Maak een selectie

417 van 417

   
College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.003B

Het is tot op zekere hoogte aan een medewerker van het CJG om te bepalen hoe het gesprek met een ouder wordt aangegaan over de veiligheid van een kind en/of de wijze waarop zicht gekregen wordt op de veiligheid van een kind. Er is ten aanzien hiervan geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

Een moeder heeft een klacht ingediend over een medewerker van het CJG. De medewerker, de jeugdprofessional, is betrokken nadat de moeder haar minderjarige zoon heeft aangemeld bij het CJG in verband met zorgen over de opvoedsituatie bij de vader en de gedragsmoeilijkheden die zij bij de zoon in de thuissituatie ziet. Het College van Toezicht heeft vijf klachtonderdelen ongegrond en één klachtonderdeel gegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Alleen de moeder is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht.

In deze samenvatting wordt ingegaan op de beoordeling van het College van Beroep van klachtonderdeel 1. In dit klachtonderdeel verwijt de moeder de jeugdprofessional dat zij onzorgvuldig is omgegaan met belastende informatie over en verschillende signalen van fysiek geweld van de vader richting de zoon. De moeder heeft ter onderbouwing van haar beroep verwezen naar een situatie rondom een tekening die de zoon heeft gemaakt en waarvan de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van de klacht die situatie heeft erkend. Het College van Beroep is echter van oordeel dat deze tekening geen deel uitmaakte van het klachtonderdeel dat de moeder bij het College van Toezicht heeft geformuleerd. De reikwijdte van een klachtonderdeel dient voor alle betrokkenen, inclusief de tuchtcolleges, helder te zijn. Het is dan ook niet mogelijk om tijdens een (mondelinge) behandeling van de klacht c.q. beroep met een nieuw aspect/voorbeeld of uitbreiding van het klachtonderdeel te komen. In zoverre is de moeder dan ook niet-ontvankelijk in haar beroep tegen dit klachtonderdeel.

Daarnaast dient het College van Beroep de vraag nog te beantwoorden of de jeugdprofessional de vader heeft aangesproken op de ontvangen documenten van de moeder met belastende informatie over de vader. Het College van Beroep overweegt de jeugdprofessional in het kader van een Triple P cursus met de vader heeft gesproken over slaan, corrigerende tikken en stressmanagement. Dat de jeugdprofessional mogelijk niet de exacte documenten met de vader heeft besproken leidt niet tot een tuchtrechtelijk verwijt. Het is tot op zekere hoogte aan de jeugdprofessional om te bepalen hoe zij het gesprek hierover aangaat en/of de wijze waarop zij zicht krijgt op de veiligheid van de zoon. Door met de vader over de onderwerpen in gesprek te gaan, kan niet gesteld worden dat de jeugdprofessional hier onzorgvuldig mee is omgegaan. Het College van Beroep is van oordeel dat de jeugdprofessional ten aanzien van dit klachtonderdeel geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.513Ta

Een zorgprofessional, die betrokken is geweest bij het coördineren van de omgang tussen de moeder en dochter, heeft wekelijks gesprekken met de dochter gevoerd, maar zij heeft de gezaghebbende moeder daarover geen (frequente) terugkoppeling gegeven. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional zich te algemeen op het standpunt heeft gesteld dat de privacy van de jeugdige dat zou rechtvaardigen. Een dergelijke afweging dient gemotiveerd en met de ouder gedeeld te worden.

Klaagster is de moeder van een dochter. Beide ouders hebben het gezag. De moeder is aanvankelijk gedetineerd geweest en gedurende de detentie hebben de moeder en dochter gedurende één keer per maand omgang. Wanneer de moeder vanaf het najaar van 2018 met weekendverlof gaat, dient zij bij de gemeente een aanvraag in voor een begeleide omgangsregeling. De jeugdprofessional (die al betrokken was bij de vader en dochter) gaat zich vanaf 29 november 2018 alleen nog bezig houden met het coördineren van de omgang. In dat kader voert zij ook wekelijks gesprekken met de dochter. De omgang wordt begeleid door een vrijwilligster van Exodus.

De moeder dient vier klachtonderdelen in tegen de jeugdprofessional, namelijk dat zij:
1. de omgang onnodig vertraagt;
2. weigert contact te hebben met de moeder en haar niet betrekt bij de hulpverlening;
3. faalt in het realiseren van omgangsmomenten;
4. oneerlijk, bevooroordeeld is en niet in staat is om neutraal te zijn.

Deze samenvatting gaat in op klachtonderdeel 2. Dit klachtonderdeel wordt gedeeltelijk gegrond verklaard, namelijk voor wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional de moeder onvoldoende betrokken heeft bij de hulpverlening. De jeugdprofessional heeft aan de moeder geen (frequente) terugkoppeling gegeven over de wekelijks gevoerde gesprekken met de dochter, met als motivatie dat zij daarmee de privacy van de dochter zou schenden. Hoewel op grond van de jeugdwet inlichtingen over verleende jeugdhulp – onder omstandigheden – achterwege gelaten kunnen worden, heeft een gezaghebbende ouder ook recht op informatie over de verleende jeugdhulp. Zeker in dit geval gezien de leeftijd van de dochter (onder de twaalf jaar).
Volgens het College heeft de jeugdprofessional haar standpunt dan ook (te) algemeen ingenomen. In het geval een jeugdprofessional meent dat de privacy van een jeugdige zwaarder dient te wegen dan het recht op informatie van de gezaghebbende ouder, rust op de jeugdprofessional een zware motivatieplicht. Dat houdt in dat de belangenafweging rondom een zogeheten conflict van plichten transparant met de gezaghebbende ouder(s) gedeeld wordt. In deze casus had dus het conflict tussen de plicht tot het geven van informatie aan de gezaghebbende moeder en de plicht tot het waarborgen van de privacy van de dochter aan de moeder toegelicht moeten worden. De jeugdprofessional had niet mogen volstaan met het enkele argument dat het delen van informatie de privacy van de dochter schendt. Juist ook omdat in deze casus de gesprekken zeer frequent hebben plaatsgevonden (wekelijks), en daarbij ook ingegaan werd op de omgang tussen de moeder en dochter, en wat daarin mogelijk helpend zou kunnen zijn voor de dochter. Dergelijke informatie wordt beschouwd als zeer relevante informatie voor de moeder en het bestendigen, dan wel verbeteren, van de omgang tussen haar en de dochter. Artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode en artikelen 7.3.11 lid 1 en 2 juncto 7.3.15 lid 1 van de Jeugdwet zijn geschonden.
De klachtonderdelen worden voor het overige ongegrond verklaard.

Het College ziet voldoende aanleiding om geen maatregel op te leggen. Hoewel grote waarde wordt gehecht aan het betrekken van de (gezaghebbende) ouder bij een hulpverleningstraject, is voldoende gebleken dat de jeugdprofessional het belang van de dochter voorop heeft willen stellen. Ook wordt ervan uitgegaan dat zij in toekomstige gevallen haar werkwijze aanpast zodat deze in lijn is met de professionele standaard.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.014B

Het beroep van een moeder slaagt niet. Het is niet aan de tuchtcolleges om in de beoordeling van rechterlijke beslissingen te treden en/of te interpreteren wat een (kinder-)rechter met een bepaalde beschikking heeft bedoeld. Ook is het tuchtrecht niet bedoeld als beroep tegen een rechterlijke beslissing.

Een moeder is in beroep gegaan tegen een deel van de beslissing van de voorzitter van het College van Toezicht. Het beroep van de moeder richt zich tegen de beoordeling van klachtonderdeel 2 waarin de moeder de jeugdbeschermer verwijt dat hij zich niet aan beschikkingen van de rechtbank heeft gehouden. De voorzitter van het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel geoordeeld dat – anders dan de moeder stelt – in de betreffende beschikking niet wordt gesproken over de inzet van een kinderpsycholoog en dat de inzet van een kinderpsycholoog dan ook geen opdracht van de kinderrechter aan de jeugdbeschermer is geweest.

In beroep heeft de moeder het proces-verbaal van de betreffende zitting overlegd. Naar de mening van de moeder blijkt uit dit proces-verbaal dat er tijdens de zitting afspraken zijn gemaakt over de inzet van een kinderpsycholoog. De voorzitter van het College van Beroep heeft geoordeeld dat ondanks dat er blijkens het proces-verbaal tijdens de zitting is gesproken over de inzet van een kinderpsycholoog, de kinderrechter geen aanleiding heeft gezien om de inzet van de kinderpsycholoog expliciet in de beschikking op te nemen. Het is niet aan de tuchtcolleges van SKJ om in de beoordeling van rechterlijke beslissingen te treden en/of te interpreteren wat een (kinder-)rechter met een bepaalde beschikking al dan niet heeft bedoeld. Ook is het tuchtrecht niet bedoeld als beroep tegen een rechterlijke beslissing.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.020B

Het beroep van een vader slaagt niet. Het is gelet op de inhoud van de zorgmelding(en) navolgbaar dat een medewerker van Veilig Thuis in het kader van een veiligheidsbeoordeling wel contact heeft opgenomen met de moeder, maar dat de vader hier niet direct over is geïnformeerd.

Een vader is in beroep gegaan tegen een beslissing van de voorzitter van het College van Toezicht. De vader heeft erover geklaagd dat een medewerker van Veilig Thuis foutieve informatie heeft gegeven over de geboden hulp- en dienstverlening en informatie heeft achtergehouden naar een van de gezaghebbende ouders. De voorzitter van het College van Toezicht heeft – onder meer – geoordeeld dat transparantie richting alle betrokkenen wenselijk wordt geacht, maar dat er op grond van het Handelingsprotocol Veilig Thuis 2019 ook andere (zwaarwegende) gronden mee kunnen spelen waardoor deze openheid niet altijd kan worden nagestreefd. De klacht van de vader is ongegrond verklaard.

In beroep betwist de vader de motivering van de voorzitter van het College van Toezicht. De vader stelt dat op grond van het Handelingsprotocol het onmiddellijk informeren van directbetrokkenen een vereiste is en dat alleen veiligheid een grond is waardoor er afgezien kan worden van de eis van het onmiddellijk informeren. De jeugdprofessional heeft volgens de vader echter geen concrete aanwijzingen genoemd waaruit blijkt dat de veiligheid in het geding zou komen bij het informeren van de vader.

Het College van Beroep overweegt dat – gelet op de ingrijpende informatiepositie van Veilig Thuis – er in beginsel sprake is van openheid naar directbetrokkenen (informatieplicht). Hierop is een uitzondering mogelijk als dit voor (het beoordelen van) de veiligheid van (een of meer) directbetrokkenen, voor de veiligheid van medewerkers van Veilig Thuis of de veiligheid van andere noodzakelijk is. De jeugdprofessional heeft gemotiveerd uiteengezet welke stappen zij heeft genomen na ontvangst van de melding. Hieruit blijkt dat de jeugdprofessional heeft geprobeerd een inschatting te maken van de veiligheid en te onderzoeken op welke wijze de vader het beste over de melding en overdracht kon worden geïnformeerd. Gelet op de inhoud van de melding(en) en het feit dat de moeder zich in het verleden meermaals bij een blijf-van-mijn-lijfhuis heeft gemeld, acht het College van Beroep het navolgbaar dat de jeugdprofessional in de onderhavige situatie wel contact met de moeder heeft gelegd om deze inschatting te maken, maar niet (direct) de vader hierover heeft geïnformeerd. Deze handelswijze van de jeugdprofessional vindt zijn rechtvaardiging in hoofdstuk 8 van het Handelingsprotocol.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.548Ta

De vader acht de orthopedagoog niet bekwaam voor het opstellen van een advies ten behoeve van het herindiceren van het PGB van zijn dochter. De klacht is gegrond voor wat betreft het niet verlenen van inzage(/afschrift verstrekken) aan de ouders. Daardoor hebben de ouders het blokkeringsrecht niet kunnen uitoefenen. Ook vermeldt het advies niet de dossierstukken waarop het berust.

Vanwege medische problematiek bij de dochter ontvangen de ouders een PGB vanuit de Jeugdwet. De ouders dienen een aanvraag in voor verlenging van het PGB. Alvorens een besluit over de aanvraag te nemen, wordt de jeugdprofessional verzocht advies uit te brengen op basis van het aanwezige dossier. Vervolgens is de aanvraag afgewezen. De ouders tekenen bezwaar aan tegen deze beslissing en de vader dient bij SKJ vier klachtonderdelen in tegen de jeugdprofessional. Deze samenvatting gaat in op klachtonderdelen 1, 3 en 4.

In klachtonderdeel 1 wordt de jeugdprofessional verweten dat zij niet bekwaam is advies uit te brengen, gelet op de (voornamelijk) medische problematiek van de dochter. Ook vindt de vader het advies op verschillende punten ondermaats. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden ten aanzien van het aanvaarden van de opdracht (art. 9 lid 4 van de Beroepscode NVO). De opdracht die voorlag was namelijk het op basis van een dossieronderzoek uitbrengen van een (pedagogisch) advies over de vraag of een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk werd geacht. In dat licht en in het kader van de Jeugdwet dient een dergelijk advies in de eerste plaats een antwoord te geven op de vraag of en op welke wijze (aanvullende) (opvoed)ondersteuning voor de dochter, in de context van het gezin, noodzakelijk wordt geacht. Dit is bij uitstek een te beantwoorden vraag voor een orthopedagoog. Ook voor wat betreft de inhoud van het advies is niet gebleken dat deze onredelijk of anderszins onaanvaardbaar is.

In klachtonderdeel 3 verwijt de vader de jeugdprofessional dat het advies direct is doorgestuurd naar de gemeente, waardoor de ouders niet zijn gewezen op hun blokkeringsrecht en hier geen gebruik van hebben kunnen maken. In het laatste klachtonderdeel brengt de vader naar voren dat het advies de geraadpleegde stukken niet vermeldt. Beide klachtonderdelen verklaart het College gegrond. Uit art. 39 lid 1 (juncto art. 5 lid 1 en 2) van de Beroepscode NVO volgt dat de ouders in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld tot inzage in het advies (en dat aan hen een afschrift had moeten worden verstrekt), voordat het advies aan de gemeente werd uitgebracht. Dat heeft de jeugdprofessional nagelaten, waardoor de ouders het blokkeringsrecht is ontnomen (art. 40 lid 1 van de Beroepscode NVO). Voorts wordt in het advies niet inzichtelijk gemaakt op welke stukken (bronnen) het berust, wat maakt dat art. 37 lid 1 (vierde aandachtsstreepje) van de Beroepscode NVO geschonden is.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.449Ta

Ouders verwijten een orthopedagoog van een zorgroep dat zij niet heeft opgeschaald naar een toezichthouder en dat zij onwaarheden vertelt.

De dochter van de ouders verblijft sinds 2017 op een zorggroep als zijnde haar toekomstgerichte woonvoorziening. Na de plaatsing ontstaat tussen de ouders en de directrice van de zorggroep een conflict. De moeder en de jeugdprofessional hebben op 14 juni 2019 telefonisch contact gehad vanwege het aflopen van de onderwijsontheffing van de dochter. Naar aanleiding van dit telefoongesprek worden de twee klachtonderdelen ingediend.

In het eerste klachtonderdeel wordt de jeugdprofessional verweten dat zij niet heeft opgeschaald naar een toezichthouder. Uit het telefoongesprek van 14 juni 2019 is volgens de ouders gebleken dat bij de jeugdprofessional onder meer zorgen bestonden over de veiligheid van de dochter en andere cliënten binnen de zorggroep. Dat maakt dat zij de situatie binnen de zorggroep had moeten melden bij een toezichthouder. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard omdat uit de overgelegde geluidsopname en transcriptie van het telefoongesprek van 14 juni 2019 vastgesteld wordt dat tussen de jeugdprofessional en directie een verschil van visie bestond rondom verschillende beleidskwesties. Het voert volgens het College echter te ver om te concluderen dat bij de jeugdprofessional zorgen bestonden over de veiligheid van cliënten, dan wel dat zij op de hoogte was van misstanden binnen de zorggroep waarvan het noodzakelijk was melding te maken bij een toezichthouder. Er is onvoldoende gebleken dat daarvan sprake is geweest, dan wel dat de jeugdprofessional van dergelijke zaken op de hoogte is geweest.

Het tweede klachtonderdeel gaat over de e-mailcorrespondentie rondom het gevoerde telefoongesprek. De ouders hebben aan de procesregisseur van de gemeente een samenvatting van het telefoongesprek gestuurd. Daarna heeft de jeugdprofessional laten weten dat zij zich niet in de samenvatting herkende, maar nagelaten daarbij kenbaar te maken wat eventueel wel klopt. Ook dit klachtonderdeel verklaart het College ongegrond. Van een jeugdprofessional kan, enkele dagen na een gevoerd (telefoon)gesprek, niet verwacht worden dat desgevraagd een gedetailleerde inhoudelijke terugkoppeling van dat gesprek gegeven kan worden. De jeugdprofessional had kunnen volstaan met het geven van een algemene terugkoppeling. In dit geval heeft zij echter voldoende gemotiveerd waarom zij daarvan heeft afgezien: zij wilde geen onderdeel worden van het conflict tussen de directrice en de ouders, omdat zij daarbij niet (inhoudelijk) betrokken was. Het College volgt de jeugdprofessional in deze afweging en acht het zorgvuldig dat zij professionele afstand heeft willen bewaren.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.495Ta

Een gedragsdeskundige heeft de grenzen van de professionele relatie overschreden doordat zij een informele relatie heeft onderhouden met een jeugdige binnen een justitiële jeugdinrichting.

Een manager van een justitiële jeugdinrichting dient een klacht in tegen een gedragsdeskundige die voorheen werkzaam was binnen de justitiële jeugdinrichting. De manager verwijt de gedragsdeskundige dat zij meer dan een werkrelatie heeft onderhouden met een jeugdige en hierover geen openheid van zaken heeft gegeven.

Het College is van oordeel dat de gedragsdeskundige de grenzen van de professionele relatie met de jeugdige heeft overtreden. De jeugdprofessional heeft erkend dat zij onvoldoende professionele distantie heeft gehouden en eerder openheid van zaken had moeten geven over de informele relatie.

Het College heeft echter oog voor de jonge leeftijd van de jeugdprofessional, het geringe leeftijdsverschil met de betreffende jeugdige en de impact die het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel mogelijk heeft op haar verdere carrière. Het College legt de jeugdprofessional de maatregel van voorwaardelijke schorsing op. Het College overweegt daarbij dat het een  – nog – zwaardere maatregel niet passend vindt omdat tijdens de mondelinge behandeling van de klacht niet is gebleken dat de jeugdprofessional niet leerbaar is.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.559Ta

Een vader dient een klacht in over een gewijzigde doorverwijzing naar een hulpverleningstraject. Het College oordeelt dat de beschikking van de kinderrechter het uitgangspunt voor de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel dient te zijn. Uit de informatiefolder van het hulpverleningstraject blijkt voldoende dat het traject passend is voor de ouders.

Een vader van twee kinderen dient twee klachtonderdelen in tegen de jeugdprofessional die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.

In het eerste klachtonderdeel klaagt de vader dat sprake is van een onjuiste (gewijzigde) doorverwijzing naar een hulpverleningstraject. De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat de vader niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel dient te worden verklaard, omdat het de gezins- en systeemtherapeut is geweest die de afweging heeft gemaakt om te starten met het gewijzigde hulpverleningstraject. Het College oordeelt dat het klachtonderdeel specifiek ziet op de doorverwijzing, hier is de jeugdprofessional (samen met haar collega) verantwoordelijk voor geweest. Het College verklaart de vader ontvankelijk in dit klachtonderdeel.
Uit de beschikking van de kinderrechter blijkt onder andere dat de kinderen niet langer geconfronteerd dienen te worden met de voortdurende strijd en de slechte communicatie tussen de ouders. Een beschikking van de kinderrechter dient het uitgangspunt te zijn in het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel. Het College is van oordeel dat uit de informatiefolder van het hulpverleningstraject blijkt dat dit traject aansluit bij voornoemde problematiek. Voorts heeft de jeugdprofessional in overleg met een medewerker van de aanbieder van het hulpverleningstraject de aanmelding van de ouders gewijzigd. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

In het tweede klachtonderdeel klaagt de vader dat de jeugdprofessional onjuiste informatie heeft verschaft in een briefrapportage aan het gerechtshof. Het College oordeelt dat het uit de overgelegde stukken voldoende aannemelijk is geworden dat de jeugdprofessional zich gebaseerd heeft op de informatie die zij heeft ontvangen over het verloop van het hulpverleningstraject. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.559Tb

Een vader dient een klacht in over een gewijzigde doorverwijzing naar een hulpverleningstraject. Het College oordeelt dat de beschikking van de kinderrechter het uitgangspunt voor de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel dient te zijn. Uit de informatiefolder van het hulpverleningstraject blijkt voldoende dat het traject passend is voor de ouders.

Een vader van twee kinderen dient twee klachtonderdelen in tegen de jeugdprofessional die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.

In het eerste klachtonderdeel klaagt de vader dat sprake is van een onjuiste (gewijzigde) doorverwijzing naar een hulpverleningstraject. De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat de vader niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel dient te worden verklaard, omdat het de gezins- en systeemtherapeut is geweest die de afweging heeft gemaakt om te starten met het gewijzigde hulpverleningstraject. Het College oordeelt dat het klachtonderdeel specifiek ziet op de doorverwijzing, hier is de jeugdprofessional (samen met haar collega) verantwoordelijk voor geweest. Het College verklaart de vader ontvankelijk in dit klachtonderdeel.
Uit de beschikking van de kinderrechter blijkt onder andere dat de kinderen niet langer geconfronteerd dienen te worden met de voortdurende strijd en de slechte communicatie tussen de ouders. Een beschikking van de kinderrechter dient het uitgangspunt te zijn in het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel. Het College is van oordeel dat uit de informatiefolder van het hulpverleningstraject blijkt dat dit traject aansluit bij voornoemde problematiek. Voorts heeft de jeugdprofessional in overleg met een medewerker van de aanbieder van het hulpverleningstraject de aanmelding van de ouders gewijzigd. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

In het tweede klachtonderdeel klaagt de vader dat de jeugdprofessional onjuiste informatie heeft verschaft in een briefrapportage aan het gerechtshof. Het College oordeelt dat het uit de overgelegde stukken voldoende aannemelijk is geworden dat de jeugdprofessional zich gebaseerd heeft op de informatie die zij heeft ontvangen over het verloop van het hulpverleningstraject. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.053Ta

Het verzoek van de moeder om af te wijken van de verjaringstermijn zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement wordt door de voorzitter van het College afgewezen. De moeder werd reeds eerder ondersteund door een vertrouwenspersoon die haar had kunnen helpen met het indienen van haar klacht.

Klaagster is de moeder van een zoon. De jeugdprofessional is van 2 december 2016 tot en met 4 mei 2017 betrokken geweest bij het gezin van de moeder als ambulant hulpverlener. De moeder heeft de tuchtklacht op 4 februari 2020 ingediend. Op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement, verzoekt de moeder om af te wijken van de vastgestelde verjaringstermijn van drie jaar.

De moeder stelt dat zij niet eerder in staat is geweest om haar klacht in te dienen. Zo heeft zij in de periode april 2018 – augustus 2018 oplossingsgerichte gesprekken met de jeugdprofessional gevoerd. Het (gelijktijdig) indienen van een tuchtklacht strookt niet met de intentie van deze gesprekken, die volgens de moeder zeer tijdsintensief zijn geweest. De moeder is bij deze gesprekken ondersteund door een vertrouwenspersoon. Tevens voert de moeder aan dat zij in een afhankelijkheidspositie zat ten opzichte van de instelling, omdat zij in 2018 een nieuwe hulpvraag bij de gemeente had ingediend. Daarnaast hebben er meerdere ingrijpende gebeurtenissen plaatsgevonden in het leven van de moeder waardoor zij niet in staat was om haar tuchtklacht in te dienen.
De jeugdprofessional heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder. De voorzitter oordeelt dat de oplossingsgerichte gesprekken in 2018 hebben plaatsgevonden en de moeder vervolgens ruim anderhalf jaar heeft gewacht met het indienen van haar tuchtklacht. Voor zover de moeder stelt dat zij in een afhankelijkheidspositie zat ten opzichte van de instelling, oordeelt de voorzitter dat uit het verweerschrift is gebleken dat de jeugdprofessional open stond voor een nieuwe samenwerking met de moeder. Daarnaast mag er van een bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional worden verwacht dat hij/zij een tuchtprocedure niet van invloed laat zijn op de samenwerking met de ouder(s). Tot slot heeft de voorzitter kennisgenomen van de stelling dat meerdere ingrijpende gebeurtenissen in het leven van de moeder hebben plaatsgevonden. Nu de moeder in ieder geval in 2018 werd bijgestaan door een professioneel vertrouwenspersoon, oordeelt de voorzitter dat de vertrouwenspersoon de moeder had kunnen helpen met indienen van de tuchtklacht.

De voorzitter wijst het verzoek van de moeder af en oordeelt dat de klacht, voor zover die toeziet op de periode 2 december 2016 tot 4 februari 2017, is verjaard.