Maak een selectie

457 van 457

   
College van Toezicht
04/11/2020
Gedeeltelijk gegrond - Voorwaardelijke schorsing
Open
College van Toezicht
30/09/2020
Gedeeltelijk gegrond - Waarschuwing

Zaaknummer: 19.556Ta

De gezinsvoogd heeft de pleegouders onvoldoende meegenomen in de totstandkoming van het besluit om de plaatsing van de pleegdochter voortijdig te beëindigen

Beroepscode: A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) | C (Bereid iedere cliënt te helpen) | D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) | E (Respect) | N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening)
Richtlijnen: Crisisplaatsing | Pleegzorg
Open
College van Toezicht
30/09/2020
Gedeeltelijk gegrond - Waarschuwing

Zaaknummer: 19.556Tb

De gezinsvoogd heeft de pleegouders onvoldoende meegenomen in de totstandkoming van het besluit om de plaatsing van de pleegdochter voortijdig te beëindigen

Beroepscode: A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) | C (Bereid iedere cliënt te helpen) | D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) | E (Respect) | N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening)
Richtlijnen: Crisisplaatsing | Pleegzorg
Open
College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.100Ta

Een sociaal pedagogisch hulpverlener heeft het risico genomen dat vertrouwelijke informatie bij derden zou kunnen terechtkomen door per e-mail de informatie onbeveiligd en niet versleuteld te versturen

De voormalige werkgever van de jeugdprofessional (hierna te noemen: klaagster) heeft tegen de jeugdprofessional, die in het vrijwillig kader werkzaam was, vijf klachtonderdelen ingediend. De klachtonderdelen zien op het functioneren van de jeugdprofessional in het bedrijf van klaagster.

Ten aanzien van de klachtonderdelen 2 en 5 stelt de jeugdprofessional dat klaagster niet-ontvankelijk is, omdat de klachtonderdelen arbeidsrechtelijk van aard zouden zijn. Het College is echter van oordeel dat als het gaat om het (dis)functioneren van een jeugdprofessional, een arbeidsrechtelijke procedure bij de kantonrechter een consequentie kan zijn. Dit neemt niet weg dat in een tuchtprocedure het individuele (beroepsmatige) handelen van een jeugdprofessional getoetst kan worden aan de voor hem of haar geldende professionele standaard. Het College ziet dan ook geen aanleiding om klaagster niet-ontvankelijk te verklaren.

Klachtonderdeel één, betreffende het niet vertrouwelijk behandelen van informatie door de jeugdprofessional, wordt gegrond verklaard. De onderbouwing van dit klachtonderdeel ziet specifiek op het sturen van een e-mail met bijlagen met persoonsgegevens van cliënten op 24 januari 2020 vanuit het e-mailadres van het bedrijf van klaagster naar het e-mailadres van de eenmanszaak van de jeugdprofessional. Bij de beoordeling van dit verwijt heeft het College zich ook tot dit voorbeeld beperkt. Het College is het met klaagster eens dat de jeugdprofessional ervoor dient te zorgen dat vertrouwelijke informatie zorgvuldig wordt verzonden en dat voorkomen moet worden dat het risico zich verwezenlijkt dat vertrouwelijke informatie bij een derde terechtkomt. Het standpunt van de jeugdprofessional dat zij de informatie naar het e-mailadres van haar eenmanszaak heeft gestuurd om de documenten thuis te kunnen printen die zij nodig had voor de normale uitoefening van haar werkzaamheden, maakt dat volgens het College niet anders. Zo had de jeugdprofessional de stukken op een ander moment op kantoor kunnen printen, waardoor zij geen onnodig risico had hoeven nemen. Door de vertrouwelijke informatie onbeveiligd en niet versleuteld naar het e-mailadres van haar eenmanszaak te sturen, heeft de jeugdprofessional artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode geschonden.

Hoewel grote waarde wordt gehecht aan het zorgvuldig omgaan met vertrouwelijke informatie, ziet het College voldoende aanleiding om af te zien van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional, omdat zij in de onderhavige tuchtzaak eenmalig is tekortgeschoten en geen sprake is geweest van feitelijk nadeel voor cliënten. Voorts wordt ervan uitgegaan dat het oordeel eraan bijdraagt dat de jeugdprofessional voor toekomstige gevallen haar werkwijze aanpast, zodat deze in lijn is met de professionele standaard.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.452Ta

De jeugdbeschermer heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op meerdere normen van de professionele standaard. Tevens is onvoldoende gebleken dat de jeugdprofessional heeft gereflecteerd op zijn handelen, terwijl de ernst van de feiten groot is. Er is onvoldoende sprake geweest van hoor en wederhoor, adviezen van het lokaal team zijn niet opgevolgd, er is meerdere keren niet inhoudelijk op e-mailberichten van de vader gereageerd, afspraken naar aanleiding van klachtgesprekken zijn niet nagekomen en tot slot is er een verschil in benadering van de ouders door de jeugdprofessional.

Klager dient zeven klachtonderdelen in tegen een jeugdprofessional die in eerste instantie is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling en vervolgens met de voogdijmaatregel over de dochter. Van de zeven klachtonderdelen worden zes klachtonderdelen (gedeeltelijk) gegrond verklaard. Gelet op de ernst van de feiten en het ontbreken van reflectie legt het College de maatregel van voorwaardelijke schorsing op. Deze samenvatting ziet toe op klachtonderdeel 1, 2 en 4.

In het eerste klachtonderdeel wordt het de jeugdprofessional verweten dat hij de adviezen van het lokaal team en derden, voor wat betreft het inzetten van hulpverlening voor de dochter bij de vader thuis, naast zich heeft neergelegd. De jeugdprofessional heeft desgevraagd aangegeven de hulpverlening bij de vader thuis niet in het belang van de dochter te achtten, omdat zij op dat moment al in een hulpverleningstraject zat en het de vader vrij stond om hulpverlening voor zichzelf in te zetten. Het is het College echter niet gebleken dat de jeugdprofessional de vader heeft geholpen bij het vinden van deze passende hulpverlening, dan wel dat hij de vader heeft ondersteund bij zijn hulpvraag. Hiermee is in strijd gehandeld met artikel C (Bereid iedere cliënt te helpen) van de Beroepscode. Verder is artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de beroepscode geschonden, omdat de jeugdprofessional is blijven volharden in zijn standpunt voor wat betreft de hulpverlening voor de dochter bij de vader thuis, terwijl het lokaal team juist aangaf dat blijvende ondersteuning in de thuissituatie noodzakelijk was. Tot slot is in dit klachtonderdeel niet gehandeld in lijn met de Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming gehandeld. In de voornoemde Richtlijn en de daarbij behorende werkkaarten wordt aangeraden om, in situaties zoals in onderhavige casus, het inzetten van een andere begeleiding, behandeling of interventie te overwegen. Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional dit heeft gedaan.

In klachtonderdeel 2 en 4 wordt het de jeugdprofessional – samengevat – verweten dat hij niet aan hoor en wederhoor heeft gedaan. Deze klachtonderdelen worden gegrond verklaard. De jeugdprofessional heeft standpunten uit het verweerschrift van de moeder overgenomen en niet naar de visie van de vader gevraagd. De jeugdprofessional heeft hiermee gehandeld in strijd met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) en artikel E (Respect) van de Beroepscode. Voorts is door het lokaal team en de vorige jeugdbeschermer geconstateerd dat de dochter discongruente verhalen vertelde. Het lag naar het oordeel van het College op de weg van de jeugdprofessional om de verhalen van de dochter zowel bij de moeder als de vader te controleren. Temeer omdat de vader in een afhankelijkheidspositie van de jeugdprofessional zat. Hij was voor zijn positie in het hulpverleningstraject en voor wat betreft een co-ouderschapsregeling onder meer afhankelijk van hetgeen de dochter aan de jeugdprofessional heeft verteld, wat vervolgens niet door de jeugdprofessional bij de vader is gecontroleerd. Artikel H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode zijn hiermee geschonden. Tot slot is ook in dit klachtonderdeel niet in lijn gehandeld met de Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.226Ta

De jeugdbeschermer heeft nagelaten om met de gezinshuisouders de zorgen over de plaatsing van de minderjarige in het gezinshuis te bespreken, alvorens de beslissing te nemen de minderjarige over te plaatsen

De gezinshuisouders hebben tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest in het gedwongen kader, zeven klachtonderdelen ingediend. In september 2017 is de minderjarige in het gezinshuis van de gezinshuisouders geplaatst. Vanaf medio juni 2018 is de jeugdprofessional namens de GI belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De GI is in november 2018 benoemd tot voogd over de minderjarige. Eind maart 2019 is de minderjarige overgeplaatst naar een ander gezinshuis.

De gezinshuisouders verwijten de jeugdprofessional dat zij niet betrokken is geweest bij de minderjarige, dat zij niet de gevraagde acties heeft ondernomen en dat zij niets deed met de signalen rondom de (bedreigde) ontwikkeling van de minderjarige. Daarnaast was het volgens de gezinshuisouders moeilijk om samen te werken met de jeugdprofessional, heeft zij diverse keren dingen aangegeven die niet klopten en misbruikte zij haar macht. Tot slot verwijten de gezinshuisouders de jeugdprofessional in klachtonderdeel zes dat zij een ongegronde en niet met feiten onderbouwde overplaatsing heeft gearrangeerd. Dit klachtonderdeel is gedeeltelijk gegrond verklaard door het College van Toezicht, namelijk voor zover de gezinshuisouders de jeugdprofessional verwijten geen hoor en wederhoor te hebben toegepast in aanloop naar de totstandkoming van de beslissing om de minderjarige over te plaatsen. De jeugdprofessional heeft nagelaten het gesprek met de gezinshuisouders aan te gaan en de zorgen over de plaatsing van de minderjarige te bespreken. Het College van Toezicht benadrukt het belang van open communicatie voor de samenwerking tussen alle betrokken partijen, in het bijzonder om de stabiliteit en continuïteit van een plaatsing te bevorderen. Dit is ook vastgelegd in de ‘Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ (waarnaar voor gezinshuizen aanvullend wordt verwezen in de ‘Richtlijn Residentiële jeugdhulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming’).

Het handelen van de jeugdprofessional levert volgens het College van Toezicht een schending op van artikel N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. Bij het opleggen van de maatregel van waarschuwing heeft het College van Toezicht rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de jeugdprofessional heeft moeten handelen. Zo speelde vanaf het moment dat de jeugdprofessional betrokken raakte bij de minderjarige reeds veel (hoogoplopende) zaken en moest zij in een complexe situatie handelen. Daarbij ontbraken duidelijke kaders voor de samenwerking, hetgeen zijn weerslag heeft gehad op de hele periode van samenwerking. Dat het in dit geval ging om de samenwerking tussen twee professionele partijen met een gezamenlijk belang, namelijk dat van de minderjarige, weegt het College van Toezicht ook mee in het geheel, evenals de door de jeugdprofessional getoonde reflectie tijdens de mondelinge behandeling van de klacht.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.479Ta

Een jeugdbeschermer heeft – onder meer – te vrijblijvend en onzorgvuldig gehandeld na de melding van een seksueel incident bij een jeugdige, heeft een voorbarige toezegging gedaan over een terugplaatsing van een jeugdige en zelf toestemming gegeven aan een tante de kinderen mee te nemen op een vakantie.

De voormalige werkgever (hierna te noemen: de GI) heeft de klacht tegen de jeugdprofessional ingediend. De jeugdprofessional is gestart in opleiding en een half jaar in dienst geweest. Na extra ondersteuning te hebben ingezet, heeft de GI de arbeidsovereenkomst niet verlengd. De jeugdprofessional is in die periode betrokken geweest bij een aantal jeugdigen en hun gezinnen. Er zijn volgens de GI ernstige feiten en kwesties naar boven gekomen voor wat betreft het functioneren. De handelwijze van de jeugdprofessional heeft de veiligheid van de kinderen ernstig in het geding gebracht. Hierdoor is de betrouwbaarheid als organisatie in diskrediet gebracht.

De jeugdprofessional heeft verklaard dat alle aantijgingen zijn gerelateerd aan de onwetendheid van een beginnend jeugdprofessional. Er was een overvloed aan casuïstiek, bedreigingen en hameren op procedures, die nauwelijks te vinden waren in de verwarrende systemen van de GI. De jeugdprofessional kon nog niet op de hoogte zijn van alle procedures. Zij heeft geprobeerd zorgvuldig, afwegend en onderzoekend te handelen en te kijken naar wat passend was voor het kind. Daarbij heeft zij nooit alleen gehandeld, maar altijd gespard met onder andere collega’s.

De GI heeft elf klachtonderdelen aangevoerd, die afzonderlijke casussen betreffen. Vier klachtonderdelen zijn gegrond. De overige zeven zijn ongegrond. Deze samenvatting gaat verder, gezien het lerende effect, alleen in op de vier gegrond verklaarde klachtonderdelen. Het College acht het verwijtbaar dat de jeugdprofessional te vrijblijvend en onzorgvuldig heeft gehandeld na de melding van een seksueel incident bij een jeugdige, dat zij een voorbarige toezegging heeft gedaan over een terugplaatsing van een jeugdige en ook – na daarop aangesproken te zijn – deze niet heeft teruggedraaid. Voorts heeft de jeugdprofessional zelf toestemming gegeven aan een tante de kinderen mee te nemen op een vakantie, en de moeder met gezag via Whatsapp onder druk gezet de kinderen aan de tante mee te geven. Daarmee zijn de artikelen A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen),  B (Bevordering deskundigheid), D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming), E (Respect), H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie), artikel K (Vermoeden van kindermishandeling), P (Aanvaarding organisatie als beleidskader) en artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode geschonden. Zij heeft ook niet gehandeld in lijn gehandeld met de Richtlijn jeugdhulp en jeugdbescherming ‘Uithuisplaatsing’.

De jeugdprofessional is echter afkomstig uit een andere beroepsgroep, en had aan het begin van haar dienstverband weinig ervaring binnen het gedwongen kader van de jeugdbescherming. Verwacht mag worden dat de jeugdprofessional stevige en passende begeleiding zou krijgen. Door de leidinggevende is gesteld dat de GI veel heeft geïnvesteerd in de jeugdprofessional. De jeugdprofessional heeft dit echter niet zo ervaren. Wat hiervan moge zijn, een aantal normoverschrijdingen had mogelijk niet plaatsgevonden als er sprake was geweest van een hand-in-hand begeleiding en de GI hierin een grotere mate van verantwoordelijk had genomen. Aan de andere kant had de jeugdprofessional naar het oordeel van het College ook zelf grenzen kunnen stellen aan de wijze waarop, en de omstandigheden waaronder, zij haar werk moest uitvoeren. Bovendien heeft de jeugdprofessional zich slechts op één moment reflectief opgesteld, namelijk met betrekking tot de Whatsappberichten, waarin zij de moeder onder druk heeft gezet. Het College heeft de maatregel van waarschuwing opgelegd.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.579Ta

Het College van Toezicht legt aan de jeugdbeschermer, ondanks een deels gegrond klachtonderdeel, geen maatregel op. De jeugdbeschermer werkte in een complexe situatie, waarin hij, ondanks een moeizame samenwerking, de belangen van de kinderen voorop heeft gesteld en hij zich bovenmatig heeft ingespannen om aan de vader en de kinderen tegemoet te komen.

Een vader van twee minderjarige kinderen dient een klacht in tegen een jeugdprofessional die namens de GI belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, en opvolgend de tijdelijke voogdijmaatregel. De klacht bestaat uit 34 klachtonderdelen. Klachtonderdeel 2 is deels gegrond verklaard. De vader is in 9 klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaard. De overige 24 klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Deze samenvatting ziet toe op het gegrond verklaarde deel van klachtonderdeel 2.

De jeugdprofessional wordt in klachtonderdeel 2 – onder meer – verweten dat hij de in de beschikking opgenomen belmomenten niet heeft vormgegeven. Door dit niet te doen, heeft hij volgens de vader in het bijzonder de zoon geen recht gedaan. Het College overweegt als volgt. In de beschikking van 18 juli 2019 heeft de rechtbank onder meer vastgesteld dat er wekelijks twee vaste belmomenten dienen te zijn tussen de vader en de zoon, waarbij de GI het tijdstip van de belmomenten bepaalt. De jeugdprofessional heeft in het verweerschrift erkend dat de belmomenten tussen de vader en de zoon niet tot stand zijn gekomen, omdat dat voor hem op dat moment niet de hoogste prioriteit had. Het College kan zich tot op zekere hoogte voorstellen dat het niet eenvoudig was deze belmomenten structureel doorgang te laten vinden. Dat de jeugdprofessional de gang van zaken rond de belmomenten met de ouders heeft besproken, zoals hij in zijn verweerschrift heeft gesteld, ziet het College in het dossier echter niet terug. Bovendien is in het verzoek tot tijdelijke wijziging van de zorg- en contactregeling ook niet op de belmomenten teruggekomen. Daarom is het College van oordeel dat de jeugdprofessional hier een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. De jeugdprofessional had zich meer moeten inspannen de belmomenten vorm te geven. Wanneer dit om welke reden dan ook niet haalbaar was, had de jeugdprofessional de vader hierover (schriftelijk) dienen te informeren, en had hij voorts de belmomenten mee kunnen nemen in genoemd verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling. Door dit na te laten, heeft de jeugdprofessional artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode voor de Jeugd- en gezinsprofessional geschonden. Het College ziet echter af van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional zich in de periode dat hij betrokken was bovenmatig ingespannen om zowel de vader als de kinderen tegemoet te komen. De jeugdprofessional heeft de belangen van de kinderen terecht op alle momenten vooropgezet. Daarbij heeft de jeugdprofessional gewerkt in een zeer complexe situatie, waarin sprake is geweest van een moeizame samenwerking. Met deze omstandigheden heeft het College rekening gehouden.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.005Ta

Het College van Toezicht legt aan de jeugdbeschermer, ondanks een deels gegrond klachtonderdeel, geen maatregel op. De jeugdbeschermer werkte in een complexe situatie, waarin zij, ondanks een moeizame samenwerking, de belangen van de kinderen voorop heeft gesteld en zij zich bovenmatig heeft ingespannen om aan de vader en de kinderen tegemoet te komen.

Een vader van twee minderjarige kinderen dient een klacht in tegen een jeugdprofessional die namens de GI belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, en opvolgend de tijdelijke voogdijmaatregel. De klacht bestaat uit 34 klachtonderdelen. Klachtonderdeel 2 is deels gegrond verklaard. De vader is in 9 klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaard. De overige 24 klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Deze samenvatting ziet toe op het gegrond verklaarde deel van klachtonderdeel 2.

De jeugdprofessional wordt in klachtonderdeel 2 – onder meer – verweten dat zij de in de beschikking opgenomen belmomenten niet heeft vormgegeven. Door dit niet te doen, heeft zij volgens de vader in het bijzonder de zoon geen recht gedaan. Het College overweegt als volgt. In de beschikking van 18 juli 2019 heeft de rechtbank onder meer vastgesteld dat er wekelijks twee vaste belmomenten dienen te zijn tussen de vader en de zoon, waarbij de GI het tijdstip van de belmomenten bepaalt. De jeugdprofessional heeft in het verweerschrift erkend dat de belmomenten tussen de vader en de zoon niet tot stand zijn gekomen, omdat dat voor haar op dat moment niet de hoogste prioriteit had. Het College kan zich tot op zekere hoogte voorstellen dat het niet eenvoudig was deze belmomenten structureel doorgang te laten vinden. Dat de jeugdprofessional de gang van zaken rond de belmomenten met de ouders heeft besproken, zoals zij in haar verweerschrift heeft gesteld, ziet het College in het dossier echter niet terug. Bovendien is in het verzoek tot tijdelijke wijziging van de zorg- en contactregeling ook niet op de belmomenten teruggekomen. Daarom is het College van oordeel dat de jeugdprofessional hier een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. De jeugdprofessional had zich meer moeten inspannen de belmomenten vorm te geven. Wanneer dit om welke reden dan ook niet haalbaar was, had de jeugdprofessional de vader hierover (schriftelijk) dienen te informeren, en had zij voorts de belmomenten mee kunnen nemen in genoemd verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling. Door dit na te laten, heeft de jeugdprofessional artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode voor de Jeugd- en gezinsprofessional geschonden. Het College ziet echter af van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional zich in de periode dat zij betrokken was bovenmatig ingespannen om zowel de vader als de kinderen tegemoet te komen. De jeugdprofessional heeft de belangen van de kinderen terecht op alle momenten vooropgezet. Daarbij heeft de jeugdprofessional gewerkt in een zeer complexe situatie, waarin sprake is geweest van een moeizame samenwerking. Met deze omstandigheden heeft het College rekening gehouden.

 

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.022B

Het beroep van een contactbegeleider slaagt. Het College van Toezicht is ten onrechte buiten het oorspronkelijke klachtonderdeel getreden. De opgelegde maatregel van waarschuwing wordt ingetrokken.

Een vader dient een klacht in tegen een contactbegeleider die betrokken is geweest in het kader van opvoedondersteuning in de thuissituatie en het begeleiden van contactmomenten tussen de vader en de zoon. Het College van Toezicht heeft de klachtonderdelen 1, 2 en 3 gedeeltelijk gegrond verklaard en voor het overige de klachtonderdelen 1 t/m 11 ongegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Zowel de vader als de jeugdprofessional zijn in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht. In deze samenvatting wordt ingegaan op de beoordeling van het College van Beroep van de klachtonderdelen 1, 2 en 3.

In klachtonderdeel 1 wordt de jeugdprofessional verweten dat zij insinuerende en negatief beeldvormende geschriften in omloop heeft gebracht. Het College van Toezicht is van oordeel dat het eindverslag van de jeugdprofessional onvoldoende evenwichtig is opgesteld en heeft het klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond verklaard. Naar het oordeel van het College van Beroep gaat de klacht zoals de vader deze heeft geformuleerd verder dan het onevenwichtig opstellen van het eindverslag, zoals het College van Toezicht heeft geoordeeld. Het College van Beroep is niet gebleken dat het eindverslag negatief beeldvormend of insinuerend van aard is en verklaart het klachtonderdeel alsnog in zijn geheel ongegrond.

In klachtonderdelen 2 en 3 wordt de jeugdprofessional verweten dat zij heeft gelogen en daarmee het vertrouwen in de jeugdzorg ernstig heeft geschaad. Tevens wordt haar verweten dat de vader onder druk is gezet en onder valse voorwendselen overgehaald is akkoord te gaan met het traject/begeleid contact en daardoor voor het blok gezet. Het College van Toezicht overweegt onder meer dat het niet schriftelijk – en in overleg – vaststellen van de in het eindverslag geformuleerde afspraken met zich meebrengt dat het voor de betrokkenen, in het bijzonder de vader, heeft ontbroken aan helderheid over het traject, en daardoor ook aan handvatten en structuur. Het College van Toezicht is van oordeel dat de jeugdprofessional onvoldoende met de vader in overeenstemming is gekomen voor wat betreft de in het eindverslag geformuleerde afspraken en acht artikel G van de Beroepscode geschonden en heeft de klachtonderdelen gedeeltelijk gegrond verklaard. Hoewel het College van Beroep het ongelukkig acht dat er geen sprake is geweest van een schriftelijke vastlegging van de afspraken, is het – in tegenstelling tot het College van Toezicht – van oordeel dat er geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Het schriftelijk bevestigen van gemaakte afspraken valt immers niet onder het klachtonderdeel dat de vader heeft geformuleerd. Het College van Toezicht is hiermee ten onrechte buiten het oorspronkelijke klachtonderdeel getreden. Het College van Beroep verklaart de klachtonderdelen alsnog geheel ongegrond.

Nu klachtonderdelen 1 tot en met 3 in beroep alsnog geheel ongegrond zijn verklaard, is het College van Beroep van oordeel dat de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De opgelegde maatregel van waarschuwing wordt ingetrokken.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.556Ta

De gezinsvoogd heeft de pleegouders onvoldoende meegenomen in de totstandkoming van het besluit om de plaatsing van de pleegdochter voortijdig te beëindigen

De pleegouders hebben tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest in het gedwongen kader, acht klachtonderdelen ingediend. Een identieke klacht is ook ingediend tegen de collega van de jeugdprofessional, met wie zij samen was belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de pleegdochter.

Alle klachtonderdelen hebben betrekking op de totstandkoming van het besluit om de plaatsing van de pleegdochter voortijdig te beëindigen, het daadwerkelijke besluit en de communicatie over het besluit. De vijf klachtonderdelen die betrekking hebben op de (open) communicatie van de jeugdprofessional rondom de beslissing om de plaatsing voortijdig af te breken, zijn gegrond verklaard. Het College benadrukt het belang van open communicatie voor de samenwerking tussen alle betrokken partijen, in het bijzonder om de stabiliteit en continuïteit van een pleegzorgplaatsing te bevorderen. Dit is ook vastgelegd in de ‘Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming’. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional de pleegouders onvoldoende heeft meegenomen in de totstandkoming van de beslissing om de plaatsing voortijdig te beëindigen. Daarbij heeft zij nagelaten te reageren op het verzoek van de pleegouders om een schriftelijke toelichting te geven op de beslissing om de plaatsing af te breken. Het handelen van de jeugdprofessional ten aanzien van deze verschillende klachtonderdelen levert volgens het College een schending op van de artikelen A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming), E (Respect) en N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.

Bij het opleggen van de maatregel van waarschuwing heeft het College er rekening mee gehouden dat de jeugdprofessional met haar handelen het belang van de pleegdochter voorop heeft willen stellen, dat zij in een complexe situatie heeft moeten handelen en dat de jeugdprofessional gereflecteerd heeft op haar handelen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.556Tb

De gezinsvoogd heeft de pleegouders onvoldoende meegenomen in de totstandkoming van het besluit om de plaatsing van de pleegdochter voortijdig te beëindigen

De pleegouders hebben tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest in het gedwongen kader, acht klachtonderdelen ingediend. Een identieke klacht is ook ingediend tegen de collega van de jeugdprofessional, met wie zij samen was belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de pleegdochter.

Alle klachtonderdelen hebben betrekking op de totstandkoming van het besluit om de plaatsing van de pleegdochter voortijdig te beëindigen, het daadwerkelijke besluit en de communicatie over het besluit. De vijf klachtonderdelen die betrekking hebben op de (open) communicatie van de jeugdprofessional rondom de beslissing om de plaatsing voortijdig af te breken, zijn gegrond verklaard. Het College benadrukt het belang van open communicatie voor de samenwerking tussen alle betrokken partijen, in het bijzonder om de stabiliteit en continuïteit van een pleegzorgplaatsing te bevorderen. Dit is ook vastgelegd in de ‘Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming’. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional de pleegouders onvoldoende heeft meegenomen in de totstandkoming van de beslissing om de plaatsing voortijdig te beëindigen. Daarbij heeft zij nagelaten te reageren op het verzoek van de pleegouders om een schriftelijke toelichting te geven op de beslissing om de plaatsing af te breken. Het handelen van de jeugdprofessional ten aanzien van deze verschillende klachtonderdelen levert volgens het College een schending op van de artikelen A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (Respect) en N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.

Bij het opleggen van de maatregel van waarschuwing heeft het College er rekening mee gehouden dat de jeugdprofessional met haar handelen het belang van de pleegdochter voorop heeft willen stellen en dat zij in een complexe situatie heeft moeten handelen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.088Ta

Geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door jeugdprofessional die buiten kantoortijd e-mailberichten stuurt.

Een moeder van twee minderjarigen dient een klacht in tegen een jeugdbeschermer bij de GI. De jeugdbeschermer is namens de GI belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De moeder dient zes klachtonderdelen in. De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel 1. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Deze samenvatting ziet toe op klachtonderdeel 5.

De jeugdbeschermer wordt in klachtonderdeel 5 verweten dat hij in de weekenden e-mailberichten stuurt. Dit levert stress op bij de moeder, ook omdat zij als zij vragen heeft, niemand in het weekend  kan bereiken. Het College overweegt dat het de voorkeur heeft dat een jeugdprofessional binnen zijn reguliere werkuren zijn werkzaamheden kan verrichten. In het geval dit echter niet mogelijk blijkt dient een afweging te worden gemaakt of er belang bij is dat de ontvanger van de e-mailberichten zo spoedig mogelijk wordt geïnformeerd of dat dit kan wachten tot de eerstvolgende werkdag.

Het College heeft er begrip voor dat de door de jeugdprofessional verstuurde e-mail tot stress heeft geleid bij de moeder. Een tuchtrechtelijk verwijt voor wat betreft het tijdstip van de verzending kan echter niet aan de jeugdprofessional worden gemaakt. De moeder heeft niet eerder kenbaar gemaakt dat ze het ontvangen van e-mailberichten in de weekenden niet prettig vindt. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional zorgvuldig gewogen of het noodzakelijk was om de ouders buiten kantoortijden te informeren.