Maak een selectie

497 van 497

   
College van Toezicht
18/02/2021
Gedeeltelijk gegrond - Berisping zonder openbaarmaking

Zaaknummer: 20.162Ta

De jeugdbeschermer heeft de ouders onvoldoende geïnformeerd over twee medische behandelingen bij de kinderen en zij heeft zich bij één onderzoek niet vergewist dat de ouders expliciet instemden

Beroepscode: E (Respect) | F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) | G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) | N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening)
Open
College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.163Ta en 20.164Ta

De jeugdbeschermer heeft na het gesprek van 3 maart 2020 onvoldoende adequaat gehandeld om de overeenstemming dan wel instemming te zoeken met de moeder over de in te zetten hulp- en dienstverlening

Een minderjarige en zijn moeder hebben twee klachtonderdelen ingediend tegen een jeugdprofessional die namens de GI belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het College van Toezicht (hierna te noemen: het College) heeft de zaken gevoegd behandeld.

De minderjarige en zijn moeder verwijten de jeugdprofessional dat zij onvoldoende relevante informatie heeft verschaft aan de minderjarige en zijn moeder op 12 maart 2020. Dit was de dag dat de minderjarige met een spoedmachtiging in een gesloten jeugdhulpaccommodatie werd geplaatst. In het tweede klachtonderdeel verwijten zij de jeugdprofessional dat zij de moeder niet heeft betrokken bij de gesprekken tussen de minderjarige, de GI en de gedragswetenschapper. In het bijzonder dat de moeder niet is uitgenodigd voor een gesprek op 3 maart 2020.

Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld ten aanzien van het tweede klachtonderdeel. De jeugdprofessional heeft na het constateren dat de moeder niet was uitgenodigd voor het gesprek van 3 maart 2020 haar diezelfde ochtend (tevergeefs) proberen te bereiken voor haar visie. Hierna heeft zij echter onvoldoende adequaat gehandeld met betrekking tot het (zelf) met de moeder bespreken van de inhoud van het gesprek om zo de overeenstemming, dan wel instemming, met de moeder te zoeken over de in te zetten hulp- en dienstverlening. Door op deze wijze te handelen heeft de jeugdprofessional in strijd gehandeld met artikel G (Overeenstemming instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

Alles in overweging nemende ziet het College voldoende aanleiding om af te zien van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional. Hierbij houdt het College er onder meer rekening mee dat de jeugdprofessional met haar handelen het belang van de minderjarige voorop heeft willen stellen en dat zij in een complexe situatie heeft moeten handelen waarin in een kort tijdsbestek gebeurtenissen elkaar snel opvolgden. Hoewel het belang van de minderjarige de eerste overweging dient te vormen, is het eveneens noodzakelijk dat de jeugdprofessional zich voldoende realiseert dat andere belangen ook in overweging genomen dienen te worden, meer in het bijzonder die van de gezaghebbende ouder(s). Gelet op de getoonde reflectie gaat het College er van uit dat de jeugdprofessional lering heeft getrokken uit de gebeurtenissen en dat de onderhavige beslissing bijdraagt aan de verdere bewustwording van de jeugdprofessional.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.162Ta

De jeugdbeschermer heeft de ouders onvoldoende geïnformeerd over twee medische behandelingen bij de kinderen en zij heeft zich bij één onderzoek niet vergewist dat de ouders expliciet instemden

De ouders hebben samen twee minderjarige kinderen die onder toezicht zijn gesteld van de GI en uit huis zijn geplaatst in een pleeggezin. De ouders hebben een klacht ingediend tegen de jeugdbeschermer die namens de GI belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

De ouders hebben twee klachtonderdelen ingediend. In het eerste klachtonderdeel verwijten de ouders de jeugdprofessional dat zij onvoldoende informatie heeft verstrekt over (het voornemen tot het laten uitvoeren van) het FAS-onderzoek bij de dochter. Voorts verwijten zij haar dat het FAS-onderzoek is verricht zonder dat de ouders toestemming hadden gegeven voor dit onderzoek. In het tweede klachtonderdeel verwijten de ouders de jeugdprofessional dat zij onvoldoende informatie heeft verstrekt over de afspraak van de zoon bij de KNO-arts en dat de ouders geen toestemming hebben verleend voor het plaatsen van de zoon op de wachtlijst voor een operatie.

Het College van Toezicht (hierna te noemen: College) is van oordeel dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar is tekortgeschoten in de informatievoorziening richting te ouders over (het voornemen tot het laten uitvoeren van) het FAS-onderzoek bij de dochter en de afspraak bij de KNO-arts van de zoon. Met betrekking tot het FAS-onderzoek van de dochter ontbrak bovendien de expliciete toestemming van de ouders. Daarbij heeft de jeugdprofessional als belangrijke schakel tussen de ouders, de pleegouders en de zorgverleners in de onderhavige zaak onvoldoende de regie genomen. Tot slot is het College van oordeel dat de jeugdprofessional de ouders onvoldoende heeft gerespecteerd door de wijze waarop zij de ouders heeft geïnformeerd over en betrokken bij de medische behandelingen. Het College heeft het eerste klachtonderdeel gegrond verklaard. Het tweede klachtonderdeel heeft het College gedeeltelijk gegrond verklaard, voor zover de ouders de jeugdprofessional verwijten dat zij onvoldoende informatie heeft verstrekt over de afspraak van de zoon bij de KNO-arts. Het handelen van de jeugdprofessional levert volgens het College een schending op van de artikelen E, F, G en N van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional.

Bij het opleggen van de maatregel van berisping wordt de jeugdprofessional aangerekend dat zij tot tweemaal toe de ouders onvoldoende heeft geïnformeerd over de medische behandelingen van de kinderen. De jeugdprofessional heeft hierbij onvoldoende oog gehad voor haar verantwoordelijkheid bij het invullen van de rol van de ouders op afstand en de regie die zij hierbij had dienen te nemen. Daarnaast vindt het College het verwijtbaar dat het FAS-onderzoek, een onderzoek van betekenis, zonder expliciete toestemming en betrokkenheid van de ouders is verricht. Naar het oordeel van het College is hiermee de essentie van de uitvoering van het werk van een jeugdprofessional geraakt. Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional haar handelen in de organisatie heeft getoetst en/of op haar handelen heeft gereflecteerd. Nu er tegen de jeugdprofessional voor de eerste keer een tuchtklacht is ingediend en het verwijtbare handelen toeziet op soortgelijk handelen door de jeugdprofessional rondom de medische behandelingen van de kinderen in tijd kort op elkaar volgend, ziet het College voldoende aanleiding om af te zien van openbaarmaking van deze maatregel.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.225Ta

Een jeugdbeschermer wordt verweten dat zij bij haar uitdiensttreding de hulpverlening niet zorgvuldig heeft afgesloten richting de moeder

Een moeder van een minderjarige zoon dient een klacht in tegen een jeugdbeschermer bij de GI. De jeugdbeschermer is namens de GI tot omstreeks december 2019 belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, waarna zij is opgevolgd door een collega in verband met haar aanstaande (pre)pensioen. De moeder heeft tegen de jeugdprofessional één klachtonderdeel ingediend. Het College heeft de klacht ongegrond verklaard.

De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij bij haar uitdiensttreding eind maart 2020 haar betrokkenheid naar de moeder toe niet goed heeft afgerond. Op 9 maart 2020 heeft de jeugdprofessional per e-mail aan de moeder een eindgesprek aangeboden. He College acht het zorgvuldig dat de jeugdprofessional zelf het initiatief heeft genomen om een (eind)gesprek aan de moeder aan te bieden, hetgeen ook in lijn is met de Beroepscode en de jurisprudentie. Op 16 maart 2020 heeft de moeder positief gereageerd op het aanbod. Het College kan echter niet de feiten vaststellen ten aanzien van de gang van zaken na de ontvangst van de positieve reactie van de moeder, waardoor op dit punt de klacht van de moeder volgens vaste jurisprudentie niet gegrond kan worden bevonden. Het College merkt wel op dat het te betreuren valt dat het inplannen van een eindgesprek niet van de grond is gekomen, te meer nu uit de stukken opgemaakt kan worden dat de samenwerking tussen partijen niet altijd positief is verlopen en/of ervaren en de moeder kennelijk nog vragen had over de overwegingen en het handelen van de jeugdprofessional. Ten overvloede merkt het College op dat het handelen van de jeugdprofessional mogelijk wel beter had gekund na het geven van een voorzet voor het eindgesprek.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.310Ta

Een orthopedagoog heeft de privacy van een moeder geschonden. Zij heeft in een e-mailbericht, gericht aan beide ouders van de kinderen, vertrouwelijke informatie over de moeder gedeeld. De moeder is daarover niet geïnformeerd en haar toestemming is niet gevraagd. De privacy van de destijds zestienjarige dochter is niet geschonden omdat over haar slechts algemene informatie is gedeeld.

De jeugdprofessional biedt aan twee kinderen hulpverlening op basis van een persoonsgebonden budget (PGB). De ouders van de kinderen zijn uit elkaar. In een zomervakantie, tijdens een tijdelijke stop van de hulpverlening, stuurt de moeder meerdere WhatsApp berichten aan de jeugdprofessional. Naar aanleiding daarvan stuurt de jeugdprofessional een e-mailbericht aan beide ouders van de kinderen. Vanwege de reactie van de moeder daarop, en de opvolgende onderlinge correspondentie tussen de moeder en de jeugdprofessional, beëindigt de jeugdprofessional een dag later de hulpverlening. De moeder dient vier klachtonderdelen in:

  1. In het e-mailbericht van de jeugdprofessional is de privacy van de moeder en dochter geschonden;
  2. In het e-mailbericht van de jeugdprofessional is onterecht en zonder overleg een voorstel gedaan over de omgangsregeling;
  3. De dienstverlening is op onprofessionele wijze beëindigd;
  4. De nadien gedane Veilig Thuis melding van de jeugdprofessional is onzorgvuldig.

Deze samenvatting gaat in op het deels gegrond verklaarde klachtonderdeel 1. Het klachtonderdeel wordt gegrond verklaard voor wat betreft de privacyschending van de moeder, omdat in het e-mailbericht vertrouwelijk informatie over de moeder gedeeld is met beide ouders. In het e-mailbericht is namelijk geschreven hoe de opvoeding wordt vormgegeven door de moeder, hoe zij zich daarbij voelt en op welke wijze en met welke frequentie hulpverlening aan haar verleend wordt. De jeugdprofessional heeft op eigen initiatief deze informatie gedeeld, zonder de moeder daarover te informeren of daarvoor haar toestemming te vragen. Dat levert een schending op van artikel 11 lid 1 tot en met 3 van de Beroepscode NVO. Het eerste lid van dit artikel bepaalt namelijk dat een jeugdprofessional verplicht is tot geheimhouding van hetgeen hem of haar ter kennis komt in verband met de professionele relatie met de cliënt. Wanneer de jeugdprofessional vindt dat er informatie gedeeld dient te worden, dient de cliënt op een passende wijze uitgelegd te worden waarom de informatieverstrekking van belang is, met wie informatie gedeeld dient te worden en om welke informatie het gaat (lid 3 van genoemd artikel). Daarnaast dient de jeugdprofessional zich er allereerst toe in te zetten dat de cliënt zelf de bedoelde informatie doorgeeft, dan wel expliciet toestemming te hebben (lid 2 van genoemd artikel).
Voor wat betreft de informatie over de dochter, wordt geconcludeerd dat slechts algemene informatie over de hulpverlening van de dochter gedeeld is waardoor haar privacy niet geschonden is. Het College overweegt ook dat de leeftijd van de dochter (zestien jaar) nog niet maakt dat een gezaghebbende ouder helemaal geen informatierecht meer heeft. Een gezaghebbend ouder blijft tot het bereiken van de meerderjarige leeftijd verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van zijn of haar kinderen, waardoor ouders in dat verband ook recht blijven hebben op (algemene) informatie die daarop ziet. Dat is alleen anders wanneer het algemeen informeren van de ouder niet verenigbaar is met de zorg van een goed hulpverlener/pedagoog.

Het College ziet af van het opleggen van een maatregel, omdat het bedoelde e-mailbericht mogelijk onderschept is en daardoor de vader mogelijk niet bereikt heeft. Ook gaat het College ervan uit dat de jeugdprofessional in toekomstige gevallen haar werkwijze aanpast conform de verplichting tot geheimhouding, zodat deze in lijn is met de professionele standaard.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.582Ta

De jeugdprofessional heeft in deze casus geen toestemming nodig gehad om de behandelend arts van de zoon te benaderen. Op grond van artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet is ook geen toestemming nodig (geweest) om de school van de kinderen te benaderen.

De moeder dient een klacht in, bestaande uit drie klachtonderdelen, tegen een jeugdprofessional die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over haar drie kinderen. De kinderen hebben hun vader sinds 2013 niet meer gezien. Ook is er niet tot nauwelijks contact tussen de kinderen en de familie van vaderszijde. Een expert in ouderonthechting heeft in 2020 geconcludeerd dat sprake is van onbewuste actieve ouderonthechting. De drie klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. Deze samenvatting ziet op klachtonderdeel 1 en klachtonderdeel 3.

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel heeft de moeder aangevoerd dat de jeugdprofessional in 2019 ten onrechte (ook ter zitting) een beeld van de moeder heeft geschetst dat zij de kinderen isoleert. De jeugdprofessional heeft gemotiveerd verweer gevoerd dat het haar gedurende de ondertoezichtstelling niet is gelukt om zicht op de ontwikkeling van de kinderen te krijgen. Dit heeft de jeugdprofessional aan de hand van meerdere voorbeelden aan de rechter kenbaar gemaakt. Naar het oordeel van het College behoort dit tot de rol van een jeugdprofessional belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Bovendien is uit het dossier niet gebleken dat de aangedragen voorbeelden onjuist zijn.

In klachtonderdeel 3 wordt het de jeugdprofessional verweten dat zij zonder toestemming de school en het ziekenhuis heeft benaderd en vertrouwelijke informatie heeft uitgewisseld. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional op grond van artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode en artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet ook zonder toestemming (beroepsmatige) informatie mag verstrekken wanneer dit noodzakelijk kan worden geacht voor de te bieden hulp of het afstemmen van de hulp. De jeugdprofessional heeft meerdere schriftelijke aanwijzingen aan de moeder gegeven om gezamenlijk met haar en de vader in gesprek te komen. Het College oordeelt dat gelet hierop de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door contact met het ziekenhuis op te nemen en hen te vragen geen afspraken voor de zoon in te plannen op het moment dat een gezamenlijk gesprek zou plaatsvinden. Voor wat betreft het benaderen van de school heeft de jeugdprofessional, gelet op het juridisch kader, geen toestemming van de gezaghebbende ouder(s) nodig. In geval van een ondertoezichtstelling dient er zicht te komen op de kinderen. Dit houdt in dat de jeugdprofessional ook moet kunnen zien hoe de kinderen zich op school ontwikkelen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.582Tb

Twee klachtonderdelen zien niet op het individuele handelen van de jeugdprofessional, maar op dat van de collega die namens de GI mede is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De jeugdprofessional heeft in deze casus geen toestemming nodig gehad om de behandelend arts van de zoon te benaderen. Op grond van artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet is ook geen toestemming nodig (geweest) om de school van de kinderen te benaderen.

De moeder dient een klacht in, bestaande uit drie klachtonderdelen, tegen een jeugdprofessional die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over haar drie kinderen. De kinderen hebben hun vader sinds 2013 niet meer gezien. Ook is er niet tot nauwelijks contact tussen de kinderen en de familie van vaderszijde. Een expert in ouderonthechting heeft in 2020 geconcludeerd dat sprake is van onbewuste actieve ouderonthechting. De drie klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. Klachtonderdeel 1 en klachtonderdeel 2 zien (gedeeltelijk) niet op het individuele handelen van de jeugdprofessional. Deze samenvatting ziet derhalve op klachtonderdeel 3.

In klachtonderdeel 3 wordt het de jeugdprofessional verweten dat zij zonder toestemming de school en het ziekenhuis heeft benaderd en vertrouwelijke informatie heeft uitgewisseld. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional op grond van artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode en artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet ook zonder toestemming (beroepsmatige) informatie mag verstrekken wanneer dit noodzakelijk kan worden geacht voor de te bieden hulp of het afstemmen van de hulp. De jeugdprofessional heeft meerdere schriftelijke aanwijzingen aan de moeder gegeven om gezamenlijk met haar en de vader in gesprek te komen. Het College oordeelt dat gelet hierop de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door contact met het ziekenhuis op te nemen en hen te vragen geen afspraken voor de zoon in te plannen op het moment dat een gezamenlijk gesprek zou plaatsvinden. Voor wat betreft het benaderen van de school heeft de jeugdprofessional, gelet op het juridisch kader, geen toestemming van de gezaghebbende ouder(s) nodig. In geval van een ondertoezichtstelling dient er zicht te komen op de kinderen. Dit houdt in dat de jeugdprofessional ook moet kunnen zien hoe de kinderen zich op school ontwikkelen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.267Ta

Een verslag van het intakegesprek dient onderdeel te zijn van het dossier van de jeugdige.

Naar aanleiding van een hulpvraag van de ouders bij het Sociaal Wijkteam raakt de jeugdprofessional als ambulant spoedhulpverlener betrokken bij de ouders en de zoon. Tijdens het intakegesprek geeft  moeder aan dat zij ondersteuning van de jeugdprofessional wenst om de zoon naar een afspraak met zijn psycholoog te begeleiden. De jeugdprofessional heeft de afweging gemaakt om Ambulante Spoedhulp (ASH) in te zetten, in plaats van Intensief Kort Ambulant crisishulpverlening, maar hij heeft deze afweging niet, althans onvoldoende, gedocumenteerd. Op de dag van de afspraak met de psycholoog escaleert de situatie, met als gevolg dat de zoon op een tijdelijke plek van de instelling wordt geplaatst. Anderhalf jaar later heeft de moeder het dossier van de zoon opgevraagd. Hier ontbreekt het verslag van het intakegesprek. Bij navraag blijkt dat  geen verslag van het intakegesprek is opgesteld. De ouders klagen bij SKJ dat de jeugdprofessional onvoldoende informatie heeft verstrekt over het te volgen hulpverleningstraject (klachtonderdeel 1) en dat de jeugdprofessional geen verslag van het intake gesprek heeft gemaakt (klachtonderdeel 2).

Beide klachtonderdelen worden gegrond verklaard. Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional de ouders voldoende heeft geïnformeerd over het te volgen hulpverleningstraject. De jeugdprofessional heeft aangevoerd dat hij zich,  drie jaar naar dato, niet kan herinneren wat is besproken tijdens het intake gesprek, maar dat het standaard procedure is om de ouders dit te vertellen en bovendien staat de informatie op de website. Een intakeverslag had volgens het College hierin helpend kunnen zijn, hetgeen is nagelaten om op te stellen. Het verslag van het intakegesprek geeft alle partijen handvatten en structuur in de te volgen (spoed)hulpverlening en de te bereiken doelen. Ook kan dit verslag gebruikt worden bij afronding en evaluatie van het traject. Tijdens ASH is het des te belangrijker dat van een intakegesprek steeds een verslag wordt gemaakt, omdat de hulpverlening van korte duur is, en (vaak) sprake is van een crisissituatie waardoor de betrokkenen overvallen kunnen worden met de informatie tijdens het intakegesprek. Partijen hadden dan op dit verslag kunnen terugvallen voor wat betreft de gegeven informatie over het hulpverleningstraject.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.192Ta

Een jeugdbeschermer wordt verweten dat zij heeft gelogen over haar bevoegdheden als gezingsvoogd en onjuiste, negatieve informatie aan de rechtbank heeft gestuurd

Een vader van een minderjarige zoon dient een klacht in tegen een jeugdbeschermer bij de GI. De jeugdbeschermer is namens de GI belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De vader dient twee klachtonderdelen in. Het College heeft de klachtonderdelen ongegrond verklaard.

In het eerste klachtonderdeel wordt de jeugdprofessional verweten dat zij heeft gelogen over haar bevoegdheden als gezinsvoogd in een specifieke e-mail over het uitbreiden van de omgang tussen de moeder en de zoon. Doordat de jeugdprofessional volgens de vader heeft gelogen, heeft zij – in het verlengde – daarmee eveneens ongeoorloofde dwang uitgeoefend. Het College vindt dit een verstrekkend verwijt. Immers, volgens het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal wordt onder liegen verstaan: ‘met opzet onwaarheden spreken’ en onder dwang: ‘machtsuitoefening waardoor iemand tot iets wordt genoodzaakt’. Het College leest in de litigieuze e-mail dat de jeugdprofessional vorm heeft willen geven aan de bij de GI belegde regie over de zorgregeling (conform de zorgregelingsbeschikking) en de ouders heeft willen informeren over de mogelijke vervolgstappen. Daarnaast blijkt uit de stukken dat de jeugdprofessional hierna intern is blijven overleggen over hoe te handelen, hetgeen het College tegen de achtergrond van de in de beslissing geschetste ontwikkelingen in de jurisprudentie zorgvuldig acht. Alles overziend is het College van oordeel dat de jeugdprofessional zorgvuldig heeft gehandeld en geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

In het tweede klachtonderdeel klaagt de vader dat de jeugdprofessional onjuiste, negatieve informatie over de vader in het plan van aanpak aan de rechtbank heeft gestuurd. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional onder de gegeven omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, nu zij – na door de vader te zijn gewezen op de onjuiste informatie – direct alles in het werk heeft gesteld om een mogelijk nadeel voor de vader te keren, zij haar excuses aan de vader heeft aangeboden en de rechtbank geen kennis heeft genomen van de versie van het plan van aanpak zoals aanvankelijk was ingediend. Wel benadrukt het College het belang van het ter nalezing en correctie opsturen van de definitieve (gewijzigde) versie van het plan van aanpak door jeugdprofessionals aan (in dit geval) de ouders.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.012B

Het beroep van een moeder slaagt niet. Het is niet aan de tuchtcolleges van SKJ om een algemene definitie te geven van een complex begrip als ‘hybride ouderverstoting’, noch om deze definitie aan de hand van enkele dossierstukken toe te passen op de onderhavige casus.

Een moeder dient een klacht in tegen een contextueel systeemtherapeut die betrokken is geweest in het kader van een onderzoek bij de zoon om inzichtelijk te krijgen of er ruimte bij hem is voor contactherstel met de moeder en ‘of dat authentiek overkomt’. Het College van Toezicht heeft de moeder niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel 3, de klachtonderdelen 2, 4 en 5 zijn ongegrond verklaard en klachtonderdeel 1 is gegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd. De moeder is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht.

Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling van de klachtonderdelen 1, 2 en 3. In deze samenvatting wordt ingegaan op de beoordeling van het College van Beroep van klachtonderdeel 2. In dit klachtonderdeel wordt de jeugdprofessional verweten dat hij de term ‘hybride ouderverstoting’ verkeerd heeft toegepast. Het College van Beroep is van oordeel dat het College van Toezicht terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het niet is vast te stellen of de term ‘hybride ouderverstoting’ al dan niet correct door de jeugdprofessional is gebruikt. Partijen verschillen hierover van mening en het is niet aan de tuchtcolleges van SKJ om een algemene definitie te geven van een dergelijk complex begrip, noch om deze definitie aan de hand van enkele dossierstukken toe te passen op de onderhavige casus. Het beroep van de moeder slaagt niet en het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.007Ta

De jeugdbeschermer wordt door de vader verweten dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door de zorgregeling te wijzigen, en bovendien hebben geplande belafspraken geen doorgang vonden.

Een vader van twee minderjarige kinderen heeft een klacht ingediend tegen een jeugdbeschermer, die vanaf november 2018 belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het gezag over de kinderen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder. Er is een co-ouderschapsregeling (verder: de zorgregeling) waarbij de kinderen een week bij de moeder en een week bij de vader verblijven. In september 2018 heeft de moeder eenzijdig de zorgregeling opgeschort.

De klacht bestaat uit drie klachtonderdelen, die alle drie ongegrond zijn verklaard. Deze samenvatting gaat, gezien het lerende effect, in op klachtonderdeel één en drie.

In klachtonderdeel één verwijt de vader de jeugdprofessional onder meer dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door de zorgregeling van 2017 om te zetten naar begeleide omgang tussen de vader en de zoon. Voor zover bedoeld is te klagen over de onrechtmatigheid van het wijzigen van de zorgregeling wijst het College eerst op het eigen beoordelingskader (in de beslissing onder kopje 3). Het College dient de vraag te beantwoorden of de jeugdprofessional met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het College overweegt dat de jeugdprofessional van een collega heeft vernomen dat de rechter in deze casus heeft uitgesproken dat het de taak is van de GI te beslissen over de zorgregeling. Het doel van de wijziging is volgens de jeugdprofessional zicht te krijgen op de omgang tussen de zoon en de vader, nu de moeder de omgang eenzijdig heeft opgeschort. Het College volgt de jeugdprofessional in haar motivatie de omgang tussen de vader en de zoon in kaart te willen brengen. Het is haar taak de zoon actief te beschermen. De jeugdprofessional heeft – in lijn met artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional  – vooraf afstemming gezocht binnen haar team. Nadat de jeugdprofessional begin januari 2019 door de advocaat van de vader werd gewezen op de uitspaak van de Hoge Raad en de reikwijdte van de bevoegdheid van de GI ten aanzien van het wijzigen van een zorgregeling, heeft de jeugdprofessional bovendien contact opgenomen met de juristen van de GI. Zodra zij door de juristen is geïnformeerd, heeft zij de ouders laten weten dat de voorheen geldende zorgregeling direct wordt hersteld. In dit kader voelt het College de behoefte te wijzen op de datum van de uitspraak van de Hoge Raad. Deze uitspraak is gedateerd op 14 december 2018. Dat is ná de datum van 3 december 2018 waarop de zorgregeling is gewijzigd. Het had overigens wel op de weg van de jeugdprofessional gelegen de vader bij de beslissing te betrekken, bijvoorbeeld door het vooraf voeren van een gesprek met de vader.

In klachtonderdeel drie verwijt de vader de jeugdprofessional dat zij heeft nagelaten te handelen ondanks dat zij op de hoogte was van de wanhoop van de zoon. Dit concentreert zich vooral op geplande belafspraken die geen doorgang vonden. Het College kan zich tot op zekere hoogte voorstellen dat het – mede doordat de ouders niet in staat waren constructief met elkaar te communiceren – niet eenvoudig is geweest de belafspraken doorgang te laten vinden. Dat neemt volgens het College echter niet weg dat van de jeugdprofessional – in haar functie als regievoerder – verwacht mocht worden dat zij zich meer had kunnen inspannen de belcontacten vorm te geven. De jeugdprofessional had zich hier meer kunnen en moeten positioneren.

Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional echter geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden.