dienen voor een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter. De kinderrechter heeft bij beschikking de dochter onder toezicht gesteld en heeft een machtiging tot uithuisplaatsing afgegeven.

De jeugdprofessional heeft namens de GI in een e-mail van 18 juli 2019 de moeder een vooraankondiging schriftelijke aanwijzing verzonden waarin is bepaald dat de moeder en de dochter elkaar één keer in de vier weken gedurende één uur onder begeleiding zien. Op 21 augustus 2019 heeft de jeugdprofessional namens de GI de schriftelijke aanwijzing afgegeven.

De moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij heeft nagelaten om op de e-mails van de gemachtigde van de moeder te reageren. Ook heeft de jeugdprofessional volgens de moeder aan de RvdK onvoldoende duidelijk gemaakt dat de informatie die hij heeft gegeven niet gebaseerd is op feiten maar op zijn professionele mening. De jeugdprofessional heeft de informatie niet gerectificeerd. Tot slot heeft hij te lang gewacht met het afgeven van een schriftelijke aanwijzing.

Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional heeft gehandeld in strijd met de artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), M (verslaglegging/dossiervorming), O (Beroepsuitoefening en samenwerking) en Q (Toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College in de eerste plaats dat twee klachtonderdelen gegrond zijn verklaard en twee klachtonderdelen gedeeltelijk gegrond en dat meerdere normen uit de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker zijn overtreden. Verder heeft de jeugdprofessional aangegeven dat hij door de hoge werkdruk niet heeft gereageerd op de e-mails van de gemachtigde. Het College begrijpt dat de werkdruk van de jeugdprofessional hoog is geweest. Maar de jeugdprofessional heeft in deze casus fouten gemaakt door in zijn eentje prioriteiten te stellen. Hij had bij de GI moeten aangeven dat hij met deze hoge werkdruk niet meer kon instaan voor de kwaliteit van zijn werk en het had op zijn weg gelegen om daar samen met de GI passende maatregelen op te nemen. Voorts heeft de jeugdprofessional onvoldoende gereflecteerd op zijn handelen. Het College mist een algemene beschouwing van de jeugdprofessional over de wijze waarop deze casus is verlopen.

Dit alles overwegende acht het College het passend en geboden om aan de jeugdprofessional een maatregel van berisping op te leggen zonder openbaarmaking van deze maatregel.

 

Wrakingskamer
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.017B-W

Een wrakingsverzoek gericht aan de leden van het College van Beroep in zaaknummer 19.017B. De wrakingskamer is van oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om (de schijn van) partijdigheid bij de leden aan te nemen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid overweegt de wrakingskamer het volgende. Nu er ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek nog geen sprake was van verzending van de beslissing in de hoofdzaak, geldt dat het wrakingsverzoek tijdig is ingediend. Dit geldt eens te meer nu partijen op 6 november 2019 gescheiden zijn gehoord, zij het telkens in aanwezigheid van beide gemachtigden. Derhalve houdt de wrakingskamer het ervoor dat de verzoekster eerst bekend is geworden met de wrakingsgronden nadat zij -na afloop van de mondelinge behandeling- was bijgepraat door haar gemachtigde omtrent het voorgevallene ter zitting.

Het wrakingsverzoek heeft, kort samengevat, betrekking op het feit dat het College de voor de klachtbehandeling relevante vragen niet heeft willen stellen. De gemachtigde van de verzoekster heeft een kort overzicht van de klachten en de vragen die volgens de verzoekster tot nu dan niet door de jeugdprofessional waren beantwoord, op papier aan het College overhandigd. De gemachtigde heeft daarbij het College verzocht de overgedragen vragen te stellen aan de jeugdprofessional. Het College heeft de vragen niet gesteld waardoor volgens de verzoekster het eindoordeel is beïnvloed i.c. gemanipuleerd.

De wrakingskamer concludeert, kijkend naar het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 6 november 2019 waarbij de verzoekster is gehoord, en de reacties die van de leden zijn ontvangen, dat de vragen van de verzoekster niet door het College zijn gesteld. Uit het verkort proces-verbaal maakt de wrakingskamer op dat de gemachtigde van de verzoekster het College heeft gevraagd om de vragen te stellen waarna de voorzitter heeft gevraagd hoe hij de klacht moet zien ten opzichte van de aangeleverde bijlagen. Door de voorzitter is daarbij verwezen naar het dossier in eerste aanleg, het verweerschrift en naar producties.

De verzoekster is van mening dat de jeugdprofessional over haar bepaalde aantijgingen heeft gedaan. De vragen hebben betrekking op deze aantijgingen. De wrakingskamer heeft gelezen in het verkort proces-verbaal dat de voorzitter heeft gewezen op een productie en daarbij heeft gezegd dat daarin is uitgelegd waar de aantijgingen vandaan komen. Op 6 november 2019 heeft de voorzitter tijdens de mondelinge behandeling van het College waarbij de jeugdprofessional is gehoord, kenbaar gemaakt dat er tijdens de vorige mondelinge behandeling, waarbij de verzoekster is gehoord, een pleitnota met vragen is overgelegd door de gemachtigde van de verzoekster en dat de voorzitter er vanuit gaat dat de jeugdprofessional een kopie ontvangt via zijn advocaat. De gemachtigde van de verzoekster heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de jeugdprofessional ondanks zijn toezeggingen de vragen niet inhoudelijk heeft beantwoord. De gemachtigde van de jeugdprofessional heeft daarop gereageerd. Hij is van mening dat de vragen algemeen zijn gesteld en af te leiden zijn uit het plan van aanpak en dat de vragen in het raadsrapport al waren beantwoord.

De wrakingskamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat de gewraakte voorzitter impliciet de vragen van de verzoekster tijdens de mondelinge behandeling aan de orde heeft gesteld. Wellicht was het voor de verzoekster bevredigender geweest als het College tijdens de mondelinge behandeling expliciet gesproken had over de vragen en het beantwoorden ervan. De wrakingskamer is echter van oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om (de schijn van) partijdigheid bij de leden aan te nemen.

De wrakingskamer wijst de wrakingsgrond af en verzoekt het College van Beroep om de procedure in de hoofdzaak zo spoedig mogelijk voort te zetten.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.439Ta

Het College acht zich op grond van de derde versie van het Tuchtreglement bevoegd te oordelen over een klacht die gaat over een op LinkedIn geplaatste reactie van een jeugdprofessional. Daarbij is meegewogen dat de functie en werkgever van de jeugdprofessional onder haar naam en in de reactie zichtbaar zijn. De geplaatste reactie acht het College diskwalificerend en onvoldoende respectvol richting de persoon van klager.

In de zomer van 2019 wordt een blog over uithuisplaatsingen geplaatst op het LinkedIn-profiel van een gecertificeerde instelling. Een van de reacties van klager op de betreffende blog is: “Ik word spontaan kotsmisselijk als ik dit zo lees. Nog een vijfjarig meisje wiens leven voor altijd verpest zal zijn door het monster dat zich ironisch genoeg ‘Jeugdbescherming’ noemt.” Tussen klager en de jeugdprofessional ontstaat vervolgens een discussie via hun reacties. In een van de reacties van de jeugdprofessional schrijft zij het volgende aan klager: “[tag klager] wist je dat er voor jouw soort verdraaid goede therapieën zijn samengesteld, gericht op het weer opnieuw vat krijgen op de realiteit en het opnieuw aanleren van constructieve communicatievormen?”

De ontvankelijkheid:
Het College acht zich bevoegd te oordelen over de klacht met inachtneming van artikel 3.1 sub b van het Tuchtreglement, versie 1.3. Daaruit volgt dat de tuchtnorm ook geschonden kan worden wanneer een gedraging van een jeugdprofessional te kwalificeren is als iets wat een ‘behoorlijk jeugdprofessional’ niet hoort te doen. Dan gaat het om een gedraging die niet los gezien kan worden van de hoedanigheid van het zijn van een jeugdprofessional, en waarbij de gedraging voldoende weerslag heeft op de jeugdhulpverlening. Nu de jeugdprofessional zich op LinkedIn uitdrukkelijk als jeugdzorgwerker geprofileerd heeft, met vermelding van haar functie en werkgever, kan haar reactie in verband worden gebracht met de hoedanigheid van het zijn van jeugdprofessional. Doordat de jeugdprofessional zich op LinkedIn geprofileerd heeft als jeugdzorgwerker, geldt voor haar bij het gebruik van dat sociale media platform de maatschappelijke verantwoordelijkheid, die normaal ook geldt in de uitoefening van haar dagelijkse werkzaamheden als jeugdzorgwerker.

De klacht:
Klager verwijt de jeugdprofessional de bejegening van de persoon van klager op LinkedIn vanwege de geplaatste reactie. De jeugdprofessional heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het College overweegt dat van jeugdprofessionals verwacht wordt dat zij zich bewust zijn van hun voorbeeldfunctie en de daarbij horende maatschappelijke verantwoordelijkheid. In dat verband is van belang dat een jeugdprofessional zich te allen tijde neutraal en voldoende objectief opstelt, waarbij de noodzakelijke afstand (tot cliënten en/of derden) wordt bewaard. Het College kan niet anders concluderen dat de jeugdprofessional in de discussie met klager uit emotie gereageerd heeft. Het wordt haar kwalijk genomen dat zij zich diskwalificerend en onvoldoende respectvol uitgelaten heeft over de persoon van klager en de suggestie wekt dat hij therapieën nodig heeft voor het vat krijgen op de realiteit en het aanleren van constructieve communicatievormen, wat zij slechts gebaseerd heeft op de eerdere reactie(s) van klager op LinkedIn. Het College acht artikelen E (respect), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) en X (voorlichting over de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode geschonden.

Gelet op het gegeven dat de klager zich zeer negatief uitgelaten heeft over de jeugdbescherming van Nederland en ook omdat de jeugdprofessional zich reflectief opgesteld heeft, ziet het College af van het opleggen van een maatregel.

Ten slotte wordt nog algemeen benadrukt dat het van belang is dat jeugdprofessionals zich bewust zijn van uitlatingen die zij, in hun functie van jeugdprofessional, doen op sociale media. Deze kunnen immers van invloed zijn op (het vertrouwen in) de gehele beroepsgroep en/of de jeugdzorg.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.019B

Het College van Beroep volgt het standpunt van de moeder niet dat een medewerker van het buurtteam de hulpverlening heeft stopgezet en een uithuisplaatsing heeft geïnitieerd.

De jeugdprofessional, een medewerker van het buurtteam, is betrokken bij een moeder in het kader van ambulante hulpverlening tijdens en na haar zwangerschap. De moeder bevalt in augustus 2018 van een zoon. In september 2018 wordt de zoon door de kinderrechter onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling en in januari 2019 met spoed uit huis geplaatst. Door deze uithuisplaatsing bestaat er geen noodzaak meer voor de hulpverlening van de jeugdprofessional aan de moeder, waardoor deze is geëindigd. De moeder heeft bij het College van Toezicht een klacht ingediend over het handelen van de jeugdprofessional. Het College van Toezicht heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.

De moeder heeft beroep ingesteld tegen de beoordeling van het College van Toezicht van de klachtonderdelen I, II en III. Het College van Beroep is van oordeel dat het College van Toezicht deze klachtonderdelen terecht ongegrond heeft verklaard. Het College van Beroep ziet wel aanleiding om de motivering van klachtonderdeel I aan te vullen. Dit klachtonderdeel ziet erop dat de jeugdprofessional in strijd heeft gehandeld met de gemaakte afspraken en dat zij onvoldoende hulp heeft geboden aan de moeder. De moeder verwijt de jeugdprofessional dat er uit een situatie van positiviteit ineens is besloten tot het stopzetten van de hulpverlening en het uithuisplaatsen van de zoon. Het College van Beroep ziet dit anders. De jeugdprofessional heeft op verzoek van de jeugdbeschermer, die in het kader van de ondertoezichtstelling betrokken is, een verslag van bevindingen geschreven over de hulpverlening. Tijdens het bespreken van het verslag van bevindingen heeft er een incident in de woning van de moeder plaatsgevonden. De kinderrechter heeft niet lang daarna aanleiding gezien om voor de zoon een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. Door het uitspreken van deze kinderbeschermingsmaatregel bestond de noodzaak, zoals partijen hebben erkend tijdens de mondelinge behandeling van het beroep, voor de hulpverlening door de jeugdprofessional niet langer. Het College van Beroep kan daarom het standpunt van de moeder niet volgen dat het de jeugdprofessional is geweest die de hulpverlening heeft stopgezet. Het College van Beroep acht het van de zijde van de moeder daarnaast een verstrekkend verwijt dat de jeugdprofessional de uithuisplaatsing geïnitieerd zou hebben. Het College van Beroep acht het passend bij de taak van de jeugdprofessional, nog los van de vraag of zij in het kader van de Jeugdwet hiertoe verplicht is, dat zij inlichtingen verstrekt over de hulpverlening. Zoals de jeugdprofessional terecht in de begeleidende brief bij het verslag van bevindingen heeft geschreven, kan zij in dezen geen beslissingen nemen, maar valt dit geheel binnen de competentie van de jeugdbeschermer. Dat de jeugdprofessional mogelijk kon voorzien dat haar verslag niet zonder gevolgen zou blijven, is naar het oordeel van het College van Beroep voor de beoordeling van dit klachtonderdeel niet relevant. Zij heeft, passend bij haar taak, een verslag van bevindingen geschreven, met daarin zowel zorgen als krachten, en kan derhalve niet (tuchtrechtelijk) verantwoordelijk gehouden worden voor de daaruit voortvloeiende acties van ketenpartners.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.442Ta

De klacht tegen de jeugdbeschermer is in beginsel op grond het Tuchtreglement, versie 1.3, verjaard. De moeder dient desgevraagd een gemotiveerd verzoek in om de klacht toch te behandelen. Daarbij stelt zij dat het handelen van de jeugdprofessional plaats vond op het moment dat een voorgaande versie van het Tuchtreglement gold, waarin een verjaringstermijn van vijf jaar was opgenomen. De voorzitter wijst het verzoek af. Hierbij wordt o.a. gewezen op het feit dat de moeder op de hoogte was van de veranderde verjaringstermijn. De verjaringstermijn van drie jaar wijzigt in dit geval dus niet.

Klaagster is de moeder van twee kinderen. De jeugdprofessional is als gedragswetenschapper in het kader van de ondertoezichtstelling betrokken geweest bij het gezin van de moeder. De moeder heeft negen klachtonderdelen ingediend die zien op de periode van 25 januari 2016 tot 25 januari 2018. De klacht is ingediend op 7 november 2019.

Met de invoering van het Tuchtreglement versie 1.3, vervalt op grond van artikel 6.5. in beginsel de mogelijkheid tot het indienen van een klacht door verjaring na drie jaar. De klacht is ingediend meer dan drie jaar na het handelen waarover geklaagd wordt en daarmee in beginsel verjaard. Volgens artikel 6.7 van het Tuchtreglement kan een klager toch ontvankelijk worden verklaard in de klacht, als hij/zij voldoende gemotiveerd duidelijk maakt waarom er niet eerder een klacht kon worden ingediend. De moeder heeft desgevraagd een motivering ingediend. De jeugdprofessional heeft hier verweer tegen gevoerd. Vervolgens heeft de voorzitter een beslissing genomen over de ontvankelijkheid van de moeder in haar klacht.

In haar onderbouwing  heeft de moeder (onder andere) aangevoerd dat het handelen van de jeugdprofessional ziet op de periode waarin de vorige versies van het Tuchtreglement van toepassing waren. In deze versies was een verjaringstermijn van vijf jaar opgenomen. De moeder heeft deze termijn in het achterhoofd gehouden voor het indienen van haar tuchtklacht. De moeder is niet van tevoren op de hoogte gesteld dat de verjaringstermijn werd verkort. De jeugdprofessional stelt zich in het verweer op het standpunt dat de door moeder genoemde redenen onvoldoende zijn om het verzoek toe te wijzen.

De voorzitter wijst het verzoek van de moeder af. De moeder heeft al eerder een tuchtprocedure gevoerd waar de verjaringstermijn een rol speelde. De moeder was dus al geruime tijd op de hoogte van de verkorte verjaringstermijn. Bovendien zou het volgen van het standpunt van de moeder, dat de handelingen hebben plaatsgevonden tijdens een periode waarin de vorige versies van het Tuchtreglement van toepassing waren, afbreuk doen aan de rechtszekerheid die het Tuchtreglement beoogt. Een jeugdprofessional mag niet te lang in onzekerheid leven met de wetenschap dat mogelijk een tuchtklacht kan worden ingediend.

De voorzitter handhaaft de verjaringstermijn zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement. De moeder wordt in de gelegenheid gesteld om het ingediende klaagschrift aan te passen met inachtneming van de verjaringstermijn.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.308Ta

De jeugdprofessional heeft na een verzoek van de moeder haar registratienummer ten onrechte niet verstrekt. Het College houdt rekening met de beperkte gevolgen hiervan voor de moeder.

De ouders zijn gescheiden. Zij hebben een zoon en een dochter. De jeugdprofessional is vanwege bestaande zorgen bij het gezin van de moeder betrokken. De jeugdprofessional en de moeder hebben telefonisch contact gehad over de zorgen. Volgens de jeugdprofessional heeft haar collega samen met de vader een mondelinge melding gedaan bij Veilig Thuis.

De moeder verwijt de jeugdprofessional onder andere dat zij op het moment dat de moeder hierom heeft gevraagd, geen informatie heeft gegeven over haar SKJ registratie. Op grond van artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode dient een jeugdprofessional informatie over de Beroepscode en het daaraan gekoppelde Tuchtrecht te verstrekken. De jeugdprofessional heeft niet conform dit artikel gehandeld door haar registratienummer op verzoek niet te (laten) verstrekken. Zij heeft hiervoor haar excuses aangeboden. Het College houdt rekening met de beperkte gevolgen van dit verwijtbaar handelen voor de moeder. Zo heeft zij ondanks het ontbreken van het registratienummer toch een tuchtklacht in kunnen dienen. Het College ziet daarom af van het opleggen van een maatregel.

De overige klachtonderdelen die betrekking hebben op het telefoongesprek, het dossier en het niet beantwoorden van vragen zijn ongegrond. Het College kan niet vaststellen wat er precies gezegd is tijdens het telefoongesprek. Het is mogelijk dat de jeugdprofessional tijdens het telefoongesprek heeft gesproken over een zorgmelding in plaats van een melding van zorgen. Hoewel dat ongelukkig zou zijn, leidt dat niet tot de conclusie dat de jeugdprofessional buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is getreden. De jeugdprofessional was verder niet verplicht om de moeder informatie over de hulpvraag van de vader te verstrekken en zij heeft de moeder schriftelijk geïnformeerd over de zorgen over de kinderen. Deze zorgen zijn voldoende concreet benoemd. Als de melding bij Veilig Thuis daadwerkelijk is gedaan, is dat na het indienen van de klacht gebeurd en is het begrijpelijk dat de klaagster geen antwoord heeft ontvangen op haar vragen over de melding bij Veilig Thuis.