Maak een selectie

442 van 442

   
College van Toezicht
31/08/2020
Gedeeltelijk gegrond - Berisping zonder openbaarmaking

Zaaknummer: 19.020Ta

De door de rechtbank opgelegde systeemtherapie is gedurende de ondertoezichtstelling niet van de grond gekomen, terwijl dat traject essentieel was om tussen klaagster en haar kinderen contactherstel te kunnen realiseren. De jeugdbeschermer heeft onder meer onvoldoende samenwerking gezocht met de zorgaanbieder van dat traject. Ook is het de jeugdbeschermer op verschillende onderdelen niet gelukt zich voldoende te positioneren.

Beroepscode: C (Bereid iedere cliënt te helpen) | F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) | G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) | I (Beëindiging van de professionele relatie) | M (Verslaglegging / dossiervorming) | N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening)
Open
College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.579Ta

Het College van Toezicht legt aan de jeugdbeschermer, ondanks een deels gegrond klachtonderdeel, geen maatregel op. De jeugdbeschermer werkte in een complexe situatie, waarin hij, ondanks een moeizame samenwerking, de belangen van de kinderen voorop heeft gesteld en hij zich bovenmatig heeft ingespannen om aan de vader en de kinderen tegemoet te komen.

Een vader van twee minderjarige kinderen dient een klacht in tegen een jeugdprofessional die namens de GI belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, en opvolgend de tijdelijke voogdijmaatregel. De klacht bestaat uit 34 klachtonderdelen. Klachtonderdeel 2 is deels gegrond verklaard. De vader is in 9 klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaard. De overige 24 klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Deze samenvatting ziet toe op het gegrond verklaarde deel van klachtonderdeel 2.

De jeugdprofessional wordt in klachtonderdeel 2 – onder meer – verweten dat hij de in de beschikking opgenomen belmomenten niet heeft vormgegeven. Door dit niet te doen, heeft hij volgens de vader in het bijzonder de zoon geen recht gedaan. Het College overweegt als volgt. In de beschikking van 18 juli 2019 heeft de rechtbank onder meer vastgesteld dat er wekelijks twee vaste belmomenten dienen te zijn tussen de vader en de zoon, waarbij de GI het tijdstip van de belmomenten bepaalt. De jeugdprofessional heeft in het verweerschrift erkend dat de belmomenten tussen de vader en de zoon niet tot stand zijn gekomen, omdat dat voor hem op dat moment niet de hoogste prioriteit had. Het College kan zich tot op zekere hoogte voorstellen dat het niet eenvoudig was deze belmomenten structureel doorgang te laten vinden. Dat de jeugdprofessional de gang van zaken rond de belmomenten met de ouders heeft besproken, zoals hij in zijn verweerschrift heeft gesteld, ziet het College in het dossier echter niet terug. Bovendien is in het verzoek tot tijdelijke wijziging van de zorg- en contactregeling ook niet op de belmomenten teruggekomen. Daarom is het College van oordeel dat de jeugdprofessional hier een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. De jeugdprofessional had zich meer moeten inspannen de belmomenten vorm te geven. Wanneer dit om welke reden dan ook niet haalbaar was, had de jeugdprofessional de vader hierover (schriftelijk) dienen te informeren, en had hij voorts de belmomenten mee kunnen nemen in genoemd verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling. Door dit na te laten, heeft de jeugdprofessional artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode voor de Jeugd- en gezinsprofessional geschonden. Het College ziet echter af van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional zich in de periode dat hij betrokken was bovenmatig ingespannen om zowel de vader als de kinderen tegemoet te komen. De jeugdprofessional heeft de belangen van de kinderen terecht op alle momenten vooropgezet. Daarbij heeft de jeugdprofessional gewerkt in een zeer complexe situatie, waarin sprake is geweest van een moeizame samenwerking. Met deze omstandigheden heeft het College rekening gehouden.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.005Ta

Het College van Toezicht legt aan de jeugdbeschermer, ondanks een deels gegrond klachtonderdeel, geen maatregel op. De jeugdbeschermer werkte in een complexe situatie, waarin zij, ondanks een moeizame samenwerking, de belangen van de kinderen voorop heeft gesteld en zij zich bovenmatig heeft ingespannen om aan de vader en de kinderen tegemoet te komen.

Een vader van twee minderjarige kinderen dient een klacht in tegen een jeugdprofessional die namens de GI belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, en opvolgend de tijdelijke voogdijmaatregel. De klacht bestaat uit 34 klachtonderdelen. Klachtonderdeel 2 is deels gegrond verklaard. De vader is in 9 klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaard. De overige 24 klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Deze samenvatting ziet toe op het gegrond verklaarde deel van klachtonderdeel 2.

De jeugdprofessional wordt in klachtonderdeel 2 – onder meer – verweten dat zij de in de beschikking opgenomen belmomenten niet heeft vormgegeven. Door dit niet te doen, heeft zij volgens de vader in het bijzonder de zoon geen recht gedaan. Het College overweegt als volgt. In de beschikking van 18 juli 2019 heeft de rechtbank onder meer vastgesteld dat er wekelijks twee vaste belmomenten dienen te zijn tussen de vader en de zoon, waarbij de GI het tijdstip van de belmomenten bepaalt. De jeugdprofessional heeft in het verweerschrift erkend dat de belmomenten tussen de vader en de zoon niet tot stand zijn gekomen, omdat dat voor haar op dat moment niet de hoogste prioriteit had. Het College kan zich tot op zekere hoogte voorstellen dat het niet eenvoudig was deze belmomenten structureel doorgang te laten vinden. Dat de jeugdprofessional de gang van zaken rond de belmomenten met de ouders heeft besproken, zoals zij in haar verweerschrift heeft gesteld, ziet het College in het dossier echter niet terug. Bovendien is in het verzoek tot tijdelijke wijziging van de zorg- en contactregeling ook niet op de belmomenten teruggekomen. Daarom is het College van oordeel dat de jeugdprofessional hier een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. De jeugdprofessional had zich meer moeten inspannen de belmomenten vorm te geven. Wanneer dit om welke reden dan ook niet haalbaar was, had de jeugdprofessional de vader hierover (schriftelijk) dienen te informeren, en had zij voorts de belmomenten mee kunnen nemen in genoemd verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling. Door dit na te laten, heeft de jeugdprofessional artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode voor de Jeugd- en gezinsprofessional geschonden. Het College ziet echter af van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional zich in de periode dat zij betrokken was bovenmatig ingespannen om zowel de vader als de kinderen tegemoet te komen. De jeugdprofessional heeft de belangen van de kinderen terecht op alle momenten vooropgezet. Daarbij heeft de jeugdprofessional gewerkt in een zeer complexe situatie, waarin sprake is geweest van een moeizame samenwerking. Met deze omstandigheden heeft het College rekening gehouden.

 

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.022B

Het beroep van een contactbegeleider slaagt. Het College van Toezicht is ten onrechte buiten het oorspronkelijke klachtonderdeel getreden. De opgelegde maatregel van waarschuwing wordt ingetrokken.

Een vader dient een klacht in tegen een contactbegeleider die betrokken is geweest in het kader van opvoedondersteuning in de thuissituatie en het begeleiden van contactmomenten tussen de vader en de zoon. Het College van Toezicht heeft de klachtonderdelen 1, 2 en 3 gedeeltelijk gegrond verklaard en voor het overige de klachtonderdelen 1 t/m 11 ongegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Zowel de vader als de jeugdprofessional zijn in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht. In deze samenvatting wordt ingegaan op de beoordeling van het College van Beroep van de klachtonderdelen 1, 2 en 3.

In klachtonderdeel 1 wordt de jeugdprofessional verweten dat zij insinuerende en negatief beeldvormende geschriften in omloop heeft gebracht. Het College van Toezicht is van oordeel dat het eindverslag van de jeugdprofessional onvoldoende evenwichtig is opgesteld en heeft het klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond verklaard. Naar het oordeel van het College van Beroep gaat de klacht zoals de vader deze heeft geformuleerd verder dan het onevenwichtig opstellen van het eindverslag, zoals het College van Toezicht heeft geoordeeld. Het College van Beroep is niet gebleken dat het eindverslag negatief beeldvormend of insinuerend van aard is en verklaart het klachtonderdeel alsnog in zijn geheel ongegrond.

In klachtonderdelen 2 en 3 wordt de jeugdprofessional verweten dat zij heeft gelogen en daarmee het vertrouwen in de jeugdzorg ernstig heeft geschaad. Tevens wordt haar verweten dat de vader onder druk is gezet en onder valse voorwendselen overgehaald is akkoord te gaan met het traject/begeleid contact en daardoor voor het blok gezet. Het College van Toezicht overweegt onder meer dat het niet schriftelijk – en in overleg – vaststellen van de in het eindverslag geformuleerde afspraken met zich meebrengt dat het voor de betrokkenen, in het bijzonder de vader, heeft ontbroken aan helderheid over het traject, en daardoor ook aan handvatten en structuur. Het College van Toezicht is van oordeel dat de jeugdprofessional onvoldoende met de vader in overeenstemming is gekomen voor wat betreft de in het eindverslag geformuleerde afspraken en acht artikel G van de Beroepscode geschonden en heeft de klachtonderdelen gedeeltelijk gegrond verklaard. Hoewel het College van Beroep het ongelukkig acht dat er geen sprake is geweest van een schriftelijke vastlegging van de afspraken, is het – in tegenstelling tot het College van Toezicht – van oordeel dat er geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Het schriftelijk bevestigen van gemaakte afspraken valt immers niet onder het klachtonderdeel dat de vader heeft geformuleerd. Het College van Toezicht is hiermee ten onrechte buiten het oorspronkelijke klachtonderdeel getreden. Het College van Beroep verklaart de klachtonderdelen alsnog geheel ongegrond.

Nu klachtonderdelen 1 tot en met 3 in beroep alsnog geheel ongegrond zijn verklaard, is het College van Beroep van oordeel dat de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De opgelegde maatregel van waarschuwing wordt ingetrokken.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.005B

Het College van Beroep is van oordeel dat informatie geven aan een ouder over privégedragingen, zoals het beheren van een Twitteraccount en/of plaatsen van tweets, in beginsel niet wordt verstaan onder de voor de professionele relatie relevante informatie. Wel dient een jeugdprofessional zich ervan bewust te zijn dat als er (openbaar) berichten worden geplaatst op sociale media, deze vindbaar zijn voor derden en hier vragen over gesteld kunnen worden.

Een vader heeft een klacht ingediend over een jeugdbeschermer bij de GI die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de dochter, en opvolgend de voogdijmaatregel. Het College van Toezicht heeft de vader niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel 1 en klachtonderdeel 2 gegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Zowel de vader als de jeugdprofessional zijn in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht.

In deze samenvatting wordt ingegaan op de beoordeling van het College van Beroep van klachtonderdeel 2. De jeugdprofessional wordt in dit klachtonderdeel verweten dat hij heeft ontkend dat de seksueel getinte tweets en het Twitteraccount van hem afkomstig zijn (geweest). Het College van Toezicht is van oordeel dat het op de weg van de jeugdprofessional lag om op enig moment tegenover de vader te erkennen dat hij tenminste tot juni 2018 de beheerder van het Twitteraccount is geweest. Dat de jeugdprofessional dit heeft nagelaten, acht het College van Toezicht kwalijk en niet bevorderend voor de verdere samenwerking tussen partijen. Het College van Toezicht is van oordeel dat de jeugdprofessional daarmee in strijd gehandeld heeft met artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode, omdat hij heeft nagelaten de vader te voorzien van de voor de goede professionele relatie relevante informatie.

Het College van Beroep is in tegenstelling tot het College van Toezicht van oordeel dat de jeugdbeschermer artikel F van de Beroepscode niet geschonden heeft. Artikel F van de Beroepscode schrijft voor dat er voor de professionele relatie relevante informatie moet worden verschaft. Het College van Beroep overweegt echter dat informatie geven over privégedragingen, waaronder begrepen het beheren van een Twitteraccount en/of plaatsen van tweets, in beginsel niet wordt verstaan onder de voor de professionele relatie relevante informatie. Het College van Beroep overweegt voorts dat het zich kan voorstellen dat er situaties bestaan waarin een jeugdprofessional er geen moeite mee heeft om dergelijke informatie over zijn of haar privéleven te delen met cliënten. Daarnaast dient een jeugdprofessional zich ervan bewust te zijn dat als er (openbaar) berichten op sociale media worden geplaatst, deze vindbaar zijn voor derden en er vragen over gesteld kunnen worden. Hier (desgevraagd) open over zijn kan dan ook de samenwerkingsrelatie tussen de jeugdprofessional en de betreffende cliënt verbeteren. In deze situatie is het College van Beroep echter van oordeel dat het de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verweten kan worden dat hij niet direct openheid van zaken heeft gegeven. Het College van Beroep is dan ook van oordeel dat dit klachtonderdeel door het College van Toezicht ten onrechte gegrond is verklaard. De opgelegde maatregel van waarschuwing wordt ingetrokken.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.007B

Het beroep van een vader slaagt niet. Het ligt op de weg van diegene die beroep instelt om de beroepsgronden te onderbouwen. Het enkel volstaan met de stelling dat het College van Toezicht iets is vergeten te melden of vragen is onvoldoende ter onderbouwing.

Een vader heeft een klacht ingediend over een jeugdbeschermer bij de GI. De jeugdbeschermer is namens de GI belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het College van Toezicht heeft klachtonderdelen 1, 3 en 4 ongegrond verklaard en klachtonderdeel 2 deels (on)gegrond. Er is geen maatregel opgelegd. De vader is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht.

In deze samenvatting wordt ingegaan op de beoordeling van het College van Beroep van klachtonderdeel 1. In dit klachtonderdeel vraagt de vader zich af in hoeverre werkinstructies uit 2010 relevant zijn voor het huidige handelen. Meer recentere werkinstructies gebaseerd op de methodiek complexe scheidingen zouden veel adequatere instructies geven aan jeugdprofessionals hoe zij zich kunnen verhouden voor wat betreft meerzijdige partijdigheid.

Het College van Beroep volgt de onderbouwing van de vader niet, aangezien niet is gebleken dat het College van Toezicht zich in het oordeel heeft gebaseerd op de methodiek uit 2010 die de vader in zijn beroepschrift aangehaald, noch heeft de vader gemotiveerd toegelicht wat er in meer recentere werkinstructies is opgenomen waardoor het oordeel van het College van Toezicht onjuist zou zijn. Het had op de weg van de vader gelegen om zijn beroepsgrond op dit onderdeel te onderbouwen. Hetzelfde geldt voor zover de vader in zijn beroepschrift heeft aangehaald dat het College van Toezicht in het oordeel vergeten is zaken te melden en/of zaken is vergeten te vragen. Het enkel volstaan met de stelling dat het College van Toezicht iets is vergeten te melden of vragen is onvoldoende ter onderbouwing van een beroepsgrond/grief. Het ligt op de weg van diegene die beroep instelt om te onderbouwen waarom bijvoorbeeld bepaalde informatie verkeerd is geïnterpreteerd of ten onrechte buiten beschouwing is gelaten en waarom dit maakt dat het oordeel van het College van Toezicht onjuist is. De vader heeft nagelaten zijn beroepschrift op deze wijze te onderbouwen.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.006B

De voorzitter van het College van Beroep verwijst de zaak terug naar de voorzitter van het College van Toezicht. Het ligt niet op de weg van de voorzitter van het College van Beroep om in een beroepsprocedure voor het eerst inhoudelijk te oordelen welk deel van de klacht al dan niet is verjaard.

Een moeder heeft een klacht ingediend tegen een gedragswetenschapper bij de GI. De voorzitter van het College van Toezicht heeft de moeder in de gelegenheid gesteld om op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement een gemotiveerd verzoek in te dienen waaruit blijkt dat zij niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen. Vervolgens heeft de voorzitter van het College van Toezicht dit verzoek van de moeder afgewezen en geoordeeld dat het klaagschrift aangepast dient te worden met inachtneming van de verjaringstermijn, zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement. De moeder is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht.

De voorzitter van het College van Beroep is van oordeel dat het op de weg van de voorzitter van het College van Toezicht had gelegen, voor zover zij van oordeel is dat het verzoek van de moeder niet slaagt en de klacht aldus (deels) is verjaard, de moeder gemotiveerd (deels) niet-ontvankelijk te verklaren in de klacht (artikel 7.6 sub a van het Tuchtreglement). Dat dit is nagelaten en dat enkel is geoordeeld dat het klaagschrift aanpassing behoeft met inachtneming van de verjaringstermijn acht de voorzitter van het College van Beroep een kennelijke misslag. Het ligt niet op de weg van de voorzitter van het College van Beroep om in de beroepsprocedure voor het eerst inhoudelijk te oordelen welk deel van de klacht al dan niet is verjaard en alsnog over te gaan tot het al dan niet (deels) niet-ontvankelijk verklaren van de moeder.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.010B

De voorzitter van het College van Beroep verwijst de zaak terug naar de voorzitter van het College van Toezicht. Het ligt niet op de weg van de voorzitter van het College van Beroep om in een beroepsprocedure voor het eerst inhoudelijk te oordelen welk deel van de klacht al dan niet is verjaard.

Een moeder heeft een klacht ingediend tegen een jeugdbeschermer bij de GI. De voorzitter van het College van Toezicht heeft de moeder in de gelegenheid gesteld om op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement een gemotiveerd verzoek in te dienen waaruit blijkt dat zij niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen. Vervolgens heeft de voorzitter van het College van Toezicht dit verzoek van de moeder afgewezen en geoordeeld dat het klaagschrift aangepast dient te worden met inachtneming van de verjaringstermijn, zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement. De moeder is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht.

De voorzitter van het College van Beroep is van oordeel dat het op de weg van de voorzitter van het College van Toezicht had gelegen, voor zover zij van oordeel is dat het verzoek van de moeder niet slaagt en de klacht aldus (deels) is verjaard, de moeder gemotiveerd (deels) niet-ontvankelijk te verklaren in de klacht (artikel 7.6 sub a van het Tuchtreglement). Dat dit is nagelaten en dat enkel is geoordeeld dat het klaagschrift aanpassing behoeft met inachtneming van de verjaringstermijn acht de voorzitter van het College van Beroep een kennelijke misslag. Het ligt niet op de weg van de voorzitter van het College van Beroep om in de beroepsprocedure voor het eerst inhoudelijk te oordelen welk deel van de klacht al dan niet is verjaard en alsnog over te gaan tot het al dan niet (deels) niet-ontvankelijk verklaren van de moeder.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.011B

De voorzitter van het College van Beroep verwijst de zaak terug naar de voorzitter van het College van Toezicht. Het ligt niet op de weg van de voorzitter van het College van Beroep om in een beroepsprocedure voor het eerst inhoudelijk te oordelen welk deel van de klacht al dan niet is verjaard.

Een vader heeft een klacht ingediend tegen een jeugdbeschermer bij de instelling. De voorzitter van het College van Toezicht heeft de vader in de gelegenheid gesteld om op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement een gemotiveerd verzoek in te dienen waaruit blijkt dat hij niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen. Vervolgens heeft de voorzitter van het College van Toezicht dit verzoek van de vader afgewezen en geoordeeld dat het klaagschrift aangepast dient te worden met inachtneming van de verjaringstermijn, zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement. De vader is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht.

De voorzitter van het College van Beroep is van oordeel dat het op de weg van de voorzitter van het College van Toezicht had gelegen, voor zover zij van oordeel is dat het verzoek van de vader niet slaagt en de klacht aldus (deels) is verjaard, de vader gemotiveerd (deels) niet-ontvankelijk te verklaren in de klacht (artikel 7.6 sub a van het Tuchtreglement). Dat dit is nagelaten en dat enkel is geoordeeld dat het klaagschrift aanpassing behoeft met inachtneming van de verjaringstermijn acht de voorzitter van het College van Beroep een kennelijke misslag. Het ligt niet op de weg van de voorzitter van het College van Beroep om in de beroepsprocedure voor het eerst inhoudelijk te oordelen welk deel van de klacht al dan niet is verjaard en alsnog over te gaan tot het al dan niet (deels) niet-ontvankelijk verklaren van de vader.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.020Ta

De door de rechtbank opgelegde systeemtherapie is gedurende de ondertoezichtstelling niet van de grond gekomen, terwijl dat traject essentieel was om tussen klaagster en haar kinderen contactherstel te kunnen realiseren. De jeugdbeschermer heeft onder meer onvoldoende samenwerking gezocht met de zorgaanbieder van dat traject. Ook is het de jeugdbeschermer op verschillende onderdelen niet gelukt zich voldoende te positioneren.

Klaagster is de moeder van twee kinderen. Klaagster en haar ex-partner zijn in 2011 uit elkaar gegaan. De kinderen zijn van 25 januari 2016 tot 25 januari 2018 onder toezicht gesteld geweest, onder andere vanwege de communicatie op ouderniveau en het (ontbrekende) contact tussen klaagster en de kinderen. De jeugdbeschermer is vanaf 13 januari 2017 de uitvoerder van de ondertoezichtstelling geweest. Klaagster dient een klacht met vijftien klachtonderdelen in tegen de jeugdbeschermer.

Het College verklaart zeven klachtonderdelen gegrond. In juli 2017 heeft de rechtbank een duidelijke opdracht meegegeven in de beschikking, namelijk: systeemtherapie opstarten. Deze opdracht is echter onvoldoende ten uitvoer gebracht, terwijl het belang van het volgen van dat traject in de beschikking benadrukt was. Vastgesteld wordt dat de jeugdbeschermer onvoldoende samengewerkt heeft met de zorgaanbieder van de systeemtherapie (klachtonderdeel 1). Ook is de rechtbank onvoldoende geïnformeerd over het verloop van dat traject (klachtonderdeel 3). De jeugdbeschermer heeft daarnaast tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld rondom het al dan niet afgeven van een schriftelijke aanwijzing aan de vader (klachtonderdelen 4 en 6). Ook is de afsluiting van de ondertoezichtstelling onvoldoende zorgvuldig verlopen (klachtonderdeel 7) en is nagelaten een evaluatie met de zorgaanbieder van de systeemtherapie tot stand te laten komen (klachtonderdeel 9). Tot slot is niet binnen redelijke termijnen op e-mailberichten van de moeder gereageerd (klachtonderdeel 10).

Het verwijtbare nalaten ten aanzien van de verschillende gegrond verklaarde klachtonderdelen en geschonden artikelen uit de Beroepscode wordt de jeugdbeschermer ernstig kwalijk genomen. Het is de jeugdprofessional niet gelukt zich voldoende te positioneren, wat er mede voor gezorgd heeft dat de vader, en de kinderen, zich onttrokken hebben aan de door de rechtbank opgelegde systeemtherapie. Dat traject was echter een essentieel onderdeel om het contactherstel te kunnen realiseren en om de ontstane impasse in de casus te doorbreken. Er is echter ook gebleken dat de jeugdbeschermer, met beperkte ervaring, over onvoldoende tools beschikte om volgens haar beroepsnormen te handelen in deze complexe casus. Gezien de complexiteit in het eerste jaar van de ondertoezichtstelling, was het wenselijk geweest wanneer de GI – binnen de mogelijkheden – een meer ervaren jeugdbeschermer als uitvoerder van de ondertoezichtstelling had gekozen. Alles overwegende wordt aan de jeugdbeschermer een berisping opgelegd, zonder openbaarmaking van de maatregel.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.002Ta

Een jeugdbeschermer heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat zij in het bijzijn van derden, waaronder de grootvader van moederszijde waartegen de aangifte was gericht, mededelingen heeft gedaan over het studioverhoor van de dochter bij de zedenpolitie, zonder dat zij daartoe vooraf aan de vader toestemming had gevraagd en verkregen.

De jeugdprofessional is werkzaam als jeugdbeschermer bij de GI en is in eerste instantie in het vrijwillig kader betrokken geweest bij de vader en de minderjarige dochter. De moeder is in 2014 overleden. Op 7 maart 2019 heeft de kinderrechter de dochter onder toezicht gesteld van de GI en de jeugdprofessional is namens de GI belast met de uitvoering daarvan. De dochter zit klem tussen de vader en de familie van de overleden moeder en bevindt zich daardoor in een loyaliteitsconflict.

Op 3 december 2018 heeft de vader aangifte gedaan van een zedendelict tegen de grootvader van moederszijde. Op 19 november 2019 is de dochter in een studioverhoor gehoord door de zedenpolitie. Op 20 november 2019 heeft de jeugdprofessional tijdens een gepland netwerkoverleg aan de vader, de grootouders en tante van moederszijde mededelingen gedaan over het studioverhoor van de dochter. De vader heeft een klacht tegen de jeugdprofessional ingediend bestaande uit twee klachtonderdelen. Deze samenvatting ziet toe op klachtonderdeel 1.

De jeugdprofessional wordt in klachtonderdeel 1 verweten dat zij de privacy van de dochter heeft geschonden doordat zij in het netwerkoverleg mededelingen heeft gedaan over het studioverhoor van de dochter. Het College komt tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdeel 1 tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. De jeugdprofessional heeft tijdens het netwerkoverleg van 20 november 2019, in het bijzijn van derden, mededelingen gedaan over het studioverhoor van de dochter, zonder dat zij daartoe vooraf aan de vader toestemming had gevraagd en verkregen. De jeugdprofessional heeft daarmee in strijd gehandeld met artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode, artikel 7.3.11 lid 1 van de Jeugdwet en artikel 15 leden 1 en 2 van het Privacyreglement. Het College acht het voorstelbaar dat het bij de vader tot zorgen heeft geleid dat de jeugdprofessional de informatie over het studioverhoor in het netwerkoverleg heeft gedeeld, temeer nu de grootvader waartegen de aangifte van de vader was gericht daarbij aanwezig was. Hoewel het College inziet dat de jeugdprofessional het belang van de dochter voor ogen had (zij hoopte de obstakels tussen de vader en de familie van moederszijde weg te nemen), had zij naar het oordeel van het College het vertrouwelijke karakter van de informatie moeten begrijpen en hier terughoudend mee moeten omgaan. Zij had moeten inzien dat haar mededelingen in het licht van het lopende politieonderzoek voorbarig waren. Het had volgens het College op haar weg gelegen om de zedenpolitie te berichten dat zij het aan de zedenpolitie zou laten om (te zijner tijd) de resultaten van het politieonderzoek met betrokkenen te bespreken. Het College verklaart klachtonderdeel 1 dan ook gegrond. Het College houdt er rekening mee dat de jeugdprofessional met haar handelen het belang van de dochter voorop heeft willen stellen, in een complexe situatie werkte en gereflecteerd heeft op haar handelen. Het College ziet op grond van deze omstandigheden af van het opleggen van een maatregel.