Maak een selectie

480 van 480

   
College van Toezicht
18/02/2021
Gedeeltelijk gegrond - Berisping zonder openbaarmaking

Zaaknummer: 20.162Ta

De jeugdbeschermer heeft de ouders onvoldoende geïnformeerd over twee medische behandelingen bij de kinderen en zij heeft zich bij één onderzoek niet vergewist dat de ouders expliciet instemden

Beroepscode: E (Respect) | F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) | G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) | N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening)
Open
College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.162Ta

De jeugdbeschermer heeft de ouders onvoldoende geïnformeerd over twee medische behandelingen bij de kinderen en zij heeft zich bij één onderzoek niet vergewist dat de ouders expliciet instemden

De ouders hebben samen twee minderjarige kinderen die onder toezicht zijn gesteld van de GI en uit huis zijn geplaatst in een pleeggezin. De ouders hebben een klacht ingediend tegen de jeugdbeschermer die namens de GI belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

De ouders hebben twee klachtonderdelen ingediend. In het eerste klachtonderdeel verwijten de ouders de jeugdprofessional dat zij onvoldoende informatie heeft verstrekt over (het voornemen tot het laten uitvoeren van) het FAS-onderzoek bij de dochter. Voorts verwijten zij haar dat het FAS-onderzoek is verricht zonder dat de ouders toestemming hadden gegeven voor dit onderzoek. In het tweede klachtonderdeel verwijten de ouders de jeugdprofessional dat zij onvoldoende informatie heeft verstrekt over de afspraak van de zoon bij de KNO-arts en dat de ouders geen toestemming hebben verleend voor het plaatsen van de zoon op de wachtlijst voor een operatie.

Het College van Toezicht (hierna te noemen: College) is van oordeel dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar is tekortgeschoten in de informatievoorziening richting te ouders over (het voornemen tot het laten uitvoeren van) het FAS-onderzoek bij de dochter en de afspraak bij de KNO-arts van de zoon. Met betrekking tot het FAS-onderzoek van de dochter ontbrak bovendien de expliciete toestemming van de ouders. Daarbij heeft de jeugdprofessional als belangrijke schakel tussen de ouders, de pleegouders en de zorgverleners in de onderhavige zaak onvoldoende de regie genomen. Tot slot is het College van oordeel dat de jeugdprofessional de ouders onvoldoende heeft gerespecteerd door de wijze waarop zij de ouders heeft geïnformeerd over en betrokken bij de medische behandelingen. Het College heeft het eerste klachtonderdeel gegrond verklaard. Het tweede klachtonderdeel heeft het College gedeeltelijk gegrond verklaard, voor zover de ouders de jeugdprofessional verwijten dat zij onvoldoende informatie heeft verstrekt over de afspraak van de zoon bij de KNO-arts. Het handelen van de jeugdprofessional levert volgens het College een schending op van de artikelen E, F, G en N van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional.

Bij het opleggen van de maatregel van berisping wordt de jeugdprofessional aangerekend dat zij tot tweemaal toe de ouders onvoldoende heeft geïnformeerd over de medische behandelingen van de kinderen. De jeugdprofessional heeft hierbij onvoldoende oog gehad voor haar verantwoordelijkheid bij het invullen van de rol van de ouders op afstand en de regie die zij hierbij had dienen te nemen. Daarnaast vindt het College het verwijtbaar dat het FAS-onderzoek, een onderzoek van betekenis, zonder expliciete toestemming en betrokkenheid van de ouders is verricht. Naar het oordeel van het College is hiermee de essentie van de uitvoering van het werk van een jeugdprofessional geraakt. Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional haar handelen in de organisatie heeft getoetst en/of op haar handelen heeft gereflecteerd. Nu er tegen de jeugdprofessional voor de eerste keer een tuchtklacht is ingediend en het verwijtbare handelen toeziet op soortgelijk handelen door de jeugdprofessional rondom de medische behandelingen van de kinderen in tijd kort op elkaar volgend, ziet het College voldoende aanleiding om af te zien van openbaarmaking van deze maatregel.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.225Ta

Een jeugdbeschermer wordt verweten dat zij bij haar uitdiensttreding de hulpverlening niet zorgvuldig heeft afgesloten richting de moeder

Een moeder van een minderjarige zoon dient een klacht in tegen een jeugdbeschermer bij de GI. De jeugdbeschermer is namens de GI tot omstreeks december 2019 belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, waarna zij is opgevolgd door een collega in verband met haar aanstaande (pre)pensioen. De moeder heeft tegen de jeugdprofessional één klachtonderdeel ingediend. Het College heeft de klacht ongegrond verklaard.

De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij bij haar uitdiensttreding eind maart 2020 haar betrokkenheid naar de moeder toe niet goed heeft afgerond. Op 9 maart 2020 heeft de jeugdprofessional per e-mail aan de moeder een eindgesprek aangeboden. He College acht het zorgvuldig dat de jeugdprofessional zelf het initiatief heeft genomen om een (eind)gesprek aan de moeder aan te bieden, hetgeen ook in lijn is met de Beroepscode en de jurisprudentie. Op 16 maart 2020 heeft de moeder positief gereageerd op het aanbod. Het College kan echter niet de feiten vaststellen ten aanzien van de gang van zaken na de ontvangst van de positieve reactie van de moeder, waardoor op dit punt de klacht van de moeder volgens vaste jurisprudentie niet gegrond kan worden bevonden. Het College merkt wel op dat het te betreuren valt dat het inplannen van een eindgesprek niet van de grond is gekomen, te meer nu uit de stukken opgemaakt kan worden dat de samenwerking tussen partijen niet altijd positief is verlopen en/of ervaren en de moeder kennelijk nog vragen had over de overwegingen en het handelen van de jeugdprofessional. Ten overvloede merkt het College op dat het handelen van de jeugdprofessional mogelijk wel beter had gekund na het geven van een voorzet voor het eindgesprek.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.582Ta

De jeugdprofessional heeft in deze casus geen toestemming nodig gehad om de behandelend arts van de zoon te benaderen. Op grond van artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet is ook geen toestemming nodig (geweest) om de school van de kinderen te benaderen.

De moeder dient een klacht in, bestaande uit drie klachtonderdelen, tegen een jeugdprofessional die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over haar drie kinderen. De kinderen hebben hun vader sinds 2013 niet meer gezien. Ook is er niet tot nauwelijks contact tussen de kinderen en de familie van vaderszijde. Een expert in ouderonthechting heeft in 2020 geconcludeerd dat sprake is van onbewuste actieve ouderonthechting. De drie klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. Deze samenvatting ziet op klachtonderdeel 1 en klachtonderdeel 3.

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel heeft de moeder aangevoerd dat de jeugdprofessional in 2019 ten onrechte (ook ter zitting) een beeld van de moeder heeft geschetst dat zij de kinderen isoleert. De jeugdprofessional heeft gemotiveerd verweer gevoerd dat het haar gedurende de ondertoezichtstelling niet is gelukt om zicht op de ontwikkeling van de kinderen te krijgen. Dit heeft de jeugdprofessional aan de hand van meerdere voorbeelden aan de rechter kenbaar gemaakt. Naar het oordeel van het College behoort dit tot de rol van een jeugdprofessional belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Bovendien is uit het dossier niet gebleken dat de aangedragen voorbeelden onjuist zijn.

In klachtonderdeel 3 wordt het de jeugdprofessional verweten dat zij zonder toestemming de school en het ziekenhuis heeft benaderd en vertrouwelijke informatie heeft uitgewisseld. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional op grond van artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode en artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet ook zonder toestemming (beroepsmatige) informatie mag verstrekken wanneer dit noodzakelijk kan worden geacht voor de te bieden hulp of het afstemmen van de hulp. De jeugdprofessional heeft meerdere schriftelijke aanwijzingen aan de moeder gegeven om gezamenlijk met haar en de vader in gesprek te komen. Het College oordeelt dat gelet hierop de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door contact met het ziekenhuis op te nemen en hen te vragen geen afspraken voor de zoon in te plannen op het moment dat een gezamenlijk gesprek zou plaatsvinden. Voor wat betreft het benaderen van de school heeft de jeugdprofessional, gelet op het juridisch kader, geen toestemming van de gezaghebbende ouder(s) nodig. In geval van een ondertoezichtstelling dient er zicht te komen op de kinderen. Dit houdt in dat de jeugdprofessional ook moet kunnen zien hoe de kinderen zich op school ontwikkelen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.582Tb

Twee klachtonderdelen zien niet op het individuele handelen van de jeugdprofessional, maar op dat van de collega die namens de GI mede is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De jeugdprofessional heeft in deze casus geen toestemming nodig gehad om de behandelend arts van de zoon te benaderen. Op grond van artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet is ook geen toestemming nodig (geweest) om de school van de kinderen te benaderen.

De moeder dient een klacht in, bestaande uit drie klachtonderdelen, tegen een jeugdprofessional die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over haar drie kinderen. De kinderen hebben hun vader sinds 2013 niet meer gezien. Ook is er niet tot nauwelijks contact tussen de kinderen en de familie van vaderszijde. Een expert in ouderonthechting heeft in 2020 geconcludeerd dat sprake is van onbewuste actieve ouderonthechting. De drie klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. Klachtonderdeel 1 en klachtonderdeel 2 zien (gedeeltelijk) niet op het individuele handelen van de jeugdprofessional. Deze samenvatting ziet derhalve op klachtonderdeel 3.

In klachtonderdeel 3 wordt het de jeugdprofessional verweten dat zij zonder toestemming de school en het ziekenhuis heeft benaderd en vertrouwelijke informatie heeft uitgewisseld. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional op grond van artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode en artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet ook zonder toestemming (beroepsmatige) informatie mag verstrekken wanneer dit noodzakelijk kan worden geacht voor de te bieden hulp of het afstemmen van de hulp. De jeugdprofessional heeft meerdere schriftelijke aanwijzingen aan de moeder gegeven om gezamenlijk met haar en de vader in gesprek te komen. Het College oordeelt dat gelet hierop de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door contact met het ziekenhuis op te nemen en hen te vragen geen afspraken voor de zoon in te plannen op het moment dat een gezamenlijk gesprek zou plaatsvinden. Voor wat betreft het benaderen van de school heeft de jeugdprofessional, gelet op het juridisch kader, geen toestemming van de gezaghebbende ouder(s) nodig. In geval van een ondertoezichtstelling dient er zicht te komen op de kinderen. Dit houdt in dat de jeugdprofessional ook moet kunnen zien hoe de kinderen zich op school ontwikkelen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.267Ta

Een verslag van het intakegesprek dient onderdeel te zijn van het dossier van de jeugdige.

Naar aanleiding van een hulpvraag van de ouders bij het Sociaal Wijkteam raakt de jeugdprofessional als ambulant spoedhulpverlener betrokken bij de ouders en de zoon. Tijdens het intakegesprek geeft  moeder aan dat zij ondersteuning van de jeugdprofessional wenst om de zoon naar een afspraak met zijn psycholoog te begeleiden. De jeugdprofessional heeft de afweging gemaakt om Ambulante Spoedhulp (ASH) in te zetten, in plaats van Intensief Kort Ambulant crisishulpverlening, maar hij heeft deze afweging niet, althans onvoldoende, gedocumenteerd. Op de dag van de afspraak met de psycholoog escaleert de situatie, met als gevolg dat de zoon op een tijdelijke plek van de instelling wordt geplaatst. Anderhalf jaar later heeft de moeder het dossier van de zoon opgevraagd. Hier ontbreekt het verslag van het intakegesprek. Bij navraag blijkt dat  geen verslag van het intakegesprek is opgesteld. De ouders klagen bij SKJ dat de jeugdprofessional onvoldoende informatie heeft verstrekt over het te volgen hulpverleningstraject (klachtonderdeel 1) en dat de jeugdprofessional geen verslag van het intake gesprek heeft gemaakt (klachtonderdeel 2).

Beide klachtonderdelen worden gegrond verklaard. Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional de ouders voldoende heeft geïnformeerd over het te volgen hulpverleningstraject. De jeugdprofessional heeft aangevoerd dat hij zich,  drie jaar naar dato, niet kan herinneren wat is besproken tijdens het intake gesprek, maar dat het standaard procedure is om de ouders dit te vertellen en bovendien staat de informatie op de website. Een intakeverslag had volgens het College hierin helpend kunnen zijn, hetgeen is nagelaten om op te stellen. Het verslag van het intakegesprek geeft alle partijen handvatten en structuur in de te volgen (spoed)hulpverlening en de te bereiken doelen. Ook kan dit verslag gebruikt worden bij afronding en evaluatie van het traject. Tijdens ASH is het des te belangrijker dat van een intakegesprek steeds een verslag wordt gemaakt, omdat de hulpverlening van korte duur is, en (vaak) sprake is van een crisissituatie waardoor de betrokkenen overvallen kunnen worden met de informatie tijdens het intakegesprek. Partijen hadden dan op dit verslag kunnen terugvallen voor wat betreft de gegeven informatie over het hulpverleningstraject.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.192Ta

Een jeugdbeschermer wordt verweten dat zij heeft gelogen over haar bevoegdheden als gezingsvoogd en onjuiste, negatieve informatie aan de rechtbank heeft gestuurd

Een vader van een minderjarige zoon dient een klacht in tegen een jeugdbeschermer bij de GI. De jeugdbeschermer is namens de GI belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De vader dient twee klachtonderdelen in. Het College heeft de klachtonderdelen ongegrond verklaard.

In het eerste klachtonderdeel wordt de jeugdprofessional verweten dat zij heeft gelogen over haar bevoegdheden als gezinsvoogd in een specifieke e-mail over het uitbreiden van de omgang tussen de moeder en de zoon. Doordat de jeugdprofessional volgens de vader heeft gelogen, heeft zij – in het verlengde – daarmee eveneens ongeoorloofde dwang uitgeoefend. Het College vindt dit een verstrekkend verwijt. Immers, volgens het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal wordt onder liegen verstaan: ‘met opzet onwaarheden spreken’ en onder dwang: ‘machtsuitoefening waardoor iemand tot iets wordt genoodzaakt’. Het College leest in de litigieuze e-mail dat de jeugdprofessional vorm heeft willen geven aan de bij de GI belegde regie over de zorgregeling (conform de zorgregelingsbeschikking) en de ouders heeft willen informeren over de mogelijke vervolgstappen. Daarnaast blijkt uit de stukken dat de jeugdprofessional hierna intern is blijven overleggen over hoe te handelen, hetgeen het College tegen de achtergrond van de in de beslissing geschetste ontwikkelingen in de jurisprudentie zorgvuldig acht. Alles overziend is het College van oordeel dat de jeugdprofessional zorgvuldig heeft gehandeld en geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

In het tweede klachtonderdeel klaagt de vader dat de jeugdprofessional onjuiste, negatieve informatie over de vader in het plan van aanpak aan de rechtbank heeft gestuurd. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional onder de gegeven omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, nu zij – na door de vader te zijn gewezen op de onjuiste informatie – direct alles in het werk heeft gesteld om een mogelijk nadeel voor de vader te keren, zij haar excuses aan de vader heeft aangeboden en de rechtbank geen kennis heeft genomen van de versie van het plan van aanpak zoals aanvankelijk was ingediend. Wel benadrukt het College het belang van het ter nalezing en correctie opsturen van de definitieve (gewijzigde) versie van het plan van aanpak door jeugdprofessionals aan (in dit geval) de ouders.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.012B

Het beroep van een moeder slaagt niet. Het is niet aan de tuchtcolleges van SKJ om een algemene definitie te geven van een complex begrip als ‘hybride ouderverstoting’, noch om deze definitie aan de hand van enkele dossierstukken toe te passen op de onderhavige casus.

Een moeder dient een klacht in tegen een contextueel systeemtherapeut die betrokken is geweest in het kader van een onderzoek bij de zoon om inzichtelijk te krijgen of er ruimte bij hem is voor contactherstel met de moeder en ‘of dat authentiek overkomt’. Het College van Toezicht heeft de moeder niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel 3, de klachtonderdelen 2, 4 en 5 zijn ongegrond verklaard en klachtonderdeel 1 is gegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd. De moeder is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht.

Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling van de klachtonderdelen 1, 2 en 3. In deze samenvatting wordt ingegaan op de beoordeling van het College van Beroep van klachtonderdeel 2. In dit klachtonderdeel wordt de jeugdprofessional verweten dat hij de term ‘hybride ouderverstoting’ verkeerd heeft toegepast. Het College van Beroep is van oordeel dat het College van Toezicht terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het niet is vast te stellen of de term ‘hybride ouderverstoting’ al dan niet correct door de jeugdprofessional is gebruikt. Partijen verschillen hierover van mening en het is niet aan de tuchtcolleges van SKJ om een algemene definitie te geven van een dergelijk complex begrip, noch om deze definitie aan de hand van enkele dossierstukken toe te passen op de onderhavige casus. Het beroep van de moeder slaagt niet en het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.007Ta

De jeugdbeschermer wordt door de vader verweten dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door de zorgregeling te wijzigen, en bovendien hebben geplande belafspraken geen doorgang vonden.

Een vader van twee minderjarige kinderen heeft een klacht ingediend tegen een jeugdbeschermer, die vanaf november 2018 belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het gezag over de kinderen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder. Er is een co-ouderschapsregeling (verder: de zorgregeling) waarbij de kinderen een week bij de moeder en een week bij de vader verblijven. In september 2018 heeft de moeder eenzijdig de zorgregeling opgeschort.

De klacht bestaat uit drie klachtonderdelen, die alle drie ongegrond zijn verklaard. Deze samenvatting gaat, gezien het lerende effect, in op klachtonderdeel één en drie.

In klachtonderdeel één verwijt de vader de jeugdprofessional onder meer dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door de zorgregeling van 2017 om te zetten naar begeleide omgang tussen de vader en de zoon. Voor zover bedoeld is te klagen over de onrechtmatigheid van het wijzigen van de zorgregeling wijst het College eerst op het eigen beoordelingskader (in de beslissing onder kopje 3). Het College dient de vraag te beantwoorden of de jeugdprofessional met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het College overweegt dat de jeugdprofessional van een collega heeft vernomen dat de rechter in deze casus heeft uitgesproken dat het de taak is van de GI te beslissen over de zorgregeling. Het doel van de wijziging is volgens de jeugdprofessional zicht te krijgen op de omgang tussen de zoon en de vader, nu de moeder de omgang eenzijdig heeft opgeschort. Het College volgt de jeugdprofessional in haar motivatie de omgang tussen de vader en de zoon in kaart te willen brengen. Het is haar taak de zoon actief te beschermen. De jeugdprofessional heeft – in lijn met artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional  – vooraf afstemming gezocht binnen haar team. Nadat de jeugdprofessional begin januari 2019 door de advocaat van de vader werd gewezen op de uitspaak van de Hoge Raad en de reikwijdte van de bevoegdheid van de GI ten aanzien van het wijzigen van een zorgregeling, heeft de jeugdprofessional bovendien contact opgenomen met de juristen van de GI. Zodra zij door de juristen is geïnformeerd, heeft zij de ouders laten weten dat de voorheen geldende zorgregeling direct wordt hersteld. In dit kader voelt het College de behoefte te wijzen op de datum van de uitspraak van de Hoge Raad. Deze uitspraak is gedateerd op 14 december 2018. Dat is ná de datum van 3 december 2018 waarop de zorgregeling is gewijzigd. Het had overigens wel op de weg van de jeugdprofessional gelegen de vader bij de beslissing te betrekken, bijvoorbeeld door het vooraf voeren van een gesprek met de vader.

In klachtonderdeel drie verwijt de vader de jeugdprofessional dat zij heeft nagelaten te handelen ondanks dat zij op de hoogte was van de wanhoop van de zoon. Dit concentreert zich vooral op geplande belafspraken die geen doorgang vonden. Het College kan zich tot op zekere hoogte voorstellen dat het – mede doordat de ouders niet in staat waren constructief met elkaar te communiceren – niet eenvoudig is geweest de belafspraken doorgang te laten vinden. Dat neemt volgens het College echter niet weg dat van de jeugdprofessional – in haar functie als regievoerder – verwacht mocht worden dat zij zich meer had kunnen inspannen de belcontacten vorm te geven. De jeugdprofessional had zich hier meer kunnen en moeten positioneren.

Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional echter geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.007Tb

De jeugdbeschermer heeft, zonder eerst met de vader in gesprek te gaan, contact opgenomen met de moeder en met haar advocaat. Daarmee heeft zij de vertrouwelijkheid geschonden die zij ten aanzien van de vader dient te betrachten.

Een vader van twee minderjarige kinderen heeft een klacht ingediend tegen een jeugdbeschermer, die vanaf februari 2019 belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het gezag over de kinderen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder. Er is een co-ouderschapsregeling (verder aan te duiden als: de zorgregeling) waarbij de kinderen een week bij de moeder en een week bij de vader verblijven. In september 2018 heeft de moeder eenzijdig de zorgregeling opgeschort.

De klacht bestaat uit vier klachtonderdelen. Klachtonderdeel één is deels gegrond, de klachtonderdelen twee en vier zijn ongegrond en de vader is niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel drie. Deze samenvatting gaat, gezien het lerende effect, in op klachtonderdeel één.

In klachtonderdeel één verwijt de vader de jeugdprofessional dat zij de geheimhoudingsplicht/privacy heeft geschonden. De ambulant hulpverleenster van [het traject] heeft haar vermoedens van alcoholgebruik bij de vader gemaild naar de jeugdprofessional. De jeugdprofessional heeft vervolgens eerst contact opgenomen met de moeder om de zorgen over het alcoholgebruik van de vader te bespreken. Op verzoek van de moeder heeft zij later hierover telefonisch met de advocaat van de moeder gesproken. Pas de dag daarna heeft de jeugdprofessional de vader gebeld en de zorgen over het alcoholgebruik bij hem neergelegd. Daarna is de begeleide omgang tussen de vader en de zoon stopgezet. Op grond van de autonome professionele bevoegdheid van de jeugdprofessional is het College van oordeel dat zij in deze situatie een andere afweging had moeten maken. Door eerst met de moeder te spreken, heeft zij de vertrouwelijkheid ten aanzien van de vader geschonden en in strijd gehandeld met artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional. De jeugdprofessional behandelt informatie over de jeugdige cliënt, diens ouders/opvoeders en hun omstandigheden vertrouwelijk. Wanneer zij het bovendien – in het belang van de kinderen – noodzakelijk had geacht om deze vertrouwelijke informatie met derden (lees: de moeder) uit te wisselen, had zij de vader eerst om toestemming moeten vragen. Dat geldt ook voor het contact dat de jeugdprofessional heeft opgenomen met de advocaat van de moeder. Het College acht de handelwijze van de jeugdprofessional onnavolgbaar en tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat zij dit eenmalig, op uitdrukkelijk verzoek van de moeder, heeft gedaan om toe te lichten wat de rol van de GI is en wat tot de rol van de moeder behoort, maakt dit oordeel niet anders. Door zo te handelen heeft de jeugdprofessional naast artikel J ook artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) geschonden.

De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht desgevraagd aangegeven dat zij een volgende keer geen contact meer op zou nemen met de advocaat van de moeder. Daarmee heeft zij gereflecteerd op haar handelen en heeft het College het in deze omstandigheden passend en geboden gevonden om de maatregel van waarschuwing op te leggen.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.007Tc

De jeugdbeschermer wordt door de vader verweten dat zij tijdens de zitting van de rechtbank – waar zij als zittingsvertegenwoordiger aanwezig was – zonder enige onderbouwing of bewijs heeft verklaard dat de vader tijdens twee gesprekken liederlijk gedrag zou hebben vertoond.

Een vader van twee minderjarige kinderen heeft een klacht ingediend tegen een jeugdbeschermer, die wegens ziekte van een collega eenmalig als zittingsvertegenwoordiger aanwezig is geweest bij een zitting van de rechtbank. Het gezag over de kinderen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder. Er is een co-ouderschapsregeling (verder aan te duiden als: de zorgregeling) waarbij de kinderen een week bij de moeder en een week bij de vader verblijven. In september 2018 heeft de moeder eenzijdig de zorgregeling opgeschort.

De klacht is ongegrond verklaard. Deze samenvatting gaat, gezien het lerende effect, wel in op deze klacht.

De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij tijdens de zitting van de rechtbank waar zij als zittingsvertegenwoordiger bij aanwezig was, zonder enige onderbouwing of bewijs, heeft verklaard dat de vader tijdens twee gesprekken bij [het traject] liederlijk gedrag zou hebben vertoond en totaal beschonken en moeilijk aanspreekbaar zou zijn geweest.

De jeugdprofessional heeft haar collega jeugdprofessional, die belast was met de uitvoering van de ondertoezichtstelling en die op die dag onverwacht was uitgevallen, eenmalig vervangen. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional verklaard dat de gebiedsmanager intern een oproep heeft gedaan wie deze zitting kon waarnemen. Dat heeft zij gedaan, ondanks dat zij niet met de uitgevallen collega jeugdprofessional in een team zat. Vervolgens heeft zij een mondelinge overdracht gekregen van de gebiedsmanager en van een collega jeugdbeschermer, die bij deze casus betrokken was. De jeugdprofessional heeft daarnaast ter voorbereiding de contactjournaals, de plannen van aanpak, de veiligheidsplannen, de notulen van de casuïstiekbesprekingen en het raadsrapport doorgenomen. Het College overweegt dat de jeugdprofessional voldoende heeft aangetoond dat zij zich zorgvuldig heeft voorbereid, in de korte tijd die haar gegeven was. De uitspraken die zij ter zitting heeft gedaan, waren afkomstig van [het traject], en die informatie maakte deel uit van het dossier. Van een jeugdprofessional die in een casus eenmalig optreedt als zittingsvertegenwoordiger, een mondelinge overdracht krijgt en slechts één tot twee dagen de tijd heeft zich voor te bereiden, kan niet verwacht worden dat zij zelfstandig een onderzoek instelt, dan wel het gesprek met de ouders aangaat. Zij mocht volgens het College erop vertrouwen dat het dossier op orde was en dat zij bij de mondelinge overdracht correct was geïnformeerd. De stelling van de vader dat, door de valse beschuldigingen van de zijde van de jeugdprofessional, de zorgregeling alsnog ten nadele van hem is gewijzigd, volgt het College niet.

Het College ziet in de klacht van de vader dan ook geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.