Maak een selectie

408 van 408

   
College van Toezicht
18/03/2020
zaaknummer: 19.162Ta
Gedeeltelijk gegrond - Berisping zonder openbaarmaking

De jeugdprofessional heeft in het vrijwillig kader geen contact mogen opnemen met een GZ-psycholoog nu de toestemming van de vader ontbrak. Ook heeft hij de vader niet vooraf geïnformeerd over het voornemen om de veiligheidsafspraak over zijn dochter te wijzigen, was het dossier niet volledig en heeft hij een onzorgvuldige en onvolledige taxatie van alle zorgen gemaakt. Tot slot heeft hij zich partijdig opgesteld.

Beroepscode: D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) | E (Respect) | G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) | J (Vertrouwelijkheid) | M (Verslaglegging / dossiervorming) | N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) | Q (Toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep)
Richtlijnen: Kindermishandeling
Open
College van Toezicht
18/03/2020
zaaknummer: 19.005Ta
Gedeeltelijk gegrond - Geen maatregel

Het College stelt vast dat instellingsbeleid voor wat betreft dossierverstrekking niet conform de Jeugdwet is. Een ambulant hulpverlener heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door dit beleid niet te toetsen aan de beroepsstandaard.

Beroepscode: M (Verslaglegging / dossiervorming) | P (Aanvaarding organisatie als beleidskader) | Q (Toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep)
Richtlijnen: Samen met ouders en jeugdigen beslissen over passende hulp
Open
College van Toezicht
09/03/2020
zaaknummer: 19.273Ta
Gedeeltelijk gegrond - Berisping met openbaarmaking

Het handelen van de jeugdbeschermer is schadelijk geweest voor het vertrouwen in de beroepsuitoefening en heeft mogelijk aanmerkelijk nadeel opgeleverd voor de dochter en de vader. De jeugdbeschermer heeft daarnaast op sommige punten te weinig inzicht kunnen geven in haar handelen en waarom bepaalde afwegingen zijn gemaakt.

Beroepscode: A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) | C (Bereid iedere cliënt te helpen) | D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) | H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) | K (Vermoeden kindermishandeling) | M (Verslaglegging / dossiervorming)
Open
College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.559Ta

Een vader dient een klacht in over een gewijzigde doorverwijzing naar een hulpverleningstraject. Het College oordeelt dat de beschikking van de kinderrechter het uitgangspunt voor de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel dient te zijn. Uit de informatiefolder van het hulpverleningstraject blijkt voldoende dat het traject passend is voor de ouders.

Een vader van twee kinderen dient twee klachtonderdelen in tegen de jeugdprofessional die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.

In het eerste klachtonderdeel klaagt de vader dat sprake is van een onjuiste (gewijzigde) doorverwijzing naar een hulpverleningstraject. De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat de vader niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel dient te worden verklaard, omdat het de gezins- en systeemtherapeut is geweest die de afweging heeft gemaakt om te starten met het gewijzigde hulpverleningstraject. Het College oordeelt dat het klachtonderdeel specifiek ziet op de doorverwijzing, hier is de jeugdprofessional (samen met haar collega) verantwoordelijk voor geweest. Het College verklaart de vader ontvankelijk in dit klachtonderdeel.
Uit de beschikking van de kinderrechter blijkt onder andere dat de kinderen niet langer geconfronteerd dienen te worden met de voortdurende strijd en de slechte communicatie tussen de ouders. Een beschikking van de kinderrechter dient het uitgangspunt te zijn in het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel. Het College is van oordeel dat uit de informatiefolder van het hulpverleningstraject blijkt dat dit traject aansluit bij voornoemde problematiek. Voorts heeft de jeugdprofessional in overleg met een medewerker van de aanbieder van het hulpverleningstraject de aanmelding van de ouders gewijzigd. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

In het tweede klachtonderdeel klaagt de vader dat de jeugdprofessional onjuiste informatie heeft verschaft in een briefrapportage aan het gerechtshof. Het College oordeelt dat het uit de overgelegde stukken voldoende aannemelijk is geworden dat de jeugdprofessional zich gebaseerd heeft op de informatie die zij heeft ontvangen over het verloop van het hulpverleningstraject. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.559Tb

Een vader dient een klacht in over een gewijzigde doorverwijzing naar een hulpverleningstraject. Het College oordeelt dat de beschikking van de kinderrechter het uitgangspunt voor de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel dient te zijn. Uit de informatiefolder van het hulpverleningstraject blijkt voldoende dat het traject passend is voor de ouders.

Een vader van twee kinderen dient twee klachtonderdelen in tegen de jeugdprofessional die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.

In het eerste klachtonderdeel klaagt de vader dat sprake is van een onjuiste (gewijzigde) doorverwijzing naar een hulpverleningstraject. De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat de vader niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel dient te worden verklaard, omdat het de gezins- en systeemtherapeut is geweest die de afweging heeft gemaakt om te starten met het gewijzigde hulpverleningstraject. Het College oordeelt dat het klachtonderdeel specifiek ziet op de doorverwijzing, hier is de jeugdprofessional (samen met haar collega) verantwoordelijk voor geweest. Het College verklaart de vader ontvankelijk in dit klachtonderdeel.
Uit de beschikking van de kinderrechter blijkt onder andere dat de kinderen niet langer geconfronteerd dienen te worden met de voortdurende strijd en de slechte communicatie tussen de ouders. Een beschikking van de kinderrechter dient het uitgangspunt te zijn in het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel. Het College is van oordeel dat uit de informatiefolder van het hulpverleningstraject blijkt dat dit traject aansluit bij voornoemde problematiek. Voorts heeft de jeugdprofessional in overleg met een medewerker van de aanbieder van het hulpverleningstraject de aanmelding van de ouders gewijzigd. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

In het tweede klachtonderdeel klaagt de vader dat de jeugdprofessional onjuiste informatie heeft verschaft in een briefrapportage aan het gerechtshof. Het College oordeelt dat het uit de overgelegde stukken voldoende aannemelijk is geworden dat de jeugdprofessional zich gebaseerd heeft op de informatie die zij heeft ontvangen over het verloop van het hulpverleningstraject. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.053Ta

Het verzoek van de moeder om af te wijken van de verjaringstermijn zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement wordt door de voorzitter van het College afgewezen. De moeder werd reeds eerder ondersteund door een vertrouwenspersoon die haar had kunnen helpen met het indienen van haar klacht.

Klaagster is de moeder van een zoon. De jeugdprofessional is van 2 december 2016 tot en met 4 mei 2017 betrokken geweest bij het gezin van de moeder als ambulant hulpverlener. De moeder heeft de tuchtklacht op 4 februari 2020 ingediend. Op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement, verzoekt de moeder om af te wijken van de vastgestelde verjaringstermijn van drie jaar.

De moeder stelt dat zij niet eerder in staat is geweest om haar klacht in te dienen. Zo heeft zij in de periode april 2018 – augustus 2018 oplossingsgerichte gesprekken met de jeugdprofessional gevoerd. Het (gelijktijdig) indienen van een tuchtklacht strookt niet met de intentie van deze gesprekken, die volgens de moeder zeer tijdsintensief zijn geweest. De moeder is bij deze gesprekken ondersteund door een vertrouwenspersoon. Tevens voert de moeder aan dat zij in een afhankelijkheidspositie zat ten opzichte van de instelling, omdat zij in 2018 een nieuwe hulpvraag bij de gemeente had ingediend. Daarnaast hebben er meerdere ingrijpende gebeurtenissen plaatsgevonden in het leven van de moeder waardoor zij niet in staat was om haar tuchtklacht in te dienen.
De jeugdprofessional heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder. De voorzitter oordeelt dat de oplossingsgerichte gesprekken in 2018 hebben plaatsgevonden en de moeder vervolgens ruim anderhalf jaar heeft gewacht met het indienen van haar tuchtklacht. Voor zover de moeder stelt dat zij in een afhankelijkheidspositie zat ten opzichte van de instelling, oordeelt de voorzitter dat uit het verweerschrift is gebleken dat de jeugdprofessional open stond voor een nieuwe samenwerking met de moeder. Daarnaast mag er van een bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional worden verwacht dat hij/zij een tuchtprocedure niet van invloed laat zijn op de samenwerking met de ouder(s). Tot slot heeft de voorzitter kennisgenomen van de stelling dat meerdere ingrijpende gebeurtenissen in het leven van de moeder hebben plaatsgevonden. Nu de moeder in ieder geval in 2018 werd bijgestaan door een professioneel vertrouwenspersoon, oordeelt de voorzitter dat de vertrouwenspersoon de moeder had kunnen helpen met indienen van de tuchtklacht.

De voorzitter wijst het verzoek van de moeder af en oordeelt dat de klacht, voor zover die toeziet op de periode 2 december 2016 tot 4 februari 2017, is verjaard.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.053Tb

Het verzoek van de moeder om af te wijken van de verjaringstermijn zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement wordt door de voorzitter van het College afgewezen. De moeder werd reeds eerder ondersteund door een vertrouwenspersoon die haar had kunnen helpen met het indienen van haar klacht.

Klaagster is de moeder van een zoon. De jeugdprofessional is van 2 december 2016 tot en met 4 mei 2017 betrokken geweest bij het gezin van de moeder als ambulant hulpverlener. De moeder heeft de tuchtklacht op 4 februari 2020 ingediend. Op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement, verzoekt de moeder om af te wijken van de vastgestelde verjaringstermijn van drie jaar.

De moeder stelt dat zij niet eerder in staat is geweest om haar klacht in te dienen. Zo heeft zij in de periode april 2018 – augustus 2018 oplossingsgerichte gesprekken met de jeugdprofessional gevoerd. Het (gelijktijdig) indienen van een tuchtklacht strookt niet met de intentie van deze gesprekken, die volgens de moeder zeer tijdsintensief zijn geweest. De moeder is bij deze gesprekken ondersteund door een vertrouwenspersoon. Tevens voert de moeder aan dat zij in een afhankelijkheidspositie zat ten opzichte van de instelling, omdat zij in 2018 ook een nieuwe hulpvraag bij de gemeente had ingediend. Daarnaast hebben er meerdere ingrijpende gebeurtenissen plaatsgevonden in het leven van de moeder waardoor zij niet in staat was om haar tuchtklacht in te dienen.
De jeugdprofessional heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder. De voorzitter oordeelt dat de oplossingsgerichte gesprekken in 2018 hebben plaatsgevonden en de moeder vervolgens ruim anderhalf jaar heeft gewacht met het indienen van haar tuchtklacht. Voor zover de moeder stelt dat zij in een afhankelijkheidspositie zat ten opzichte van de instelling, oordeelt de voorzitter dat van een bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional mag worden verwacht dat hij/zij een tuchtprocedure niet van invloed laat zijn op de samenwerking met de ouder(s). Tot slot heeft de voorzitter kennisgenomen van de stelling dat meerdere ingrijpende gebeurtenissen in het leven van de moeder hebben plaatsgevonden. Nu de moeder in ieder geval in 2018 werd bijgestaan door een professioneel vertrouwenspersoon, oordeelt de voorzitter dat de vertrouwenspersoon de moeder had kunnen helpen met indienen van de tuchtklacht.

De voorzitter wijst het verzoek van de moeder af en oordeelt dat de klacht, voor zover die toeziet op de periode 2 december 2016 tot 4 februari 2017, is verjaard.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.018B

Het beroep van een jeugdbeschermer slaagt. Het College van Toezicht heeft ten onrechte op eigen initiatief een klachtonderdeel uitgebreid. De opgelegde maatregel van waarschuwing wordt ingetrokken.

Zowel de jeugdbeschermer als de vader zijn in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht. Het College van Toezicht heeft de klachtonderdelen deels gegrond verklaard en aan de jeugdbeschermer de maatregel van waarschuwing opgelegd.

Het College van Beroep komt tot het oordeel dat het beroep van de jeugdprofessional slaagt.
Het College van Toezicht heeft namelijk ten onrechte een klachtonderdeel toegevoegd c.q. een klachtonderdeel gedestilleerd uit de door de vader aangeleverde toelichting. In dat kader verwijst het College van Beroep naar de beslissing in zaaknummer 17.028B waarin het College van Beroep zich reeds heeft uitgelaten over het ten onrechte uitbreiden van klachtonderdelen en/of klachtonderdelen die zijn gedestilleerd uit een door een klager aangeleverde toelichting. De verantwoordelijkheid om klachten helder te formuleren ligt op grond van artikel 7.5 onder d. van het Tuchtreglement (versie 1.2) bij een klager, al dan niet bijgestaan door een vertrouwenspersoon of een gemachtigde. De omvang van de klachten die ter beoordeling aan de tuchtcolleges voor liggen, dient voor alle betrokkenen, inclusief de tuchtcolleges zelf, helder te zijn. Teneinde de schijn van partijdigheid te voorkomen heeft het College van Toezicht, dan wel het College van Beroep, niet de bevoegdheid om zelf klachten te (her)formuleren en/of te destilleren uit een door een klager aangeleverde toelichting. Gelet op het gegrond verklaarde beroep van de jeugdprofessional trekt het College van Beroep de aan de jeugdprofessional opgelegde maatregel van waarschuwing in.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.162Ta

De jeugdprofessional heeft in het vrijwillig kader geen contact mogen opnemen met een GZ-psycholoog nu de toestemming van de vader ontbrak. Ook heeft hij de vader niet vooraf geïnformeerd over het voornemen om de veiligheidsafspraak over zijn dochter te wijzigen, was het dossier niet volledig en heeft hij een onzorgvuldige en onvolledige taxatie van alle zorgen gemaakt. Tot slot heeft hij zich partijdig opgesteld.

De vader heeft een minderjarige dochter. De vader en zijn ex-partner, de moeder, zijn gescheiden. De dochter woont afwisselend bij de vader en de moeder. Zowel de vader als de moeder heeft een nieuwe partner. De jeugdprofessional is sinds 15 mei 2018 in het vrijwillig kader als wijkcoach bij het gezin van de vader betrokken nadat de dochter zorgelijke uitspraken heeft gedaan over mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag van de partner van de moeder.

Op 17 mei 2018 hebben de jeugdprofessional en de ouders de veiligheidsafspraak gemaakt dat de dochter niet alleen is met de partner van de moeder. De dochter is tijdens vijf speltherapiesessies door een GZ-psycholoog geobserveerd. Daarna heeft op 14 december 2018 een evaluatiegesprek plaatsgevonden.

Op 12 september 2018 heeft een beschermingstafel plaatsgevonden waar is besloten om een drangtraject in te zetten. De jeugdzorgwerker van de gecertificeerde instelling die het drangtraject uitvoert, heeft op 1 oktober 2018 een ‘drie huizen’ gesprek met de dochter gevoerd. De dochter heeft tijdens dit gesprek een zorgelijke uitspraak gedaan. De jeugdprofessional heeft op informele wijze navraag gedaan bij de wijkagent over de partner van de moeder.

Op 13 maart 2019 heeft een tweede beschermingstafel plaatsgevonden waarin is besloten dat de veiligheidsafspraak langzaam moeten worden verruimd en afgebouwd.

Klagers verwijten de jeugdprofessional onder andere dat hij zonder toestemming van de vader informatie heeft gedeeld met de GZ-psycholoog en dat hij het voornemen tot opheffen van de veiligheidsafspraak niet met de vader heeft besproken, dat hij geen dossier heeft bijgehouden, dat de informatie die hij aan de jeugdbeschermingstafel heeft gegeven onvoldoende is en selectief, dat de jeugdprofessional zich onvoldoende heeft ingespannen en onvoldoende neutraal is geweest.

Het College oordeelt als volgt. Jeugdprofessionals mogen bij de hulpverlening in het vrijwillig kader alleen met expliciete toestemming van cliënten persoonsgegevens over cliënten uitwisselen. Impliciete toestemming is niet voldoende. De jeugdprofessional dient gericht om toestemming te vragen. Dat betekent dat hij de ouders eerst informeert over de mogelijkheden en vormen van de hulp -en dienstverlening, voordat hij hen vraagt om toestemming. De jeugdprofessional heeft geen contact mogen opnemen met de GZ-psycholoog nu de toestemming van de vader ontbrak.

Gelet op de ernstige uitspraken van de dochter heeft de jeugdprofessional voorafgaand aan de beschermingstafel de vader moeten informeren over het voornemen om de veiligheidsafspraak te wijzigen. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling van de klacht waren er in deze zaak geen redenen om het gesprek met de vader niet aan te gaan.

De jeugdprofessional heeft zowel in het verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling van de klacht erkend dat het dossier niet volledig was.

Verder heeft de jeugdprofessional een onzorgvuldige en onvolledige taxatie van alle zorgen gemaakt en aan de jeugdbeschermingstafel overgelegd. De jeugdprofessional heeft in deze zaak hard gewerkt maar hij heeft niet de goede stappen ondernomen. Het College is van oordeel dat de uitlatingen die de jeugdprofessional heeft gedaan, getuigen van een partijdige opstelling. Bij een complexe casus als deze, waarbij de dochter zorgelijke uitlatingen heeft gedaan en de vader ongerust is, is nader onderzoek met specialistische expertise nodig en kan niet worden uitgegaan van een hetze. De jeugdprofessional dient niet alleen af te gaan op de informatie van de wijkagent maar heeft een eigen objectieve afweging van de situatie moeten maken aan de hand van de risicofactoren. Het informeel en zonder medeweten en toestemming van de vader navraag doen bij de wijkagent en de aanname dat de partner van de moeder een VOG heeft, is hiervoor onvoldoende.

Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College dat drie klachtonderdelen gegrond zijn verklaard en dat twee klachtonderdelen gedeeltelijk gegrond zijn. De jeugdprofessional heeft gehandeld in strijd met de artikel D (vertrouwelijkheid), E (respect), J (Vertrouwelijkheid), G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening), M (verslaglegging/dossiervorming), N (Samenwerking in de hulp -en dienstverlening) en Q (Toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

Verder heeft de jeugdprofessional, met uitzondering van de verslaglegging en dossiervorming, niet op zijn handelen gereflecteerd. Het College heeft de indruk dat de jeugdprofessional zich in deze complexe casus te weinig heeft gerealiseerd wat voor effect zijn handelen op de klagers heeft gehad. Deze casus vraagt om specialistische expertise. De jeugdprofessional heeft niet of onvoldoende deze casus besproken met anderen dan zijn collega’s. Het College acht het zinvol dat de jeugdprofessional naar aanleiding van deze casus met de gemeente in gesprek gaat over zijn werkwijze en beveelt de jeugdprofessional aan om een cursus te volgen die gericht is op reflectie.

Het College acht het op grond van bovengenoemde omstandigheden passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping zonder openbaarmaking op te leggen.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.005Ta

Het College stelt vast dat instellingsbeleid voor wat betreft dossierverstrekking niet conform de Jeugdwet is. Een ambulant hulpverlener heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door dit beleid niet te toetsen aan de beroepsstandaard.

De vader van een minderjarige dochter dient een klacht bestaande uit zeven klachtonderdelen in over het handelen van een ambulant hulpverlener die het hulpverleningstraject heeft begeleid. Klachtonderdeel 4 wordt, voor zover deze toeziet op dossierverstrekking, gegrond verklaard. Voor het overige worden de klachtonderdelen ongegrond verklaard.

De jeugdprofessional heeft toegelicht het beleid van de instelling te hebben opgevolgd voor wat betreft de dossierinzage/dossierverstrekking. Er wordt bij de instelling geen dossier aan ouders verstrekt, omdat het de werkaantekeningen van de jeugdprofessional bevat en mogelijk privacygevoelige informatie van de andere ouder. Op grond van artikel 7.3.10 van de Jeugdwet dient de jeugdprofessional aan de betrokkene desgevraagd inzage in en een afschrift van het dossier te verstrekken. De verstrekking kan slechts achterwege blijven voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander. Het College stelt vast dat het beleid van de instelling voor wat betreft dossierverstrekking niet conform de Jeugdwet is, nu het uitgangspunt van de instelling is dat aan betrokkenen geen dossier wordt verstrekt.

Op grond van voornoemd artikel uit de Jeugdwet is de jeugdprofessional, die de jeugdhulp verleend heeft, verantwoordelijk voor een juiste dossierverstrekking. Daarnaast dient op grond van artikel Q (Toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep) van de Beroepscode een jeugdprofessional bij het uitvoeren van het beleid van zijn/haar organisatie te toetsen of dit overeenkomt met de beroepsstandaard (waaronder ook de van toepassing zijnde wettelijke regelgeving valt). Indien een jeugdprofessional signaleert dat dit niet het geval is, dan dient de jeugdprofessional op grond van artikel P (Aanvaarding organisatie als beleidskader) van de Beroepscode dit met collega’s te overleggen en via de gebruikelijke kanalen binnen de instelling aan de orde te stellen. Nu de jeugdprofessional dit niet heeft gedaan, valt haar op grond van voornoemde artikelen een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.158Ta

De door klager ingediende geluidopnames zijn toegelaten tot de procedure. Dat deze opnames slechts enkele delen uit een gesprek beslaan, zoals namens de jeugdbeschermer aangevoerd, is onvoldoende reden om het bewijs uit te sluiten. De jeugdbeschermer heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld omdat hij nagelaten heeft het laatst gewijzigde plan van aanpak als zijnde vastgesteld te communiceren en ook is die versie niet aan de ouders toegestuurd.

De vader van een minderjarige dochter dient acht klachtonderdelen in tegen de jeugdprofessional die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de dochter. De jeugdprofessional wordt onder andere verweten dat hij het advies van Veilig Thuis niet opvolgt, onvoldoende kennis heeft over het voeren van een kindgesprek en onvolledig communiceert rondom het plan van aanpak. De jeugdprofessional heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De ingediende geluidopnames:
De vader heeft zijn klaagschrift onder meer met geluidopnames onderbouwd. Namens de jeugdprofessional is verzocht deze op grond van artikel 8.11 van het Tuchtreglement niet toe te laten tot de procedure. De bijbehorende transcripties beslaan immers maar een zeer beperkt deel uit de gesprekken en zijn daarom niet meer dan een momentopname. Het College overweegt, met verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt, dat het algemene maatschappelijke belang tot waarheidsvinding, en het belang dat partijen hebben om hun stelling in rechte aannemelijk te kunnen maken, in beginsel zwaarder dient te wegen dan het belang van uitsluiting van (onrechtmatig verkregen) bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende (zwaarwegende) omstandigheden, is uitsluiting van bewijs gerechtvaardigd. Hiervan is niet gebleken.

De klachten:
Voor wat betreft het niet opvolgen van het advies van Veilig Thuis (klachtonderdeel 1), is het College van oordeel dat de beschikking van de kinderrechter het uitgangspunt dient te zijn voor het uitvoeren van de ondertoezichtstelling. De jeugdprofessional heeft zich volgens het College ingezet om het daarin voorgestelde traject op te starten. Verder wijst het College erop dat een jeugdprofessional, tot op zekere hoogte, een eigen professionele bevoegdheid heeft om een afweging te maken hoe hij het hulpverleningstraject vormgeeft.

Klachtonderdeel 6 gaat over de voorgestelde locatie van het kindgesprek. De vader stelt dat het moet gaan om een neutrale locatie. In de ‘Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ is opgenomen dat een vertrouwde locatie van belang is. Het College volgt het standpunt van de jeugdprofessional dat voor een dergelijk gesprek geen wettelijke voorschriften bestaan. Een jeugdprofessional dient per jeugdige een afweging te maken en zich ervoor in te zetten dat daarover overeenstemming wordt bereikt (artikel G (overeenstemming/instemming) van de Beroepscode). Als dat uitblijft, is het aan de jeugdprofessional en zijn of haar professionele bevoegdheid om te bepalen waar het kindgesprek plaatsvindt. Een ondertoezichtstelling is immers geen vrijblijvende maatregel en ouders dienen de aanwijzingen van een jeugdprofessional op te volgen.

Klachtonderdeel 7 wordt gedeeltelijk gegrond verklaard omdat gebleken is dat het laatst gewijzigde plan van aanpak niet als zijnde vastgesteld gecommuniceerd is en ook niet aan de ouders toegestuurd is. Artikel F (informatievoorziening) van de Beroepscode is daarmee geschonden. Het College wijst daarbij op artikel 4.1.3, lid 5, van de Jeugdwet, waaruit volgt dat een plan van aanpak vastgesteld dient te worden. Ook wordt erop gewezen dat het definitief vaststellen van het plan van aanpak eraan bijdraagt dat de hulpverlening gestructureerd wordt, hetgeen ten gunste kan komen van het verdere hulpverleningstraject.

Voor het overige worden de klachtonderdelen ongegrond verklaard. Er wordt aan de jeugdprofessional geen maatregel opgelegd.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.004Ta

Tegen een jeugd- en gezinscoach wordt een klacht bestaande uit vier klachtonderdelen ingediend. De voorzitter verklaart twee klachtonderdelen, voor wat betreft het maken van (individuele) afspraken kennelijk ongegrond, en verklaart de moeder in de andere twee klachtonderdelen niet-ontvankelijk.

De jeugdprofessional is als jeugd- en gezinscoach betrokken bij het gezin van de moeder. In het eerste klachtonderdeel verwijt de moeder het de jeugdprofessional dat er geen mogelijkheid is voor een individueel gesprek. Uit de door de moeder overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat de jeugdprofessional in ieder geval twee keer heeft aangeboden om een aparte afspraak bij de moeder thuis te maken. In het tweede klachtonderdeel verwijt de moeder het jeugdprofessional dat het niet lukt om een gezamenlijke afspraak met de vader in te plannen. De voorzitter oordeelt dat er uit de door de moeder overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat de jeugdprofessional het initiatief neemt om een afspraak in te plannen. Tevens heeft de jeugdprofessional de ouders meerdere malen gevraagd om zelf met datavoorstellen te komen. Op het moment dat er een afspraak wordt bevestigd, zegt de moeder de afspraak af en stelt vervolgens een andere datum voor. De voorzitter concludeert dat de jeugdprofessional in de eerste twee klachtonderdelen geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken en verklaart deze klachtonderdelen kennelijk ongegrond.

Uit de toelichting en de onderbouwende stukken bij klachtonderdeel 3 blijkt onvoldoende welke concrete handelingen de jeugdprofessional heeft verricht waardoor er mogelijk sprake kan zijn van een tuchtrechtelijk verwijt. Klachtonderdeel 4 heeft de moeder niet als tuchtrechtelijk verwijt geformuleerd. De voorzitter verklaart de moeder voor wat betreft deze twee klachtonderdelen niet-ontvankelijk in de klacht.